1b. Bloeiwijzen bolvormig of tenminste de uiterste takken der
bloeiwijzen in bolvormige hoofdjes van bloemen eindigend of bloemen
alleenstaand. 3
2a. Bladeren niet ingesneden of vinvormig ingesneden en dan zeer
groot. Mannelijke en vrouwelijke bloeiwijzen op denzelfden boom,
alleenstaand in de oksels der bladeren of aan den stam. Mnl. bloemen
in aren, vrl. bloemen in hoofdjes. Artocarpus. Broodboom.
2b. Bladeren langgesteeld, schildvormig of bladsteel aan de rand
ingehecht, handlobbig tot handdeelig, in omtrek bijna cirkelrond, van
onderen vaak witviltig. Stammen door tusschenschotten in afdeelingen
gedeeld. Bloemen in aren, die in groepen van 2-vele op een steel
staan. Stammen alleen aan den top bebladerd. Cecropia. Bosch-papaja.
3a. Bloemen aan de binnenzijde van een holle bol gezeten, dus bloemen
van buiten af onzichtbaar. Ficus.