§ 1. Algemeene regels.
Ieder, die in Suriname planten verzamelen wil, die bruikbaar zijn
voor een nader botanisch onderzoek heeft zich te houden aan de
volgende grondregels:
1o. Te zorgen dat hij overal, alles en zoo volledig mogelijk
verzamelt. Overal, dat wil zeggen, ook in deelen van de Kolonie, die
schijnbaar reeds vaak doorzocht zijn; men diene nooit te vergeten,
dat, al verzamelt men geen nieuwe soorten, het materiaal toch in
zooverre van belang kan zijn dat het voorkomen van bepaalde soorten
in de streek, waar men verzamelt, aangetoond wordt; belangrijke
planten-geografische kwesties kunnen hierdoor opgelost worden. Verder
verzamele men alles, dus niet alleen fraai bloeiende en in het oog
vallende planten, doch ook kleinere vormen met moeielijk zichtbare
bloemen; varens en mossen mogen evenmin vergeten worden en onder de
wieren en schimmels worden vaak nog de meest interessante en vreemde
vormen aangetroffen. Men verzamele verder zoo volledig mogelijk,
d. w. z. men lette erop dat de plant, die men verzamelt, zoo mogelijk
bladeren, stengel, wortel, bloemen en vruchten bezit. Takken met
bladeren alleen zijn in den regel geheel waardeloos, evenals varens en
mossen zonder sporenhoopjes of sporenkapsels. Verzamel zoo mogelijk
meerdere exemplaren van één plant, opdat, wanneer de soort bijzonder
zeldzaam of nieuw mocht zijn, de ontvanger exemplaren aan andere
botanici kan afstaan of met hen ruilen.
2o. Verzamel liever weinig en dan goed, dan veel en slecht.
3o. Tracht bij gebrek aan tijd ten minste gemakkelijk te conserveeren
planten bij elkaar te krijgen, zooals mossen en varens, die weinig
zorg vereischen bij het conserveeren.
§ 2. Gereedschappen voor het verzamelen van planten.
Hij die weinig verzamelt kan zich met de bekende botaniseerbus
behelpen. Deze heeft echter het nadeel, dat zij in den regel te
klein is en slechts een beperkt aantal exemplaren kan bevatten. Zij
is dus alleen te gebruiken bij zeer kleine tochten of in plantenarme
gebieden. In Suriname is de botaniseerbus in den regel onbruikbaar. In
de warme met waterdamp verzadigde ruimte gaan de bladeren spoedig
afvallen, evenals de bloemen en vruchten; deze vermengen zich met
elkaar op den bodem van de bus en geven tot de grootste verwarring
aanleiding. Beter late men zich een of meer portefeuilles maken van
stevig karton, van buiten en binnen met een waterdichte stof (zeildoek)
bekleed, welke eenige centimeters grooter is dan het formaat van het
papier dat men gebruikt. Een van deze portefeuilles gebruikt men als
verzamelportefeuille, de andere wordt alleen gebruikt om er meer papier
in te bergen, en moet dus door iemand anders gedragen worden. Men
snijdt nu van de plant, die men verzamelen wil, een stuk af van de
grootte van het papier en legt dat tusschen een van de dubbele vellen
in de verzamelportefeuille. Het gemakkelijkst is deze te sluiten met
een breed stuk elastiek dat overlangs de portefeuille dichthoudt. Men
zorge dat de plant zoo vlak mogelijk uitgespreid wordt, zonder daaraan
al te overdreven en tijdroovende zorg te besteden. Is het papier in de
verzamelportefeuille gebruikt, dan kan men een deel van de planten doen
overgaan in de andere. Het spreekt vanzelf dat men op kleinere tochten
ook met slechts één portefeuille kan uitgaan. Voor het uitgraven van
kleine planten kan men gebruik maken van een plantenschopje, waarbij
men dient te zorgen, dat men het onderaardsche deel niet stukstoot of
afsnijdt. Vooral bij planten met knollen en lange wortelstokken, doch
ook bij parasieten, die op wortels van andere planten vastzitten is het
van belang, dat het uitgraven met de meeste voorzichtigheid geschiedt.
Een goed zakmes is natuurlijk een eerste vereischte. Indien men
veel van uit een boot langs de rivieroevers verzamelt kan een
z.g. plantenschaar goede diensten bewijzen. Men bevestige deze op een
langen stok, en trekke de schaar met een touw dicht. Gemakkelijk is
het, wanneer men de stok zóó laat maken, dat men hem naar willekeur
kan verlengen door van bussen voorziene verlengstukken.
Om goede exemplaren te verkrijgen, dient men nog het volgende in het
oog te houden.
Kleinere kruidachtige of overblijvende planten, die niet hooger zijn
dan eenige decimeters, verzamele men in hun geheel, doch met den
wortel erbij.
Van hoogere kruiden of overblijvende planten, moet men in ieder
geval het bovenste, bloeiende deel nemen, en verder een stuk met
bladeren van het onderste deel van den stengel; van heesters of
boomen zijn bloeiende of vruchtdragende takken noodig. Stukken
schors, knoppen etc. kunnen erbij gevoegd worden, doch zijn niet
noodzakelijk. Klimplanten verzamele men liefst met het voorwerp dat
omklemd wordt, wanneer dit tenminste niet te groot is. Van planten met
bijzonder groote bladeren kan in sommige omstandigheden het geheele
blad opgevouwen worden, totdat het de grootte van het papier niet
meer overschrijdt. Tusschen de plaatsen waar deelen van het blad
elkaar raken, legt men stukken papier.
Vindt men planten die alleen bloeien, dan lette men vooral op in
de nabijheid staande exemplaren of men daaraan geen vruchten kan
vinden. Wanneer men in de gelegenheid is, een plaats meermalen te
bezoeken, dan is het merken van een plant aan te bevelen, opdat
men bij een andere gelegenheid van hetzelfde exemplaar vruchten kan
verzamelen. Zooveel mogelijk verzamele men bloemen en vruchten van
hetzelfde exemplaar.
Parasieten worden steeds verzameld met de plant waarop ze voorkomen.
Niet bloeiende planten (varens, mossen etc. natuurlijk uitgezonderd)
moeten niet verzameld worden; zulk materiaal kan alleen eenige waarde
hebben, wanneer men de volksnamen en het gebruik ervan aanteekent. Ook
enkele vruchten en bloemen hebben in het algemeen geen waarde voor
de wetenschap.
Bij het verzamelen moet men er verder op letten, dat alle onnoodige
ballast zooveel mogelijk vermeden wordt. Dikke zoden, zooals veel
bij grassen voorkomt, snijdt men door twee vertikale sneden in platte
stukken, waardoor de verzamelportefeuille niet te dik wordt.
Dikke bollen, knollen of wortelstokken worden overlangs doorgesneden
en beide helften in het papier gelegd. Planten die te groot zijn
voor het papier en die toch volledigheidshalve niet in kleinere
exemplaren verzameld kunnen worden, moeten niet in stukken gesneden
worden, doch omgeknikt, zoodat de omgebogen plaatsen niet van elkaar
loslaten. Van zeer stekelige planten kan een deel van de stekels
verwijderd worden. Bloemen of kleine vruchten, die gemakkelijk afvallen
voegt men bij de planten, waartoe ze behooren, in een enveloppe.
Is men met het materiaal aangekomen op de plaats waar men het verder
kan verzorgen, dan kan men twee wegen inslaan, n.l. het materiaal kan
gedroogd worden, of het kan langs de methode van Schweinfurth worden
behandeld. De eerste methode voert alleen tot goede resultaten in
streken met een droog klimaat; in vochtige streken, zooals in Suriname,
nemen na het drogen de planten in den regel weer zooveel water op, dat
ze spoedig schimmelen en alle moeite voor niets is geweest. Men kan
weliswaar het schimmelen tegengaan door de planten te bestrijken met
een sterke oplossing van sublimaat in alcohol, maar de voortdurende
vochtigheid doet hen toch spoedig achteruitgaan. Wil men absoluut
zeker zijn, dat de planten goed verzonden worden en ook in goeden
staat bij den ontvanger aankomen, dan verzamele men steeds volgens
de methode van Schweinfurth.
Daarvoor late men zinken bussen maken, die eenige centimeters langer en
breeder zijn, dan het formaat van het papier en ± 15 cM. dik zijn. Voor
een formaat van 45 × 30 cM. papier (een zeer bruikbaar formaat) is dus
een blik van 47 × 32 × 15 cM. voldoende. Het blik moet open zijn op een
vlak van 32 × 15 cM. en op die plaats moet de rand ter breedte van ±
1 cM. rechthoekig naar binnen omgebogen worden, zoodat men daarop
den deksel, die natuurlijk 32 × 15 cM. groot is, kan vastsoldeeren.
Het materiaal, dat verzameld is tusschen papier, kan nu zonder meer
uit de verzamel-portefeuille in het blik geborgen worden. In ieder blik
gaan ongeveer 50 gevulde vellen papier, waarvan men eerst 2 of 3 pakjes
maakt, die men met touw dichtbindt. Men schuift deze nu voorzichtig
in de bus. Daarna wordt de deksel er op gesoldeerd; deze deksel is
voorzien van een opening van eenige centimeters diameter, waardoor men
de conserveeringsvloeistof laat binnenstroomen. Daarvoor komt sterke
alcohol van 96 % in de allereerste plaats in aanmerking; voor een blik
van de boven opgegeven afmetingen is 1 Liter in den regel voldoende;
waren de planten erg nat, dan moet men iets meer nemen, doch zeker niet
meer dan 2 Liters. Men zorge bij het doen toevloeien van den alcohol
ervoor, dat men dezen zooveel mogelijk naar alle zijden laat stroomen,
zoodat het papier er geheel mee gedrenkt wordt. De alcohol behoeft
echter niet in vloeibaren toestand in het blik aanwezig te zijn,
doch wanneer het papier er goed mee gedrenkt is, wordt schimmelen
van de planten reeds geheel tegengegaan. In plaats van spiritus kan
men in geval van nood ook brandspiritus, arak, brandewijn, formaline
(4 %) of een karbol-oplossing nemen; van den brandspiritus, arak of
brandewijn moet men echter minstens twee Liter toevoegen, daar het
watergehalte van deze stoffen grooter is dan dat van sterke alcohol.
De kwaliteit van het papier, doet bij het verzamelen volgens de
methode Schweinfurth weinig ter zake; het meest geschikt is gewoon
grijs pakpapier van een ordinaire kwaliteit; in geval van nood kan
zelfs krantenpapier gebruikt worden, maar dit heeft het bezwaar, dat
het in de conserveeringsvloeistof week wordt en uiteen kan vallen,
zoodat men de pakken zeer goed moet dichtbinden, en met het touw niet
zuinig moet zijn.
Nadat men de alcohol bij de planten gevoegd heeft, soldeert men het
gat in den deksel goed dicht.
De voorzorgen, die men te nemen heeft om bij de verzending van de
bussen scheuren of deuken te voorkomen, zijn geheel afhankelijk van
de dikte van het materiaal, waarvan ze vervaardigd zijn. Meestal is
het niet raadzaam om ze zonder eenige beschutting te verzenden.
Wil men de blikken mee op expeditie nemen, dan is het raadzaam ze in
twee grootten te laten maken, die zeer weinig van elkaar verschillen,
doch zooveel dat het grootste blik als een deksel over het kleinere
geschoven kan worden. Daarvoor is het wenschelijk de later naar
binnen te buigen rand van dit grootste blik rechtop te zetten, zoodat
men daardoor geen ruimte verliest. Deze rand wordt pas rechthoekig
omgebogen, wanneer men den deksel erop gaat soldeeren. Door deze
methode is men zeker, dat het papier niet nat wordt, en kan men op
grootere tochten zijn voorraad gemakkelijker meenemen. Bovendien heeft
het dit voordeel, dat het blik een grootere stevigheid verkrijgt en
minder spoedig gedeukt wordt.
§ 3. Etiketten.
In den regel is het wenschelijk zoowel bij grootere als kleinere
tochten de verzamelde planten een doorloopend nummer te geven.
Worden op eenzelfde plaats meerdere exemplaren van dezelfde soort
verzameld, dan krijgen al die exemplaren hetzelfde nummer; verzamelt
men echter op verschillende plaatsen, dan moet men noodzakelijk
telkens een ander nummer geven.
Dit nummeren geschiedt het best op de volgende wijze. Men laat
stukjes stevig, dun karton snijden op de maat 2 × 3 c.M. en maakt
daaraan door een gaatje een dubbel touwtje vast, dat men aan de einden
samenknoopt. Door het etiket door de lus te steken kan men de stukjes
karton aan de plant gemakkelijk bevestigen. Op dit karton schrijft
men met zacht potlood het nummer; inkt is niet geschikt, omdat dit
in de alcohol kan verdwijnen.
Het nummeren alleen is echter niet voldoende en zelfs hebben planten
met een nummer alleen absoluut geen waarde. Behalve dat moet aangegeven
worden:
1o. De standplaats van de plant:
a. de geografische ligging van de plaats.
b. aard van de plaats (droog, vochtig, zonnig, beschaduwd,
humusachtig, rotsachtig, steenachtig, epiphytisch, parasitisch,
zoetwater, brak water, zeewater, etc.).
c. Geologische gesteldheid van den bodem (kalk, graniet,
zandsteen, etc.).
d. Hoogte van de plaats boven zee.
2o. Wijze van voorkomen.
a. In welke omgeving (oerwoud, savanne, rivieroever, langs
wegen, etc.).
b. Wijze van voorkomen (in groepen, afzonderlijk, algemeen,
zeldzaam, gekultiveerd enz.).
3o. Datum van verzamelen.
4o. Alle eigenschappen van de levende plant, die aan het gedroogde
exemplaar niet meer kunnen waargenomen worden.
a. Wijze van groeien (Boom, diens grootte, omtrek, kleur en
vorm van de schors, vorm van de kroon, struik, klimplant,
woekerplant, epiphyt, kruid, etc.).
b. Kleur van de bloemen, kleur en smaak van de vruchten.
c. Reuk, smaak, melksap en andere dergelijke eigenschappen.
5o. Gebruik (nut en schade, etc.).
6o. Volksnamen.
7o. Naam van den verzamelaar.
Hoe vollediger zulk een etiket is, des te meer waarde hebben de
verzamelde exemplaren. De dikgedrukte aanwijzingen moeten beslist
opgegeven worden, de niet-dikgedrukte kunnen desnoods achterwege
blijven, b.v. wanneer men zeer weinig tijd heeft, doch zijn niettemin
zeer wenschelijk.
Het gemakkelijkst is het, etiketten te laten drukken, waarop reeds
enkele woorden voorkomen, zoodat men slechts de voorkomende eigenschap
heeft aan te strepen en de rest in te vullen, b.v.:
============================================================================
No. 152 | Datum | Phot. No.
============================================================================
Naam. | Botanisch. | Inlandsch.
============================================================================
Vindplaats. { Oerwoud. | Savanna. | Moeras. | Oeverveget. | Zilteveget.
{ --------------------------------------------------------------
{ Hoogte b.z. | Grondsoort.
============================================================================
Habitus. { Boom. | Heester. | Kruid. | Liaan. | Klimplant. | Epiphyt.
{ --------------------------------------------------------------
{ Afmeting.
============================================================================
Bloembeschrijving. {
============================================================================
Vrucht. {
============================================================================
Vegetat. { Doornen. | Olieklieren. | Melksap. | Vorm van wortels.
deelen { Kleur v. Blad. | Kleur v. Stam. |
============================================================================
Gebruik. {
============================================================================
Andere {
bijzonderheden. {
============================================================================
Verzameld door:
============================================================================
De etiketten laat men nummeren en in boekjes van b.v. 100 stuks
bij elkaar inbinden. Men geeft de plant natuurlijk het nummer, dat
overeenkomt met het nummer van het etiket, en zendt de ingevulde
boekjes later met de verzamelde planten (doch niet in de bussen!) op.
De methode Schweinfurth heeft verder nog het voordeel, dat men zeer
weinig plantendeelen afzonderlijk in spiritus behoeft te bewaren. Zoo
kunnen vruchten, wanneer ze tenminste niet al te groot zijn, met de
plant tusschen het papier gelegd worden. Ook bloemen worden zóó weinig
platgedrukt, dat ze voor onderzoek even geschikt zijn, alsof ze direct
in een buisje met alcohol gelegd waren. Wil de ontvanger ze in alcohol
bewaren, dan kan hij dat doen, zoodra hij het blik openmaakt.
Vele orchideeën maken hierop eene uitzondering; hunne bloemen zijn
vaak groot en zeer bros, zoodat ze tusschen het papier hun vorm
verliezen. Men doet daarom beter ze in glazen buizen in spiritus te
conserveeren. Deze spiritus mag echter niet sterker zijn dan ± 60 %,
omdat anders de bloemen hard worden en door schudden bij het vervoer
zeer gemakkelijk breken. De glazen buizen sluit men met een kurk en
daarna met flesschenlak of met paraffine en verzendt ze met papier
omwikkeld in kistjes, die aangevuld zijn met houtwol, boekweitdoppen
of dergelijk materiaal. Natuurlijk kan men allerlei vruchten of
bloemen, die bij de planten behooren, op deze wijze verzamelen, doch
noodzakelijk is het in den regel niet. Soms kan men ook eenige buizen
bij de planten in het blik insluiten.
Zeer geschikt kan men bloemen en groote vruchten ook in inmaakbussen
bewaren. Z.g. olifantsbussen, die met metalen klemmen en gummi-ring
gesloten worden, leenen zich uitstekend voor dit doel, en zijn ook
zeer bruikbaar voor het meenemen van kleinere hoeveelheden alcohol.
§ 4. Speciale aanwijzingen bij het verzamelen van lagere planten en
sommige families van de hoogere planten.
Paddenstoelen en schimmels, conserveert men het best in een
formaline-oplossing van 4 % (d. i. 10 deelen van de 40 % oplossing,
die in den handel is, op 90 deelen water). Door ieder exemplaar
in een stukje katoen of neteldoek te verpakken, waarbinnen men het
etiket opbergt, dat de vindplaats, de kleur, enz. van de levende plant
aangeeft, kan men een aantal paddenstoelen-soorten in een blik, pot
of glazen buis bewaren. Paddestoelen planten zich voort door sporen,
wier kleur bij de determinatie van belang is; om deze kleur te weten
te komen legt men de paddestoel gedurende een dag op een stuk papier
in een kamer; den volgenden dag zal men rondom de paddestoel (indien
deze althans voldoende rijp was) verschillend gekleurde stofwolkjes
vinden; dat zijn de sporen, de kleur ervan vermelde men op het etiket.
Zoetwaterwieren. Deze hebben doorgaans de vorm van draden,
geleibolletjes of groene vliezen, en drijven of zijn aan verschillende
voorwerpen vastgehecht. Men kan ze verzamelen in glazen buizen
of in zakjes van geolied papier; thuis worden ze in een bak met
water gebracht en eenigszins uitgespreid; daarnaast plaatst men
een tweede bak met schoon water, waarin men een stevig stuk papier
onderdompelt. Men neemt nu een exemplaar uit den eersten bak en brengt
die met behulp van een pincet in de tweede bak over boven het papier;
zoodra het wier goed uitgespreid is, schuift men het papier met het
wier erop voorzichtig uit het water, laat het overtollige water eraf
loopen en droogt het geheel op filtreerpapier (natuurlijk niet tusschen
filtreerpapier, daar het wier dan loslaat).
Een gemakkelijker methode is de volgende:
Men brengt het wier over naar een fleschje of buisje met water en
voegt er op het oog bij 10 % van een oplossing die bevat:
Chroomzuur 30 gram
IJsazijn 30 ,,
Water 1000 ,,
Daarmede is de conservatie afgeloopen; de fleschjes worden gekurkt
verzonden.
Korstmossen komen op den grond, op steenen of op boomen voor. Ze worden
in de zon gedroogd en vervolgens in kleine zakjes verpakt. Natuurlijk
kan men ze ook volgens de methode Schweinfurth conserveeren.
Mossen en levermossen moeten zooveel mogelijk verzameld worden in
sporendragenden toestand. Deze sporendragers vindt men in den regel
als gesteelde kapseltjes op de plant zitten. Mossen vindt men in
groote hoeveelheden op boomstammen en vochtig hout, ook op den grond,
op steenen enz. De zoden die men op den grond vindt snijdt men af
en verwijdert zooveel mogelijk de aarde; snijdt de zoden daarna in
overlangsche platte stukken en doet ze in papieren zakjes; deze kan
men drogen of langs de methode Schweinfurth conserveeren.
Varens worden op dezelfde wijze verzameld als bloeiende planten;
men lette erop dat ze sporen dragen, die men meest aan de achterzijde
van de bladeren als bruine, vaak door een schubje overdekte hoopjes
vindt. Van belang is het dat men een deel van den stengel of den
wortelstok mede verzamelt, daar bij de determinatie van veel belang
is de wijze waarop de bladsteel aan den stengel bevestigd is. Men
snijde dus de bladeren niet af.
Palmen. Het zal in den regel onmogelijk blijken om het blad in zijn
geheel te verzamelen. Men snijde daarom de bladbasis en de bladtop af
en legge die tusschen papier, terwijl men op het etiket de afmeting van
het geheele blad vermeldt en het aantal paren segmenten opgeeft. Het
is van veel belang een geheele bloeikolf of een vruchtdragende kolf
te verzamelen, waarbij men vooral de inhullende scheede of scheeden
niet mag verwijderen. Kan men de geheele kolf niet verzamelen, dan
beware men tenminste een paar vruchten en de scheeden.
Bromeliaceae zijn vaak ook te groot om in zijn geheel verzameld te
worden; men snijde daarom een paar bladeren zoo dicht mogelijk bij
de basis af en neme verder de bloeitros mee.
Musaceae. Daarvoor geldt hetzelfde als voor de Bromeliaceae,
Zingiberaceae en Marantaceae. Bij deze familie lette men vooral op
den onderaardschen wortelstok, en verzamele ten minste een deel van
de bloemen in een buisje met spiritus.
Menispermaceae. Deze familie komt steeds slechts in mannelijke of
vrouwelijke exemplaren voor; men trachte exemplaren van beiderlei
geslacht te verzamelen.
Myristicaceae. Ook hier vindt men slechts éénslachtige bloemen.
Podostemonaceae. Deze alleen in stroomversnellingen groeiende planten
moeten zoo veel mogelijk verzameld worden met de deelen, waarmede
ze op de steenen of op hout vastgehecht zijn; men make deze deelen
echter niet los van het substraat, maar neme de steen mee of trachte
er tenminste een stuk af te slaan. Lossnijden is zeer moeielijk en
beschadigt de plant bijna steeds. Men lette vooral ook op de kleine
vormen.
Leguminosae. Wanneer men van deze familie boomen aantreft, die de
typische vlindervormige bloem hebben, dan lette men vooral op de
vruchten. Zonder deze zijn de planten bijna niet te determineeren. Voor
andere vormen der familie zijn de vruchten minder noodzakelijk,
maar toch altijd zeer gewenscht.
Euphorbiaceae. Deze familie heeft steeds eenslachtige bloemen,
mannelijke en vrouwelijke bloemen komen in den regel op dezelfde
plant voor. Men zorge dus zooveel mogelijk beide soorten van bloemen
te verzamelen, ook als de planten tweehuizig zijn.
Sapindaceae. De boomen onder deze familie hebben samengestelde,
gevinde bladeren, die echter vaak den indruk maken van bebladerde
takken. Men lette goed op, dat men een dergelijk blad niet doorsnijdt,
doch in zijn geheel verzamelt.
Guttiferae. Ook hier vindt men vaak eenslachtige bloemen; men zoeke
dus naar beide vormen.
Lecythidaceae en Myrtaceae. Voor het determineeren van de geslachten
in deze families zijn vruchten bijna steeds onmisbaar.
Bignoniaceae. Van deze familie zijn de vruchten zeer slecht
bekend. Reeds daarom is het wenschelijk ze zooveel mogelijk te
verzamelen. Eenige geslachten zijn slechts door de vruchten te
onderscheiden.
Rubiaceae. De indeeling van deze familie berust bijna uitsluitend op
de vruchten. Men verzamele deze dus zooveel mogelijk met de bloemen.
Cucurbitaceae. Deze familie heeft steeds eenslachtige bloemen, die
soms op dezelfde plant, vaker op verschillende planten voorkomen. Men
lette daar dus op bij het verzamelen.
Compositae. Met het oog op den vorm van het vruchtpluis is het zeer
wenschelijk met de bloemen ook vruchten te verzamelen.
OVERZICHT VAN HET NATUURLIJKE STELSEL VAN DE VAATKRYPTOGAMEN EN
PHANEROGAMEN.
(De in Suriname voorkomende families, orden, klassen en afdeelingen
zijn met vette letter gedrukt; zie de toelichting op pag. 6).
Afdeeling: Archegoniatae.
Onderafdeeling: Pteridophyta.
Klasse: Filicales.
Orde: Filicales leptosporangiatae.
I. Hymenophyllaceae.
II. Cyatheaceae.
III. Polypodiaceae.
IV. Parkeriaceae.
Matoniaceae.
V. Gleicheniaceae.
VI. Schizaeaceae.
Osmundaceae.
Marsiliaceae.
VII. Salviniaceae.
Orde: Marattiales.
VIII. Marattiaceae.
Orde: Ophioglossales.
IX. Ophioglossaceae.
Klasse: Sphenophyllales.
Sphenophyllaceae.
Klasse: Equisetales.
Orde: Equisetales.
Equisetaceae.
Orde: Calamariales.
Calamariaceae.
Protocalamariaceae.
Klasse: Lycopodiales.
Orde: Lycopodiales eligulatae.
X. Lycopodiaceae.
Psilotaceae.
Orde: Lycopodiales ligulatae.
XI. Selaginellaceae.
Lepidodendraceae.
Sigillariaceae.
Isoetaceae.
Afdeeling: Phanerogamae.
Onderafdeeling: Gymnospermae.
Klasse: Cycadales.
1. Cycadaceae.
Klasse: Bennettitales.
2. Bennettitaceae.
Klasse: Cordaitales.
3. Cordaitaceae.
Klasse: Ginkgoales.
4. Ginkgoaceae.
Klasse: Coniferae.
5. Taxaceae.
6. Pinaceae.
Klasse: Gnetales.
7. Gnetaceae.
Onderafdeeling: Angiospermae.
Klasse: Monocotyledoneae.
Orde: Pandanales.
8. Typhaceae.
9. Pandanaceae.
10. Sparganiaceae.
Orde: Helobiae.
11. Potamogetonaceae.
12. Najadaceae.
13. Aponogetonaceae.
14. Scheuchzeriaceae.
15. Alismataceae.
16. Butomaceae.
17. Hydrocharitaceae.
Orde: Triuridales.
18. Triuridaceae.
Orde: Glumiflorae.
19. Gramineae.
20. Cyperaceae.
Orde: Principes.
21. Palmae.
Orde: Synanthae.
22. Cyclanthaceae.
Orde: Spathiflorae.
23. Araceae.
24. Lemnaceae.
Orde: Farinosae.
25. Flagellariaceae.
26. Restionaceae.
27. Centrolepidaceae.
28. Mayacaceae.
29. Xyridaceae.
30. Eriocaulaceae.
30a. Thurniaceae.
31. Rapateaceae.
32. Bromeliaceae.
33. Commelinaceae.
34. Pontederiaceae.
34a. Cyanastraceae.
35. Philydraceae.
Orde: Liliiflorae.
36. Juncaceae.
37. Stemonaceae.
38. Liliaceae.
39. Haemodoraceae.
40. Amaryllidaceae.
41. Velloziaceae.
42. Taccaceae.
43. Dioscoreaceae.
44. Iridaceae.
Orde: Scitamineae.
45. Musaceae.
46. Zingiberaceae.
47. Cannaceae.
48. Marantaceae.
Orde: Microspermae.
49. Burmanniaceae.
50. Orchidaceae.
Klasse: Dicotyledoneae.
Onderklasse: Archichlamydeae (Choripetalae).
Orde: Verticillatae.
51. Casuarinaceae.
Orde: Piperales.
52. Saururaceae.
53. Piperaceae.
54. Chloranthaceae.
55. Lacistemaceae.
Orde: Salicales.
56. Salicaceae.
Orde: Garryales.
56a. Garryaceae.
Orde: Myricales.
57. Myricaceae.
58. Balanopsidaceae.
Orde: Leitneriales.
59. Leitneriaceae.
Orde: Juglandales.
60. Juglandaceae.
Orde: Batidales.
60a. Batidaceae.
Orde: Julianales.
60b. Julianaceae.
Orde: Fagales.
61. Betulaceae.
62. Fagaceae.
Orde: Urticales.
63. Ulmaceae.
64. Moraceae.
65. Urticaceae.
Orde: Proteales.
66. Proteaceae.
Orde: Santalales.
67. Loranthaceae.
68. Myzodendraceae.
69. Santalaceae.
70. Grubbiaceae.
71. Opiliaceae.
72. Olacaceae.
73. Balanophoraceae.
Orde: Aristolochiales.
74. Aristolochiaceae.
75. Rafflesiaceae.
76. Hydnoraceae.
Orde: Polygonales.
77. Polygonaceae.
Orde: Centrospermae.
78. Chenopodiaceae.
79. Amarantaceae.
80. Nyctaginaceae.
82. Cynocrambaceae.
83. Phytolaccaceae.
84. Aizoaceae.
85. Portulacaceae.
86. Basellaceae.
87. Caryophyllaceae.
Orde: Ranales.
88. Nymphaeaceae.
89. Ceratophyllaceae.
90. Trochodendraceae
90a. Cercidiphyllaceae.
91. Ranunculaceae.
92. Lardazibalaceae.
93. Berberidaceae.
94. Menispermaceae.
95. Magnoliaceae.
96. Calycanthaceae.
97. Lactoridaceae.
98. Anonaceae.
99. Myristicaceae.
100. Gomortegaceae.
101. Monimiaceae.
102. Lauraceae.
103. Hernandiaceae.
Orde: Rhoeadales.
104. Papaveraceae.
105. Cruciferae.
106. Tovariaceae.
107. Capparidaceae.
108. Resedaceae.
109. Moringaceae.
Orde: Sarraceniales.
110. Sarraceniaceae.
111. Nepenthaceae.
112. Droseraceae.
Orde: Rosales.
113. Podostemonaceae.
114. Hydrostachydaceae.
115. Crassulaceae.
116. Cephalotaceae.
117. Saxifragaceae.
118. Pittosporaceae.
119. Brunelliaceae.
120. Cunoniaceae.
121. Myrothamnaceae.
122. Bruniaceae.
123. Hamamelidaceae.
123a. Eucommiaceae.
124. Platanaceae.
125. Crossosomataceae.
126. Rosaceae.
127. Connaraceae.
128. Leguminosae.
Orde: Geraniales.
129. Geraniaceae.
130. Oxalidaceae.
131. Tropaeolaceae.
132. Linaceae.
133. Humiriaceae.
134. Erythroxylaceae.
135. Zygophyllaceae.
136. Cneoraceae.
137. Rutaceae.
138. Simarubaceae.
139. Burseraceae.
140. Meliaceae.
141. Malpighiaceae.
142. Trigoniaceae.
143. Vochysiaceae.
144. Tremandraceae.
145. Polygalaceae.
146. Dichapetalaceae.
147. Euphorbiaceae.
148. Callitrichaceae.
Orde: Sapindales.
149. Buxaceae.
150. Empetraceae.
151. Coriariaceae.
152. Limnanthaceae.
153. Anacardiaceae.
154. Cyrillaceae.
155. Pentaphylacaceae.
156. Corynocarpaceae.
157. Aquifoliaceae.
158. Celastraceae.
159. Hippocrateaceae.
160. Stackhousiaceae.
161. Staphyleaceae.
162. Icacinaceae.
163. Aceraceae.
164. Hippocastanaceae.
165. Sapindaceae.
166. Sabiaceae.
167. Melianthaceae.
168. Balsaminaceae.
Orde: Rhamnales.
169. Rhamnaceae.
170. Vitaceae.
Orde: Malvales.
171. Elaeocarpaceae.
172. Chlaenaceae.
173. Gonystilaceae.
174. Tiliaceae.
175. Malvaceae.
176. Triplochitonaceae.
177. Bombacaceae.
178. Sterculiaceae.
179. Scytopetalaceae.
Orde: Parietales.
180. Dilleniaceae.
181. Eucryphiaceae.
182. Ochnaceae.
183. Caryocaraceae.
184. Marcgraviaceae.
185. Quiinaceae.
186. Theaceae.
187. Guttiferae.
188. Dipterocarpaceae.
189. Elatinaceae.
190. Frankeniaceae.
191. Tamaricaceae.
192. Fouquieraceae.
193. Cistaceae.
194. Bixaceae.
195. Cochlospermaceae.
197. Koeberliniaceae.
198. Violaceae.
199. Flacourtiaceae.
200. Stachyuraceae.
201. Turneraceae.
202. Malesherbiaceae.
203. Passifloraceae.
204. Achariaceae.
205. Caricaceae.
206. Loasaceae.
207. Datiscaceae.
208. Begoniaceae.
209. Ancistrocladaceae.
Orde: Opuntiales.
210. Cactaceae.
Orde: Myrtiflorae.
211. Geissolomataceae.
212. Penaeaceae.
213. Oliniaceae.
214. Thymelaeaceae.
215. Elaeagnaceae.
216. Lythraceae.
217. Sonneratiaceae.
218. Punicaceae.
219. Lecythidaceae.
220. Rhizophoraceae.
220a. Nyssaceae.
220b. Alangiaceae.
221. Combretaceae.
222. Myrtaceae.
223. Melastomataceae.
224. Oenotheraceae.
225. Halorrhagidaceae.
225a. Hippuridaceae.
226. Cynomoriaceae.
Orde: Umbelliflorae.
227. Araliaceae.
228. Umbelliferae.
229. Cornaceae.
Onderklasse: Metachlamydeae (Synpetalae).
Orde: Ericales.
230. Clethraceae.
231. Pirolaceae.
232. Lennoaceae.
233. Ericaceae.
234. Epacridaceae.
235. Diapensiaceae.
Orde: Primulales.
235a. Theophrastaceae.
236. Myrsinaceae.
237. Primulaceae.
Orde: Plumbaginales.
238. Plumbaginaceae.
Orde: Ebenales.
239. Sapotaceae.
240. Ebenaceae.
241. Styracaceae.
242. Symplocaceae.
Orde: Contortae.
243. Oleaceae.
244. Salvadoraceae.
245. Loganiaceae.
246. Gentianaceae.
247. Apocynaceae.
248. Asclepiadaceae.
Orde: Tubiflorae.
249. Convolvulaceae.
250. Polemoniaceae.
251. Hydrophyllaceae.
252. Borraginaceae.
253. Verbenacae.
254. Labiatae.
255. Nolanaceae.
256. Solanaceae.
257. Scrophulariaceae.
258. Bignoniaceae.
259. Pedaliaceae.
260. Martyniaceae.
261. Orobanchaceae.
262. Gesneriaceae.
263. Columelliaceae.
264. Lentibulariaceae.
265. Globulariaceae.
266. Acanthaceae.
267. Myoporaceae.
268. Phrymaceae.
Orde: Plantaginales.
269. Plantaginaceae.
Orde: Rubiales.
270. Rubiaceae.
271. Caprifoliaceae.
272. Adoxaceae.
273. Valerianaceae.
274. Dipsacaceae.
Orde: Cucurbitales.
275. Cucurbitaceae.
Orde: Campanulatae.
276. Campanulaceae.
277. Goodeniaceae.
278. Stylidiaceae.
279. Calyceraceae.
280. Compositae.
DETERMINATIETABEL VOOR DE FAMILIES DER VAATKRYPTOGAMEN (PTERIDOPHYTA)
EN DER PHANEROGAMEN.