14b. Stijl met drie takken 17

15a. Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig

zijn, onvertakt, draadvormig 16

15b. Haren onder het vruchtbeginsel 6-3 in getal; over de geheele

lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar

liggend, de 3-4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de

bovenste òf alleen met mnl. of met steriele bloemen. Stijl lang,

met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd,

bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staand

Pleurostachys.

16a. Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste

kafjes leeg; slechts 1-3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met

mnl. of met steriele bloemen; 3-2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne

takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle

bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig

aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder

de bloeiwijze eenige bladeren draagt Dichromena.

16b. Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie

tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele

vruchtdragend, de bovenste met mnl. bloemen of leeg. Meeldraden 3-2;

stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen

òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en

samengesteld uit zeer veel aartjes Rhynchospora.

17a. Groote planten. Aartjes met 2-4 leege kafjes van onderen,

daarboven 1-4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met

3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengd Cladium.

17b. Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en

alleen het 4de bovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht

dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes

in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind

van den halm Remiria.

18a. Alle bloemen eenslachtig; de vrl. bloem in het aartje eindstandig,

naakt; daaromheen 2-10 mnl. bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat

men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2-10 meeldraden

24

18b. Alle bloemen éénslachtig, de vrl. bloem meest niet naakt, maar

van een kafje voorzien; de mnl. duidelijke aartjes vormend 19

19a. Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen mnl.,

van boven alleen vrl. aartjes dragend 20

19b. Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot

dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de vrl. en de

mnl. bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje 21

20a. Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1-2 M. lang,

driehoekig, glad. Vrl. bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje

zonder mnl. bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele

mnl. bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig, niet

voorzien van 3-5 groeven Lagenocarpus.

20b. Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten

3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribben Cryptangium.

21a. Aartjes met weinig bloemen, soms mnl. en vrl. bloemen in één

aartje, en dan de vrl. bloem het onderst en de hoogere mnl. òf sommige

aartjes mnl., andere vrl. en dan de vrl. bloem alleenstaand met eenige

rudimentaire bloemen erboven, en de mnl. bloemen in veelbloemige

aartjes. Kafje van de vrl. bloem open, niet om het vruchtbeginsel

tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms

grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk

vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de

halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekig

Scleria. Baboen-nefi.

21b. In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem

eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes 22

22a. Kafje rondom de vrl. bloem met de randen tot een urntje met een

lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals

uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt

alleen de vrl. bloem, de beide zijdelingsche dragen 2-3 mnl. bloemen

met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele

krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die

elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met

enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in

een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjes

Bisboeckeleria (Hoppia).

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 274 / 793 题