266. Acanthaceae.

Bloemen 5-tallig, meest tweeslachtig, zygomorf; kelkbladeren vrij

of vergroeid; bloemkroon vergroeidbladig, regelmatig of zygomorf,

2-lippig; meeldraden 4 of 2, soms nog 1 of 3 staminodiën aanwezig;

vruchtbeginsel bovenstandig, 2-hokkig met 2 tot vele zaadknoppen

in ieder hokje; vrucht een doosvrucht, 2-kleppig hokverbrekend

openspringend, zelden een steenvrucht; zaden meest zittend op

haakvormige uitgroeiïngen van de zaadsteel; kruiden of houtige

planten met tegenoverstaande bladeren; bloemen meest in aren of

samengestelde aren.

1a. Kelk aan den voet met 2 groote bladeren die aan de randen min of

meer vergroeid zijn en den kelk inhullen. Meest klimplanten; bloemen

in de bladoksels 2

1b. Geen 2 groote bladeren onder de kelk; indien de kelk door bladeren

omhuld wordt dan staan de bloemen in aren 3

2a. Bloemkroonbuis van onderen nauw, naar boven geleidelijk

verwijd; zoom van de bloemkroon niet zeer breed. Planten meestal

langharig. Vrucht min of meer besachtig, niet openspringend, rond

Mendoncia.

2b. Bloemkroonbuis tamelijk wijd met een groote en breede,

wijduitstaande zoom met bijna gelijke slippen. Bladeren meest wat

pijlvormig. Vrucht een toegespitste doosvrucht Thunbergia.

3a. Bloemen met 4 meeldraden of met 2 meeldraden en 2 groote

staminodiën 4

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 724 / 793 题