Bloemen met kelk en bloemkroon, zelden zonder bloembladeren;
tweeslachtig; bloemas bekervormig; kelkslippen meest 4-6, zelden
2-3; bloembladeren 4-6, zelden meer; meeldraden vele, in meerdere
kransen; vaak ten deele steriel, aan de basis min of meer vergroeid;
vruchtbeginsel met de bloemas vergroeid, onderstandig, 2-6-hokkig;
met 1 tot vele zaadknoppen; stijlen vergroeid; vrucht vleezig of
houtig; houtige planten met verspreide enkelvoudige bladeren zonder
steunbladeren.
1a. Buis van meeldraden overal even hoog; kelkbladeren 4-6;
bloembladeren 6-8, groot. Vrucht een gladde of gevleugelde bes
Gustavia.