128. Leguminosae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, soms alleen met kelk; 5-tallig, meest

met 10 meeldraden, maar soms ook met meer of minder meeldraden;

tweeslachtig, zelden éénslachtig; regelmatig of vaker zygomorf;

vruchtbeginsel bijna steeds 1, zelden 2-5, bovenstandig, 1-hokkig,

met vele, zelden 1 zaadknop; stijl eindelingsch; vrucht meest een

peul soms een kokervrucht of niet openspringend; boomen, heesters of

kruiden met verspreide, meest samengestelde bladeren met steunbladeren;

bloemen meest in trossen.

1a. Bloemen klein, volkomen regelmatig, in hoofdjes of

trossen. Bloembladeren in den knop met de randen tegen elkaar

aanliggend 2 Mimosaceae.

1b. Bloemen vrij groot of groot, meest duidelijk

zijdelings-symmetrisch, soms ook minder duidelijk maar in ieder geval

liggen de bloembladeren in den knop met de randen over elkaar

Papilionaceae. 14

2a. Boomen met dubbel gevinde bladeren. Steel van de bloeiwijze forsch,

aan het eind knotsvormig opgezwollen, bezet met een zeer groot aantal

bloemen, waarvan de bovenste tweeslachtig zijn, de onderste alleen

lange staminodiën hebben of staminodiën en een vruchtbeginsel. Peulen

groot Parkia. Ajoewa.

2b. Boomen of kleinere of grootere heesters of kruiden met de bloemen

in trossen of als ze in hoofdjes staan, dan de steel niet aan den

top verdikt 3

3a. Meeldraden (de staminodiën niet meegerekend) evenveel of

dubbelzooveel als bloemkroonslippen 7

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 434 / 793 题