33. Commelinaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig

of zygomorf; vruchtbeginsel bovenstandig, met 1 stijl; 3-2-hokkig,

met 1 zaadknop in ieder hokje; meeldraden 6, een deel ervan vaak

staminodiaal of ontbrekend; vrucht een doosvrucht; kruiden met knoopen

aan den stengel en afwisselende bladeren; bloemen meest met blauwe

of violette kroon.

1a. Bloemen of bloeiwijzen in den oksel staande van een scheedevormig,

zijdelings samengedrukt schutblad; bloemen ± zygomorf 2

1b. Bloemen in pluimen of aren of in kleine groepen aan het eind van

den stengel of in den oksel van gewone bladeren 3

2a. Meeldraden 5 of 6, daarvan 3 stuifmeeldragend, de 3 of 2 andere

steriel; helmhokjes der steriele meeldraden evenwijdig met elkaar

loopend, spiesvormig. Vrucht een niet openspringende doosvrucht met

een dunne witte wand en 5 zaden Phaeospherion. Gado-dèdè.

2b. Bloemen als de vorige, bloembladeren blauw of paars. Helmknoppen

der steriele meeldraden uit elkaar wijkend, een kruis vormend. Vrucht

een doosvrucht, die met 3 kleppen openspringt Commelina. Gado-dèdè.

3a. Bloemen met 3 vruchtbare en 2 of 3 onvruchtbare meeldraden;

vrucht een openspringende doosvrucht Aneilema.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 309 / 793 题