Bloemen met kelk en bloemkroon, 3-tallig, tweeslachtig, regelmatig;
kelk met een vliezige buis; kroonbladeren meest vergroeid; meeldraden
6, meest met de bloemkroon vergroeid; vruchtbeginsel bovenstandig,
3-hokkig, met 1 stijl en met 2 tot vele zaadknoppen in elk hokje;
vrucht een doosvrucht; overblijvende kruiden met dik rhizoom en met
de smalle bladeren in 2 rijen; bloemsteel aan het eind met 1 of 2
scheeden, die een hoofdje insluiten.
1a. Bloeiwijze met één scheedevormig blad aan één kant van de
aar. Vruchtbeginsel 3-hokkig, 3-lobbig met 2 zaadknoppen in elk
hokje. Vrucht éénzadig Spathanthus.
1b. Bloeiwijze ± bolvormig door twee tegenoverstaande scheedebladeren
ingesloten 2
2a. De twee scheedebladeren niet of nauwelijks met elkaar
vergroeid. Vruchtbeginsel onvolkomen 3-hokkig met 1 zaadknop per
hokje. Vrucht een 3-zadige, openspringende doosvrucht Rapatea.
2b. De twee scheedebladeren met de randen tot een gesloten, na den
bloei opengescheurde zak vergroeid. Vruchtbeginsel met meerdere
zaadknoppen per hokje; vrucht een 3-kleppige, 1-zadige doosvrucht
Saxo-fridericia.