184. Marcgraviaceae.

Bloemen tweeslachtig, regelmatig; kelk 4-5-bladig; bloembladeren 4-5,

meest wat vergroeid of geheel vergroeid; meeldraden 4-6 tot vele,

vaak onderling en met de bloemkroon vergroeid en met deze samen

afvallend; vruchtbeginsel meest 5-hokkig of 2-8- tot veelhokkig,

met vele zaadknoppen; doosvrucht gesloten of openspringend; houtige

planten, vaak klimmend of epiphyten, met enkelvoudige bladeren zonder

steunbladeren; bloemen in trossen of schermen; schutbladeren meest

met de bloemsteel vergroeid en in een helder gekleurde honingbeker

veranderd.

1a. Bloemen langgesteeld, in een scherm gezeten; in het midden lange

honingbekers, daaromheen de bloemen. Kelkbladeren 4, bloembladeren

houtig, geheel vergroeid. Epiphyten met 2 soorten van takken, de

niet-bloeiende met 2 rijen van aangedrukte bladeren, de bloeiende

met grootere bladeren, niet in 2 rijen Marcgravia.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 577 / 793 题