6a. Sporangiën in twee rijen aan den sporangiëndrager; bladeren
niet ingesneden IX. Ophioglossaceae.
6b. Sporangiëndrager sterk pluimvormig vertakt; bladeren gevind
VI. Schizaeaceae.
7a. Sporangiën niet tot sori vereenigd, op de onderzijde aan de
vindeelige tot gevinde bladeren langs de nerven verspreid; planten
op zeer vochtige plaatsen of in het water groeiend IV. Parkeriaceae.
7b. Epiphyten of landplanten; sporangiën in sori, soms de geheele
bladonderzijde dicht bedekkend of randstandig 8
8a. Planten met rechtopstaande stammen; min of meer boomachtig;
bladeren éénmaal tot viermaal gevind. Ring om het sporangium niet
onderbroken, scheef, bijna verticaal staande II. Cyatheaceae.
8b. Stammen niet boomvormig; ring onderbroken of niet, maar dan
bijna horizontaal 9
9a. Sori vereenigd tot lijnvormige groepen (synangiën) die van de
middennerf naar de bladrand loopen en met poriën openspringen. Bladeren
enkelvoudig of 3-tallig VIII. Marattiaceae.