22a. Bladeren handlobbig, evenals de bladsteel behaard; aderen
netvormig, geheel bedekt met de netvormige sori, de steriele bladeren
kleiner Hemionitis.
22b. Bladeren driehoekig, zeer klein, ongesteeld, aan de basis
toegespitst, naar boven geleidelijk verbreed aan den bovenrand met
scherpe insnijdingen. Aderen niet netvormig verbonden maar naar
boven waaiervormig uitgespreid. Sori bijna de geheele lengte der
aderen innemend Hecistopteris.
22c. Bladeren langwerpig tot lancetvormig, bijna gaafrandig, aan top
en basis versmald; nerven netvormig 23
23a. Sori alleen langs de nerven, dus netvormig Anthrophyum.
23b. Sori zeer klein, verspreid over de geheele onderzijde van het blad
Anetium.
24a. Bladeren eenmaal gevind of dubbel gevind, evenals de bladsteelen
behaard. Sori langs de aderen loopend van de steel naar den rand
dicht opeenzittend en weinig vertakt Gymnopteris (Neurogramme).
24b. Bladeren dubbelgevind met een lang glimmend zwarte steel, aan de
onderzijde tusschen de sori met een witte was bekleed. Segmenten van
de laatste orde klein; de sori samensmeltend en daardoor onregelmatig
over de onderkant verspreid Ceropteris (Neurogramme).
25a. Sori zeer lang, dicht bij den bladrand liggend en ermee evenwijdig
loopend. Bladeren herhaaldelijk gaffelvormig vertakt, smal en dun.
Eschatogramme (Dicranoglossum).
25b. Sori rond of langwerpig niet evenwijdig met de bladrand. Bladeren
nooit gaffelvormig vertakt maar enkelvoudig of op verschillende
wijze gevind Polypodium (Lepicystis).
26a. Bladeren enkelvoudig niet ingesneden; meest lang-elliptisch. Sori
de geheele onderzijde van het blad bedekkend Elaphoglossum.