2a. Meeldraden niet in een buis vergroeid; kelk 4-5-spletig;
bloembladeren 4-5, aan de binnenzijde in het midden met een kiel
of plaat, die aan de lange schijf, waarop het vruchtbeginsel zit,
is vastgegroeid. Meeldraden 4-6, op den top van den schijf
ingehecht. Vruchtbeginsel 5-hokkig. Vrucht een 5-hokkige
doosvrucht. Zaden gevleugeld. Blaadjes vaak scheef aan den voet
Cedrela. Ceder.