7b. Slechts één bloem in elk aartje of als er 2 zijn, dan alleen de
bovenste 2-slachtig en vruchtdragend 13
8a. Aartjes in twee, dicht naast elkaar staande rijen langs de as,
en zoo een eenzijdige aar vormend 9
8b. Aartje niet in twee rijen langs de as staande, doch in een
verschillend gevormde pluim staand 11
9a. Aren niet op hetzelfde punt van de halm bijeenstaand, doch langs
de bovenzijde van de halm verdeeld; 6 bloemen per aartje, de kafjes
meest kort genaald, soms ook bijna zonder naald; groote planten
Leptochloa.
9b. Aren in een groep van 2 tot vele aan het eind van de halm
bijeenstaand 10
10a. Aar met een bloem aan den top eindigend; kafjes samengedrukt,
gekield, ongenaald; aren vrij smal; 4-8 bloemen per aartje
Eleusine, Mangras.
10b. Aar zonder bloem aan den top, doch de as met een puntje buiten
het bloemdragende deel voortgezet; kafjes met duidelijke doch korte
naalden; aren dik en kort; 3-5 bloemen per aartje Dactyloctenium.
11a. Slechts 2 bloemen per aartje, soms maar één, meest tweeslachtig,
een enkele maal vrl. of mnl.; aartjes op lange steelen afzonderlijk
staand, te zamen een zeer wijde pluim vormend; kafjes met een kiel,
aan den punt gestekeld doch zonder naald Orthoclada.
11b. Talrijke bloemen in elk aartje, meest tweeslachtig, soms ook
enkele mnl. of vrl. 12
12a. Onderste kroonkafje met 1-3 nerven; aartje gesteeld of zittend,
een pluim of een smalle aarvormige pluim vormend; alle kafjes vliezig
en ongenaald, kroonkafjes na de bloei blijvend Eragrostis.
12b. Onderste kroonkafje met 5 tot vele nerven, de zijnerven boogvormig
naar de middennerf toeloopend; aartjes meest in een losse pluim;
kroonkafjes vaak stomp Poa.
13a. Meeldraden 6; aartjes éénbloemig, alleenstaand op steelen;
bloeiwijze een pluim; kelkkafjes 4, de beide onderste klein, de 2
bovenste veel grooter, hard, zijdelings samengedrukt met een scherpe
kiel, ongenaald; kroonkafje ontbrekend Oryza, Rijst, aleesi.