182. Ochnaceae.

Bloemen meest 5-tallig; tweeslachtig, regelmatig, soms zygomorf;

bloemas na de bloei vaak vergroot; kelkbladeren 4-10; bloembladeren

5; zelden 4-10; meeldraden 10 of vele, soms met staminodiën;

vruchtbeginsels 2-5-10; vaak van onderen vrij, maar met 1 stijl;

in ieder vruchtbeginsel of hokje van het vruchtbeginsel 1 tot vele

zaadknoppen; meest houtige planten met meest glimmende enkelvoudige,

zelden gevinde bladeren met evenwijdige zijnerven; steunbladeren

aanwezig; bloem groot, meest geel.

1a. Boomen of heesters. Bloemen met 8-20 meeldraden; staminodiën

niet aanwezig 2

1b. Kruiden, soms een weinig heesterachtig met kleine gezaagde

bladeren met gewimperde steunbladeren. Kelkbladeren 5, blijvend,

gelijk van vorm. Bloembladeren 5, rose of wit. Vruchtbare meeldraden,

omgeven door 2 kransen van staminodiën; binnenste krans bestaande uit

5 staminodiën, die met de meeldraden afwisselen, buitenste krans uit

talrijke staminodiën Sauvagesia.

2a. Kelkbladeren 5, ongelijk, elkaar in den knop sterk

bedekkend, min of meer gekleurd. Bloembladeren 5, gelijk, weinig

langer dan de kelk. Meeldraden 10 met korte helmdraden en lange

helmknoppen. Geen staminodiën. Bloeias verlengd, dubbel zoolang als het

vruchtbeginsel. Vruchtbeginsels 5-10 alleen door de stijl verbonden,

daardoor ontwikkelen zich uit elke bloem 10 of minder steenvruchten,

die op een gemeenschappelijke vruchtbodem staan Ouratea.

2b. Kelkbladeren 3-6, bijna gelijk. Bloembladeren 3-6 langer dan de

kelkbladeren. Meeldraden 8-10, of 18-20, zonder staminodiën. Bloeias

weinig verlengd. Vruchtbeginsels geheel vergroeid, evenals de vrucht

Elvasia.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 575 / 793 题