Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig
of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3-2-hokkig,
met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak
staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen
aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe
of violette kroon.
1a. Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig,
zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf 2
1b. Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van
den stengel of in den oksel van gewone bladeren 3
2a. Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere
steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar
loopend, spiesvormig. Vrucht een niet openspringende doosvrucht met
een dunne witte wand en 5 zaden Phaeospherion. Gado-dèdè.
2b. Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen
der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht
een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringt Commelina. Gado-dèdè.
3a. Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden;
vrucht een openspringende doosvrucht Aneilema.