~Judith~ (_huiverend, op het versche bloed wijzend_). Heer, ik ben een

vrouw.

~Holofernes.~ Kijk er eens goed naar, naar dat bloed. Het zal je

ijdelheid streelen; het heeft gevloeid omdat het voor jou ontbrand

was.

~Judith.~ Wee mij!

~Holofernes~ (_tot den kamerdienaar_). Andere tapijten! (_tot de

hoplieden_) Gaat heen. (_De tapijten worden gebracht, de hoplieden

verwijderen zich_).

~Judith~ (_voor zich_). Mijn haren rijzen te berge; maar toch dank ik

U, mijn God, dat Ge mij den Verschrikkelijke ook in deze gedaante liet

zien. Een moordenaar zal ik lichter kunnen vermoorden.

~Holofernes.~ Ga nu zitten. Je bent bleek geworden. Je boezem jaagt.

Ben ik zoo afschrikwekkend voor je?

~Judith.~ Heer, ge zijt vriendelijk voor mij geweest.

~Holofernes.~ Wees oprecht, vrouw!

~Judith.~ Heer, ge zoudt mij moeten verachten als ik...

~Holofernes.~ Nu?

~Judith.~ Als ik u kon liefhebben.

~Holofernes.~ Vrouw, je waagt veel! Vergeef, je waagt niets. Zulk een

woord hoorde ik nog nooit. Neem dezen gouden ketting voor dit woord.

~Judith~ (_verlegen_). Heer, ik begrijp u niet.

~Holofernes.~ Wee! zoo je mij wèl begreep! Een leeuw ziet een kind dat

hem vermetel aan de manen trekt omdat het hem niet kent, vriendelijk

aan. Wilde het kind, groot en wijs geworden, hetzelfde probeeren, de

leeuw zou het verscheuren. Kom bij mij zitten, laten we wat praten.

Vertel mij eens: wat dacht je wel toen je voor het eerst hoorde dat ik

met mijn leger je vaderland bedreigde?

~Judith.~ Niets dacht ik.

~Holofernes.~ Vrouw, men denkt aan velerlei als men van Holofernes

hoort.

~Judith.~ Ik dacht aan den God mijner vaderen.

~Holofernes.~ En vervloekte mij?

~Judith.~ Neen, ik hoopte dat mijn God het doen zou.

~Holofernes.~ Geef mij den eersten kus. (_hij kust haar_).

~Judith~ (_voor zich_). O, waarom ben ik een vrouw!

~Holofernes.~ En toen je het rollen mijner wagens hoorde, het stampen

mijner kameelen en het kletteren van mijn zwaarden, wat dacht je toen?

~Judith.~ Ik dacht dat ge niet de eenige man op de wereld waart en dat

er uit Israël een zou opstaan die u evenaarde.

~Holofernes.~ Maar toen je zag dat mijn naam alleen voldoende was om

je volk in het stof te werpen; dat je God het wonderen-doen verleerd

had en dat je mannen naar vrouwenkleeren verlangden?

~Judith.~ Toen riep ik schande over hen en verborg mijn gelaat wanneer

ik maar een man zag en als ik bidden wilde kwamen mijn gedachten tegen

mijzelf in opstand, verscheurden elkaar wederkeerig en kronkelden zich

als slangen om het beeld van mijn God. O, sinds ik dàt voelde, gruw

ik van mijn eigen hart; het komt mij voor als een hol waar de zon

inschijnt, maar dat toch in verborgen hoeken het gevaarlijkste

gedierte herbergt.

~Holofernes~ (_haar van terzijde aanziend_). Hoe zij gloeit! Zij doet

mij denken aan een vuurbal dien ik eens in een donkeren nacht aan den

hemel zag opstijgen. Wees mij welkom, wellust, ziedend bij de vlammen

van den haat!--Kus mij, Judith! (_zij doet het_) Haar lippen zuigen

zich vast als bloedzuigers, en toch zijn zij koud. Drink wijn, Judith.

In den wijn is al wat ons ontbreekt.

~Judith~ (_drinkt, nadat Mirza haar heeft ingeschonken_). Ja, in den

wijn is moed, moed!

~Holofernes.~ Dus moed heb je noodig om met mij aan tafel te zitten,

om mijn blik te verduren en mijn kussen te beantwoorden? Arm schepsel.

~Judith.~ O gij... (_zich beheerschend_) Vergeef. (_zij weent_).

~Holofernes.~ Judith, ik zie in je hart. Je haat mij. Geef mij je hand

en vertel mij van je haat.

~Judith.~ Mijn hand? O hoon! die de bijl slaat aan de wortels mijner

menschelijkheid!

~Holofernes.~ Waarlijk, waarlijk, die vrouw is begeerenswaardig!

~Judith.~ Spring open dan, mijn hart, houdt nu niets meer terug! (_zij

richt zich op_) Ja, ik haat je, ik vervloek je en ik moet het je

zeggen, weten moet je hòe ik je haat, hoe ik je vervloek, wil ik niet

krankzinnig worden.--Doodt mij nu!

~Holofernes.~ Je dooden? Morgen misschien; vandaag zullen we eerst

samen naar bed gaan.

~Judith~ (_voor zich_). Hoe is het mij opeens zoo licht? Nù mag ik het

doen!

~Kamerdienaar~ (_treedt binnen_). Heer, een Hebraeër wacht buiten voor

de tent. Hij verzoekt dringend toegelaten te worden. Zaken van 't

hoogste belang...

~Holofernes~ (_opstaand_). Van den vijand? Breng hem binnen. (_tot

Judith_) Zouden zij zich willen overgeven? Noem mij dan nog gauw de

namen van je bloedverwanten en vrienden; die zal ik sparen.

~Ephraim~ (_hem te voet vallend_). Heer, waarborgt ge mij mijn leven?

~Holofernes.~ Ja.

~Ephraim.~ Welaan! (_nadert hem, trekt snel zijn zwaard en slaat naar

Holofernes, die uitwijkt_).

~Kamerdienaar~ (_snel binnen tredend_). Schurk! ik zal je leeren hoe

je een man neerslaat. (_wil Ephraim neerslaan_).

~Holofernes.~ Halt!

~Ephraim~ (_wil zich in zijn eigen zwaard storten_). Judith heeft het

gezien! Eeuwige schande over mij!

~Holofernes~ (_hem weerhoudend_). Probeer dat niet voor den tweeden

keer! Wil je 't mij onmogelijk maken mijn woord te houden? Ik heb je

het leven toegezegd en moet je dus ook tegen jezelf beschermen. Grijpt

hem! Is mijn lievelings-aap nìet verrekt? Stopt hem in zijn kooi en

leert hem de kunstjes van zijn potsierlijken voorganger. Die kerel is

een merkwaardigheid; hij is de eenige die er zich op beroemen kan,

naar Holofernes geslagen te hebben en er heelhuids te zijn afgekomen.

Ik wil hem aan 't hof laten kijken. (_Kamerdienaar met Ephraim af_).

(_tot Judith_) Zijn er veel slangen in Bethulië?

~Judith.~ Neen, maar veel razenden.

~Holofernes.~ Holofernes dooden! Den bliksem uitdooven die met den

wereldbrand dreigt; een onsterfelijkheid in de kiem smoren; een koen

begin maken tot een praalhans met een grooten mond, door hem vóór zijn

tijd te dooden! O, dat moet iets aanlokkelijks zijn! Dat noem ik het

noodlot de teugels uit de hand nemen! Daartoe zou ikzelf mij kunnen

verleiden, als ik niet was die ik ben! Maar het groote willen doen

op kleine wijze, voor den leeuw eerst een net knoopen uit zijn eigen

edelmoedigheid om hem dàn te sluipmoorden; de daad wagen, maar laf

en listig het gevaar van tevoren ontduiken; niet waar Judith, dat is

goden maken van drek, daarover zul je toch schande roepen moeten, al

probeerde je beste vriend het tegenover je ergsten vijand.

~Judith.~ Gij zijt groot en de anderen zijn klein. (_zacht_) God

mijner vaderen! bescherm mij tegen mijzelf, dat ik niet vereeren moet

wat ik het diepst verafschuw. Hij is een màn!

~Holofernes~ (_tot den kamerdienaar_). Maak mijn leger gereed.

(_Kamerdienaar af_) Ziehier, vrouw! Deze armen waren tot de

elbogen gedompeld in bloed, elk mijner gedachten baart gruwelen en

verwoesting; mijn woord is de dood; de wereld lijkt mij jammerlijk

en ik geloof dat ik geboren ben om haar te verwoesten, opdat er iets

beters komen kan. De menschen vervloeken mij, maar hun vloek hecht

zich niet aan mijn ziel; die breidt haar wieken uit en schudt hen

van zich af als niets. Ik moet dus wel gelijk hebben. »O Holofernes,

ge weet niet wat dit is« kreunde eens een man dien ik op een gloeiend

rooster liet braden. »Dat weet ik werkelijk niet« zei ik en ging naast

hem liggen. Bewonder dat niet, het was een dwaasheid.

~Judith~ (_voor zich_). Houdt op, houdt op! Ik moet hem vermoorden als

ik niet voor hem knielen wil.

~Holofernes.~ Kracht, kracht! dat is alles! Laat komen wie tegen

mij opstaat, wie mij neerwerpt! Ik hunker naar hem! Het is eenzaam

niets te kunnen eeren dan zichzelf. Hij mag mij in een vijzel laten

fijnstampen en als hij er zin in heeft met den brij het gat stoppen

dat ik in de wereld reit. Dieper en dieper boor ik met mijn zwaard;

als het angstgeschreeuw den redder niet wekt, dan is er geen. De

orkaan bruist door de lucht: hij wil zijn broeder leeren kennen. Maar

de eiken die hem schijnen te trotseeren ontwortelt hij, de torens

werpt hij omver en den aardbol heft hij uit zijn aspunten. Dan wordt

het hem helder dat zijnsgelijke niet bestaat en hij slaapt in van

walging. Of Nebucad-Nezar misschien mijn broeder is? Mijn gebieder is

hij zeker. Misschien werpt hij mijn hoofd nog eens den honden voor.

Wel bekome 't hen. Misschien voer ik met zìjn ingewanden nog eens

de tijgers van Assyrië. Dan, ja dàn zal ik weten dat ìk de grens der

menschheid ben en een eeuwigheid lang zal ik voor hun duizelende oogen

staan als een onbereikbare, schrik-omgorde godheid! O, het laatste

oogenblik, het laatste! Was het er toch reeds nù! »Komt hier, allen

die ik leed gedaan heb«, roep ik uit, »gij, die ik verminkte, wien ik

uw vrouw uit de armen, uw dochters van de zijde sleurde, komt allen

en verzint martelingen voor mìj! Tapt mij het bloed af en laat het

mij drinken; snijdt het vleesch uit mijn lendenen en geeft het mij

te eten.« En wanneer ze meenen mij het ergste te hebben aangedaan en

ik hun nog steeds iets ergers noem en hen vriendelijk verzoek het

mij niet te onthouden: wanneer zij in gruwende verbazing rondom mij

staan en ik hen, trots al mijn pijnen, door mijn glimlach tot dood en

waanzin drijf; dan zal ik hen toedonderen: »Knielt neer, want ìk ben

ùw god«. En dan lippen en oogen sluiten, en sterven, stil en

ongemerkt.

~Judith~ (_sidderend_). En als de hemel een bliksem naar u slingert om

u te verpletteren?

~Holofernes.~ Dan strek ik mijn hand uit, alsof ikzelf het hem gebood

en de doodende straal zal mij met duistere majesteit omkleeden.

~Judith.~ Ondier! Gruwelijk! Mijn gevoelens en gedachten stuiven door

elkaar als dorre blaren. Mensch! vreeselijke mensch, ge dringt u

tusschen mij en mijn God. Ik moest bidden en ik kan niet.

~Holofernes.~ Val neer en aanbidt mìj!

~Judith.~ Ha! Nù zie ik weer helder! U? Ge pocht op uw kracht. Voelt

ge dan heel niet dat ze veranderd is, dat zij uw vijand is geworden?

~Holofernes.~ Ik ben blij eens iets nieuws te hooren.

~Judith.~ Ge meent dat ze er is om storm te loopen tegen de wereld? En

als ze er eens was om zichzelf te beheerschen? Maar gìj hebt haar tot

voedsel van uw hartstocht gemaakt. Gij zijt een ruiter, die door zijn

rossen wordt verslonden.

~Holofernes.~ Ja ja, kracht is tot zelfmoord geroepen, zegt de

wijsheid, die geen kracht is. Strijden met mijzelf; uit mijn

linkerbeen den knook maken waarover mijn rechter struikelt, om toch

vooral niet op den mierenhoop er naast te trappen! Die zot in de

woestijn, die tegen zijn eigen schaduw vocht en toen het nacht werd

uitriep: »Nu ben ik verslagen, nu is mijn vijand zoo groot als de

wereld!« die zot was eigenlijk heel verstandig, niet waar? O, toont

mij het vuur dat zichzelf uitdooft! Kunt ge het niet vinden? Dan toont

mij toch het vuur dat zichzelf voedt! Kunt ge 't ook niet vinden? Maar

zegt mij dan of de boom dien het verteert, wel het recht heeft over

het vuur te vonnissen!

~Judith.~ Ik weet niet of men u iets antwoorden kan. Waar mijn

gedachten huisden is nu leegte en duisternis. Zelfs mijn hart versta

ik niet meer.

~Holofernes.~ Je hebt het recht mij uit te lachen. Men moet een vrouw

zooiets niet begrijpelijk willen maken.

~Judith.~ Ge zult de vrouw leeren achten! Zij staat vòòr u om u te

vermoorden! En zij zegt het u!

~Holofernes.~ En zij zegt het slechts om zich die daad onmogelijk te

maken! O lafheid die zichzelf voor grootheid houdt! Maar je wilt dat

ook omdat ik nog altijd niet met je naar bed ging. Om mij voor je te

beveiligen hoef ik je alleen maar een kind te maken.

~Judith.~ Ge kent geen Hebreeuwsche vrouw. Ge kent slechts schepsels

die zich het gelukkigst voelen in hun diepste vernedering.

~Holofernes.~ Kom Judith, ik wil je leeren kennen! Spartel nog maar

wat tegen, ik zal je zelf wel zeggen hoelang. Nog een beker! (_hij

drinkt_) Nu is 't genoeg, nu is 't uit met tegenstribbelen! (_tot den

kamerdienaar_) Weg met jou! En wie mij dezen nacht stoort, dien kost

het zijn kop. (_hij trekt Judith met geweld mee_).

~Judith.~ Ik moet... ik wil... schande over mij in tijd en eeuwigheid

als ik niet kan! (_beiden af in het slaapvertrek_).

~Kamerdienaar~ (_tot Mirza_). Blijf je hier?

~Mirza.~ Ik moet mijn meesteres bedienen.

~Kamerdienaar.~ Waarom ben je toch niet een vrouw zooals Judith? Dan

kon ik even gelukkig zijn als mijn Heer.

~Mirza.~ Waarom ben jij niet een man als Holofernes?

~Kamerdienaar.~ Ik ben wie ik ben, opdat Holofernes zijn gemak hebbe.

Opdat de groote held niet zelf zijn spijzen behoeft op te dienen en

zijn wijn in te schenken. Opdat hij iemand hebbe die hem naar bed

brengt als hij dronken is. Maar geef jij mij nu eens antwoord:

Waarvoor zijn er leelijke vrouwen op de wereld.

~Mirza.~ Opdat een zot ze zal kunnen bespotten.

~Kamerdienaar.~ Ja, en opdat men hen bij licht in het gelaat kan

spuwen, als men het ongeluk had ze in het donker te kussen. Holofernes

heeft eens een vrouw die op een ongelegen oogenblik bij hem kwam,

neergeslagen omdat hij haar niet mooi genoeg vond. Die heeft het

altijd bij het rechte eind. Kruip maar weg in een hoek, jij

Hebreeuwsche spin, en houd je stil (_af_).

~Mirza~ (_alleen_). Stil, ja stil. Ik geloof (_wijst naar het

slaapvertrek_) dat daar iemand vermoord wordt; ik weet niet of het

Holofernes is of Judith. Stil, stil! Ik stond eens bij een water en

zag een mensch verdrinken. De angst dreef mij hem na te springen en de

angst hield mij er ook van terug. Toen schreeuwde ik zoo hard als ik

kon en ik schreeuwde àlleen om ~zijn~ schreeuwen niet te hooren. Zòò

spreek ik nu. O Judith! Toen je bij Holofernes kwam en hem in een spel

dat ik niet begreep beloofde je volk aan hem over te leveren, hield ik

je een oogenblik voor een verraderes. Ik deed je onrecht, dat voelde

ik dadelijk. O deed ik je ook nù onrecht! Je halve woorden, je blikken

en gebaren, bedrogen zij mij ook nù zooals toen! Ik heb geen moed, ik

ben heel bang, maar het is nu geen vrees die uit mij spreekt, niet de

vrees voor mislukking. Een vrouw moet mannen baren, nooit mag zij

mannen dooden!

~Judith~ (_stort met loshangend haar wankelend naar binnen. Een tweede

gordijn wordt opengeslagen. Men ziet Holofernes slapen. Aan het

hoofdeinde van zijn leger hangt een zwaard_). Het is hier te licht.

Doe de lichten uit, Mirza, ze zijn te onbeschaamd.

~Mirza~ (_jubelend_). Zij leeft... en ~hij~ leeft (_tot Judith_). Wat

hebt ge, Judith? Uw wangen gloeien, als wilde het bloed er uitbersten!

Uw oogen zien zoo schuw.

~Judith.~ Zie mij niet aan, meisje, niemand mag mij meer aanzien (_zij

wankelt_).

~Mirza.~ Leun tegen mij aan, ge wankelt.

~Judith.~ Wat? Zou ik zòò zwak zijn? Weg van mij! Ik kan staan, o ik

kan nog meer dan staan, ìk kan oneindig veel meer!

~Mirza.~ Kom, laten we vanhier vluchten!

~Judith.~ Ben je in zijn dienst? Dat hij mij meesleurde, dat hij mij

tot zich trok op zijn schandelijk leger, dat hij mijn ziel verstikte,

dat alles liet je toe? En nu ik mij wil doen betalen voor de

vernietiging die ik in zijn armen onderging, nu ik mij wreken wil over

die ruwe greep in mijn menschelijkheid, nu ik met zijn hartebloed de

onteerende kussen die nog op mijn lippen branden wil afwasschen, nu

bloos je er niet over dat je mij wilt meetronen?

~Mirza.~ Ongelukkige, waaraan denkt ge?

~Judith.~ Ellendig schepsel. Dat zou je niet weten? Dat zou je hart je

niet zeggen? Ik denk aan moord! (_als Mirza achteruit deinst_) Is er

dan nog een keus? Zeg 't me, Mirza! Ik kies geen moord als ik... Wat

zeg ik daar? Spreek geen woord meer, Mirza. De wereld draait nu om

mij!

~Mirza.~ Kom!

~Judith.~ Nooit! Ik zal je je plicht leeren. Zie, Mirza, ik ben een

vrouw. O, dat moest ik nu niet voelen! Hoor mij aan, en doe wat ik je

vraag. Als mijn kracht mij verlaten mocht, als ik in onmacht mocht

vallen, besprenkel mij dan niet met water. Dat helpt niets. Roep

mij in 't oor: »Je bent een hoer!« Dan zal ik opspringen; misschien

grijp ik je beet om je te wurgen. Schrik dan niet, maar roep me toe:

»Holofernes heeft je tot een hoer gemaakt en Holofernes leeft nog!«

O, Mirza, dan zal ik een held zijn, een held als Holofernes.

~Mirza.~ Uw gedachten groeien u boven het hoofd.

~Judith.~ Je begrijpt mij niet. Maar je zult, je mòet mij begrijpen.

Mirza, je bent een maagd, laat mij een lichtschijn werpen in het

heiligdom van je maagdenziel. Een maagd is een dwaas wezen, dat

siddert voor zijn eigen droomen, omdat een droom het doodelijk kan

kwetsen, en dat toch alleen maar leeft van de hoop niet eeuwig maagd

te blijven. Voor een maagd ìs er geen grooter moment dan dat waarin

zij ophoudt maagd te zijn en iedere aandrift van het bloed, dien zij

eerst bestreed, iedere zucht die zij versmoorde, verhoogt de waarde

van het offer dat zij in dat moment moet brengen. Zij geeft alles...

is het dan een te trotsch verlangen door dit alles ook verrukking en

zaligheid te willen geven? Mirza, luister je?

~Mirza.~ Hoe zou ìk niet luisteren?

~Judith.~ Denk het je nu in zijn heele, naakte afschuwelijkheid; stel

het je voor tot aan het punt, waarop de schaamte zich met geheven

handen tusschen jou en je verbeelding werpt en je een wereld vervloekt

waarin dit ontzettendste mogelijk is.

~Mirza.~ Wat dan? Wàt moet ik mij voorstellen?

~Judith.~ Wat je je voorstellen moet? Jezelf in je diepste

vernedering; het oogenblik waarop je naar lichaam en ziel uitgeperst

wordt om in de plaats van misbruikten wijn te treden en een gemeenen

roes met een nog gemeeneren te helpen besluiten; het oogenblik waarop

de inslapende begeerte van je eigen lippen zooveel vuur leent als ze

noodig heeft om het heiligste in je te vermoorden: waarop je zinnen

zelf, als dronken gemaakte slaven die hun meester niet meer kennen,

tegen je opstaan; waarop je begint je heele voorafgaande leven, al je

denken en voelen, voor niets dan hoogmoedig gedroom te houden en je

schande voor je waarachtige wezen.

~Mirza.~ Wèl mij, dat ik niet schoon ben!

~Judith.~ Daaraan dacht ik niet, toen ik naar hier kwam. Maar

hoe zichtbaar trad het mij tegemoet toen ik (_zij wijst naar het

slaapvertrek_) daar binnen ging, toen mijn eerste blik viel op

het klaarstaande leger. Op mijn knieën wierp ik mij neer voor den

verschrikkelijke en steunde: »Spaar me!« Had hij naar den angstkreet

van mijn ziel geluisterd, nooit, nooit zou ik hem... maar zijn

antwoord was dat hij mij den halsdoek openrukte en mijn borsten prees.

In zijn lippen beet ik hem, toen hij mij kuste. »Matig je gloed, je

gaat te ver!« lachte hij hoonend en... O, mijn bewustzijn ging mij

begeven, ik was alleen nog maar één kramp... Toen blonk mij iets

glanzends in de oogen, het was zijn zwaard. Aan dit zwaard klemde mijn

duizelende gedachten zich vast, en heb ik ook door mijn onteering mijn

recht op bestaan verspeeld, met dit zwaard zal ik het mij weer

heroveren! Bid voor mij... nu doe ik het! (_zij stort de kamer binnen

en neemt het zwaard af_).

~Mirza~ (_op haar knieën_). God, laat hem wakker worden!

~Judith~ (_op de knieën vallend_). Mirza, o, wat bid je daar?

~Mirza~ (_weer opstaand_). God zij geloofd, zij kan het niet!

~Judith.~ Niet waar, Mirza? de slaap is God zelf, die de moede

menschen omarmt; wie slaapt moet veilig zijn. (_Zij staat op en

beschouwt Holofernes_) En hij slaapt zoo rustig, hij vermoedt niet dat

de moord zijn eigen zwaard tegen hem opheft. Hij slaapt rustig... Ha!

laffe vrouw! wat je in opstand brengen moest, wekt je medelijden?

Die rustige slaap, na zùlk een oogenblik... is dat niet de ergste

misdaad? Ben ik dan een wurm dat men mij mag vertreden en dan, alsof

er niets gebeurd was, kalm inslapen? Ik ben geen wurm! (_zij trekt

het zwaard uit de scheede_) Hij glimlacht. Ik ken hem, dien helschen

glimlach, zòò glimlachte hij toen hij mij tot zich neertrok, toen

hij... Doodt hem, Judith! hij onteert je ten tweeden male in zijn

droom; zijn slaap is niets anders dan een hondsch herkauwen van je

schande. Hij beweegt zich. Zal je dralen, tot de weer hongerige

begeerte hem wekt, tot hij je opnieuw grijpt en... (_zij slaat

Holofernes het hoofd af_). Zie, Mirza! daar ligt zijn hoofd. Ha!

Holofernes, acht ge mij nu?

~Mirza~ (_bezwijmt_). Houdt mij vast!

~Judith~ (_door een siddering overvallen_). Zij bezwijmt; is mijn daad

dan zulk een gruwel dat zij deze vrouw het bloed in de aderen doet

verstijven en haar voor dood neerwerpt? (_heftig_) Ontwaak uit je

onmacht, zottin, die onmacht is een aanklacht tegen mij en dat duld ik

niet.

~Mirza~ (_weer bijkomend_). Werp er toch een doek overheen!

~Judith.~ Wees sterk, Mirza, ik smeek het je, wees sterk! Elke

huivering van je kost mij een deel van mijn zelf. Je terugduizelen,

dat wreede afwenden van je blikken, dat verbleeken van je gelaat zou

mij kunnen doen denken dat ik iets onmenschelijks gedaan heb en dan

moest ik immers ook mijzelf... (_zij grijpt naar het zwaard_).

~Mirza~ (_werpt zich aan haar borst_).

~Judith.~ Juich, mijn hart! Mirza kan mij nog omarmen! Maar wee mij,

zij vlucht misschien alleen maar aan mijn borst omdat zij den doode

niet zien kan, omdat zij beeft voor een tweede onmacht. Of kòst je die

omarming een tweede onmacht? (_stoot haar van zich weg_).

~Mirza.~ U doet me pijn, en uzelf nog meer.

~Judith~ (_haar hand vattend_). Niet waar Mirza, als het een

gruwelstuk was, als ik werkelijk een wandaad begaan had, dan zou

je mij dat immers niet laten voelen? Je zoudt, al wilde ikzelf mij

vonnissen en verdoemen, vriendelijk tot mij zeggen: »Je doet jezelf

onrecht, het was een heldendaad?«

~Mirza~ (_zwijgt_).

~Judith.~ Ah! verbeeld je maar niet dat ik al als een bedelares voor

je sta, dat ik mij reeds veroordeeld heb en van jou begenadiging

verwacht. Het ìs een heldendaad, want hìj was Holofernes en ìk... ik

ben een ding, als jij. Het is meer dan een heldendaad; ik zou den held

willen zien, wiens grootste daad hem slechts half zooveel gekost heeft

als mij de mijne!

~Mirza.~ U sprak van wraak. Eén ding moet ik u vragen: Waarom kwaamt

ge in den glans uwer schoonheid in dit heidensch kamp? Hadt ge het

nooit betreden, dan had ge niets te wreken gehad.

~Judith.~ Waarom ik kwam? De ellende van mijn volk zweepte mij

hierheen, de dreigende hongersnood, de gedachte aan die moeder die

zich den pols openreet om haar versmachtend kind te laten drinken. O,

nù ben ik weer met mezelf verzoend. Dit alles had ik vergeten door

mijn eigen smart.

~Mirza.~ Ge hadt het vergeten. Dàt was het dus nìet wat u dreef toen

ge uw hand in bloed dompelde.

~Judith~ (_langzaam, vernietigd_). Neen, neen, je hebt gelijk... dat

was het niet... niets anders dreef mij dan de gedachte aan mijzelf. O,

hier zit de knoop! Mijn volk is verlost, maar als een steen Holofernes

verpletterd had, zou het dien steen meer dank verschuldigd zijn dan nù

mij. Dank? Wie vraagt om dank? Maar nu moet ik mijn daad alléén dragen

en ze vermorzelt mij!

~Mirza.~ Holofernes heeft u omhelsd. Als ge hem een zoon baart, wat

zult ge dien dan antwoorden wanneer hij naar zijn vader vraagt?

~Judith.~ O Mirza! Ik moet sterven en ik wil het. Ha! ik zal door het

slapende kamp hollen, ik zal het hoofd van Holofernes in de hoogte

houden en mijn moord uitschreeuwen, dat duizenden opspringen en mij in

stukken scheuren! (_zij wil gaan_).

~Mirza~ (_kalm_). Dan verscheuren ze mij ook.

~Judith~ (_blijft staan_). Wat moet ik doen? Mijn hersens lossen op

tot rook, mijn hart is één doodwond. En toch kan ik aan niets denken

dan aan mezelf. O dat dit toch anders was! Ik voel mij als een oog dat

naar binnen gericht is. En terwijl ik mij zoo scherp bekijk, wordt ik

kleiner, steeds maar kleiner, nog kleiner... ik moet ophouden of ik

zal in niets verdwijnen.

~Mirza~ (_luisterend_). God! men komt!

~Judith~ (_verward_). Kalm, kalm. Er kan niemand komen. Ik heb de

wereld in het hart gestoken. (_lachend_) En ik trof haar goed. Moet ze

blijven bestaan? Wat God er wel van zeggen zal als hij morgen vroeg

naar omlaag kijkt en ziet dat de zon niet meer gaan kan en dat de

sterren lam geworden zijn! Of hij mij wel straffen zal? O neen, ik ben

immers de eenige die nog leeft? Waar zou dan nieuw leven vandaan

komen? Hoe zou hij mij kùnnen dooden?

~Mirza.~ Judith!

~Judith.~ Au! mijn naam doet mij pijn!

~Mirza.~ Judith!

~Judith~ (_als wrevelig_). Laat mij slapen; droomen zijn droomen! Is

't niet belachelijk? Ik zou kunnen weenen als er maar iemand was die

mij zeide waarom.

~Mirza.~ Het is met haar gedaan... Judith, je bent een kìnd.

Judith: treurspel in vijf bedrijven · 第 4 / 5 段