15a. Haren onder het vruchtbeginsel afwezig, of indien ze aanwezig
zijn, onvertakt, draadvormig 16
15b. Haren onder het vruchtbeginsel 6-3 in getal; over de geheele
lengte met kortere zijtakken bezet. Kafjes dakpansgewijs over elkaar
liggend, de 3-4 onderste leeg; daarboven vele vruchtdragende, de
bovenste òf alleen met mnl. of met steriele bloemen. Stijl lang,
met 2 lange takken; stijlbasis kegelvormig, blijvend. Halm bebladerd,
bloeiwijze klein, trosvormig, in den oksel van de bladeren staand
Pleurostachys.
16a. Haren onder het vruchtbeginsel afwezig; vele van de onderste
kafjes leeg; slechts 1-3 daarboven vruchtdragend, de bovenste of met
mnl. of met steriele bloemen; 3-2 meeldraden. Stijl lang met 2 dunne
takken die langer zijn dan de stijl zelf. Kleine planten met smalle
bladeren en maar één meest wit of bruinachtig hoofdje van weinig
aartjes aan het eind van den naakten halm, die alleen direct onder
de bloeiwijze eenige bladeren draagt Dichromena.
16b. Haren onder het vruchtbeginsel soms afwezig, soms aanwezig. Drie
tot vele van de onderste kafjes leeg, de volgende 1 tot vele
vruchtdragend, de bovenste met mnl. bloemen of leeg. Meeldraden 3-2;
stijl soms als Dichromena, soms met veel kortere takken. Bloeiwijzen
òf meerdere aan den halm, òf slechts één, maar dan bolvormig en
samengesteld uit zeer veel aartjes Rhynchospora.
17a. Groote planten. Aartjes met 2-4 leege kafjes van onderen,
daarboven 1-4 vruchtdragende kafjes. Stijl aan de basis verdikt met
3 lange takken. Bloeiwijze sterk vertakt, verlengd Cladium.
17b. Kleine strandplanten. Aartjes zeer kort, met 3 leege kafjes en
alleen het 4de bovenste een tweeslachtige bloem, later een vrucht
dragend. Stijl geleidelijk in het vruchtbeginsel overgaand. Aartjes
in korte trosjes staand; eenige van die trosjes zittend aan het eind
van den halm Remiria.
18a. Alle bloemen eenslachtig; de vrl. bloem in het aartje eindstandig,
naakt; daaromheen 2-10 mnl. bloemen, ieder met één meeldraad, zoodat
men het aartje aanziet voor een tweeslachtige bloem met 2-10 meeldraden
24
18b. Alle bloemen éénslachtig, de vrl. bloem meest niet naakt, maar
van een kafje voorzien; de mnl. duidelijke aartjes vormend 19
19a. Bloeiwijze een lange pluim vormend; van onderen alleen mnl.,
van boven alleen vrl. aartjes dragend 20
19b. Bloeiwijze geen losse pluim maar de aartjes verbonden tot
dichte hoofdjes, of indien er een losse pluim is, dan de vrl. en de
mnl. bloemen onregelmatig verdeeld in hetzelfde aartje 21
20a. Groote planten, bladeren tot 1 M. lang, halm 1-2 M. lang,
driehoekig, glad. Vrl. bloem eindstandig, alleenstaand in het aartje
zonder mnl. bloemen erbij; naakt, doch met 6 leege kafjes eronder. Vele
mnl. bloemen bijeen in aparte aartjes. Vruchtje niet 3-kantig, niet
voorzien van 3-5 groeven Lagenocarpus.
20b. Planten in uiterlijk veel gelijkend op de vorige, maar vruchten
3-hoekig en voorzien van 3 duidelijke ribben Cryptangium.
21a. Aartjes met weinig bloemen, soms mnl. en vrl. bloemen in één
aartje, en dan de vrl. bloem het onderst en de hoogere mnl. òf sommige
aartjes mnl., andere vrl. en dan de vrl. bloem alleenstaand met eenige
rudimentaire bloemen erboven, en de mnl. bloemen in veelbloemige
aartjes. Kafje van de vrl. bloem open, niet om het vruchtbeginsel
tot een urntje vergroeid. Nootje hard, beenachtig, meest wit, soms
grijs of purper, met een donkerder top. Bloeiwijzen meest in sterk
vertakte pluimen, soms in een meer gedrongen bloeiwijze maar dan de
halm met vele knoppen en bebladerd. Halm vaak scherp driehoekig
Scleria. Baboen-nefi.
21b. In het vruchtdragende aartje staat de eenige vrouwelijke bloem
eindelings. Bloemen in bolvormige hoofdjes 22
22a. Kafje rondom de vrl. bloem met de randen tot een urntje met een
lange hals vergroeid, de stijl met zijn 3 takken steekt buiten de hals
uit. Aartjes steeds in groepen van 3 geplaatst; de middelste draagt
alleen de vrl. bloem, de beide zijdelingsche dragen 2-3 mnl. bloemen
met ieder 1 meeldraad. Planten met lange smalle bladeren met enkele
krachtige evenwijdige nerven; bladeren met breede scheeden, die
elkaar van onderen dakpansgewijs overdekken. Halm aan de basis met
enkele schubben, verder naakt, van boven de bloeiwijzen dragend in
een groep van weinige gestekelde bolvormige hoofdjes
Bisboeckeleria (Hoppia).