Bloemen 5-4-tallig met kelk en bloemkroon; tweeslachtig, regelmatig;
schijf ringvormig of als gynophoor ontwikkeld; meeldraden 10-8,
zelden 15, aan de basis vaak met schubjes; vruchtbeginsel 5-2-hokkig,
met 1 tot vele zaadknoppen per hokje; stijl hoekig of gegroefd; meest
een doosvrucht of een splitvrucht, zelden een bes; meest heesters
of boomen, zelden kruiden met tegenoverstaande of soms verspreide,
gevinde bladeren, met steunbladeren.
Boomen met tegenoverstaande even-gevinde, 2-jukkige bladeren. Bloemen
met 5 kelkbladeren en 5 blauwe bloembladeren, 10 evenlange meeldraden,
een tweehokkig vruchtbeginsel met vele zaadknoppen en 1 stijl, en een
platte, eenigszins hartvormige door den stijlrest gekroonde vrucht,
met één zaad in elk hokje Guajacum.