Bloemen met een bloemdek, twee- of eenslachtig, regelmatig; bloemdek
5-tallig, vergroeidbladig, gekleurd, bij het rijp worden van de vrucht
meestal het onderste deel om de vrucht zitten blijvend; meeldraden
1-30; vruchtbeginsel bovenstandig, vaak schijnbaar onderstandig; met
één zaadknop; kruiden of houtige planten, meest met tegenoverstaande
bladeren; aan de basis van de bloem of van een bloemgroep een krans
van min of meer gekleurde schutbladeren, die soms op een kelk gelijken.
1a. Bloemen groot, hetzij door een gekleurd bloemdek, hetzij door
gekleurde schutbladeren sterk in het oog vallend 2
1b. Bloemen klein, groenachtig of weinig gekleurd, in ieder geval
niet door hun kleur opvallend 3
2a. Kruidachtige stengels. Bloemen rozerood met een lange buis, in
groepen of alleenstaand, door vergroeide schutbladeren omgeven, die
echter veel korter zijn dan de bloemen zelf; indien de bloem alleen
staat in de vergroeide schutbladeren, dan kan men de laatste ten
onrechte voor een kelk aanzien. Meeldraden 3-5, buiten het bloemdek
uitstekend Mirabilis. Vieruursbloem.
2b. Heesters of boomen. Bloemen geel of groenachtig, alleenstaand
of 3 bij elkaar, elke groep omgeven door 3 sterk gekleurde
schutbladeren, die na den bloei blijven zitten en dan droogvliezig
worden. Schutbladeren grooter dan het bloemdek. Meeldraden 5-10,
niet of nauwelijks buiten het bloemdek uitstekend Bougainvillea.
3a. Kruidachtige planten. Bloemen klein, in groepen bijeen, bloemdek
min of meer klokvormig, rood, van onder plotseling buisvormig vernauwd
en dicht om het vruchtbeginsel gesloten, waardoor schijnbaar een
onderstandig vruchtbeginsel aanwezig is. Meeldraden 1 tot 5 Boerhavia.
3b. Boomen of heesters. Bloemen groenachtig of wit, in groepen,
2-huizig, eenslachtig; mnl. bloem met een klokvormig, 5-tandig
bloemdek en 5-30 (meest 6-8) meeldraden. Vrl. bloem buisvormig,
5-tandig, met staminodiën, basale deel van de buis niet duidelijk
afgescheiden van het bovendeel Pisonia.