30a. Meeldraden 10-30, in verschillende kransen tot een zuil
vergroeid. Vruchtbeginsel kleiner dan de kelk, met 3 stempels. Bladeren
gelobd tot gedeeld. Bloemen in pluimen Jatropha.
30b. Meeldraden dicht gedrongen op een half-bolvormige
bloembodem. Vruchtbeginsel veel langer dan de kelk, met een lange stijl
en 3-spletige stempel. Bloemen in dichte en dikke trossen. Bladeren
niet gelobd Mabea.
30c. Meeldraden 10, alle vrij, in 2 rijen, op een schijf staande,
en niet tot een zuil vergroeid. Kelk groot, min of meer klokvormig
5-spletig. In de mnl. bloem soms een rudimentair vruchtbeginsel; in
de vrl. bloem soms staminodiën. Stijlen 3, een weinig aan de basis
vergroeid. Bladeren meest handvormig ingesneden of bijna samengesteld
Manihot. Cassave.
31a. Heesters of boomen met de bloemen in dichte aren. Vrl. bloemen
met 3 groote roode, sterk vertakte stempels, met een 3-spletige kelk;
mnl. bloemen met een 4-spletige kelk, met 8 meeldraden, waarvan de
helmknoppen naar beneden uiteenwijken en ± gewonden zijn Acalypha.
31b. Stempels niet opvallend gekleurd. Meeldraden minder dan 8 zonder
bijzonder gevormde helmknoppen 32