1a. Bloeiwijzen aarvormig, tenminste een deel ervan. 2

1b. Bloeiwijzen bolvormig of tenminste de uiterste takken der

bloeiwijzen in bolvormige hoofdjes van bloemen eindigend of bloemen

alleenstaand. 3

2a. Bladeren niet ingesneden of vinvormig ingesneden en dan zeer

groot. Mannelijke en vrouwelijke bloeiwijzen op denzelfden boom,

alleenstaand in de oksels der bladeren of aan den stam. Mnl. bloemen

in aren, vrl. bloemen in hoofdjes. Artocarpus. Broodboom.

2b. Bladeren langgesteeld, schildvormig of bladsteel aan de rand

ingehecht, handlobbig tot handdeelig, in omtrek bijna cirkelrond, van

onderen vaak witviltig. Stammen door tusschenschotten in afdeelingen

gedeeld. Bloemen in aren, die in groepen van 2-vele op een steel

staan. Stammen alleen aan den top bebladerd. Cecropia. Bosch-papaja.

3a. Bloemen aan de binnenzijde van een holle bol gezeten, dus bloemen

van buiten af onzichtbaar. Ficus.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 365 / 793 题