9a. De helmdraden van alle 4 de meeldraden zijn in de bloemkroonbuis
ingehecht. Waterplanten met okselstandige bloemen; bladeren klein,
met breede voet zittend Conobea.
9b. Twee van de 4 helmdraden in den mond van de bloemkroon ingehecht,
de beide andere in de buis. Meeldraden vaak met aanhangselen aan de
basis. Helmknoppen van elk paar meeldraden wat samenhangend. Kleine
kruidachtige planten Lindernia.
10a. Kelk buisvormig, min of meer gevleugeld; bloemkroon naar boven
geleidelijk wijder wordend. Helmknoppen van elk paar meeldraden
samenhangend; een paar van de helmdraden in de mond van de bloemkroon
ingehecht; de 2 lange helmdraden aan de inhechtingsplaats met een
aanhangsel. Kruiden met langgesteelde okselstandige bloemen Torenia.
10b. Kelk niet gevleugeld en niet buisvormig. Helmdraden zonder
aanhangselen aan den voet 11
11a. Kelk 5-deelig, de achterste slip grooter. Twee meeldraden met
stuifmeel; de beide andere tot staminodiën vervormd. Rechtopstaande
soms een weinig heesterachtige planten met behaarde kleine bladeren
en bloemen in de bladoksels Beyrichia. (Achetaria).
11b. Kelk bijna 5-bladig; de achterste slip veel grooter dan de andere,
de 2 zijdelingsche meest veel smaller dan de rest. Bloemkroon met
vlakke 2-lippige zoom. Bovenlip ingesneden of 2-lobbig; onderlip
3-lobbig. Meeldraden 4 of 5. Land- of waterplanten, in het laatste
geval met lange smalle bladeren Bacopa.