5b. Sporangiën aan de onderzijde of aan de randen van de bladeren 7

6a. Sporangiën in twee rijen aan den sporangiëndrager; bladeren

niet ingesneden IX. Ophioglossaceae.

6b. Sporangiëndrager sterk pluimvormig vertakt; bladeren gevind

VI. Schizaeaceae.

7a. Sporangiën niet tot sori vereenigd, op de onderzijde aan de

vindeelige tot gevinde bladeren langs de nerven verspreid; planten

op zeer vochtige plaatsen of in het water groeiend IV. Parkeriaceae.

7b. Epiphyten of landplanten; sporangiën in sori, soms de geheele

bladonderzijde dicht bedekkend of randstandig 8

8a. Planten met rechtopstaande stammen; min of meer boomachtig;

bladeren éénmaal tot viermaal gevind. Ring om het sporangium niet

onderbroken, scheef, bijna verticaal staande II. Cyatheaceae.

8b. Stammen niet boomvormig; ring onderbroken of niet, maar dan

bijna horizontaal 9

9a. Sori vereenigd tot lijnvormige groepen (synangiën) die van de

middennerf naar de bladrand loopen en met poriën openspringen. Bladeren

enkelvoudig of 3-tallig VIII. Marattiaceae.

Zakflora voor Suriname [Deel I] Bulletin van het Koloniaal Museum te Haarlem No. 47. · 第 15 / 793 题