Bloemen tweeslachtig, meest met kelk en bloemkroon, regelmatig,
3-tallig; kelkbladeren 3, kroonbladeren 3; meeldraden 9 tot vele, in
het laatste geval de buitenste zonder stuifmeel; vruchtbeginsels 6 tot
vele, vaak aan de basis vereenigd, met vele zaadknoppen, kokervruchten;
moeras- of drijvende waterplanten bijna steeds met melksap.
Bladeren in het water ondergedoken of op het water drijvend, eirond;
bloemen tot 8 c.M. groot, lichtgeel; meeldraden ± 20; vruchtbeginsels 6
Hydrocleis.