31. Rapateaceae.

Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig;

kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden

6, meest met de bloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig,

3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje;

vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met

de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2

scheeden, die een hoofdje insluiten.

1a. Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de

aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk

hokje. Vrucht éénzadig Spathanthus.

1b. Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren

ingesloten 2

2a. De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar

vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per

hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvrucht Rapatea.

2b. De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den

bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere

zaadknoppen per hokje; vrucht een 3-kleppige, 1-zadige doosvrucht

Saxo-fridericia.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 300 / 793 题