245. Loganiaceae.

Bloemen meest 4- of 5-tallig, met vergroeidbladige bloemkroon;

tweeslachtig of éénslachtig, regelmatig; bloemkroonslippen 4-5 tot

vele, in de knop met de randen tegen elkaar of over elkaar liggend of

gedraaid; bloemkroon meest trechtervormig tot bekervormig; meeldraden

evenveel als bloemkroonslippen, zelden maar één, met de buis vergroeid;

vruchtbeginsel 2-hokkig, zelden 3-5-hokkig met 1 tot vele zaadknoppen;

stijl 1, twee- tot vierspletig of stijlen 2; 2-kleppige doosvrucht

of bes; meest houtige planten, zelden kruiden met tegenoverstaande

of kransstandige bladeren met of zonder steunbladeren.

1a. Bovenste bladeren van den stengel in een krans van 4, hieruit komen

de lange trosvormige bloeiwijzen te voorschijn. Bloemen 5-tallig,

bloemkroon buisvormig; meeldraden in het bovendeel van de buis

ingehecht. Vrucht een doosvrucht. Kleine kruiden Spigelia.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 660 / 793 题