~Judith.~ Ja ja, goddank! Verbeeld je, dat wist ik niet meer, ik had

me echt in de verstandigheid ingespeeld; als in een kerker, en ze was

achter mij dicht gevallen; vreeselijk, dicht als een bronzen deur.

(_lachend_) Niet waar? morgen ben ik nog niet oud en overmorgen

ook nog niet. Kom, laten we weer wat gaan spelen, maar iets beters.

Daareven was ik een slechte vrouw, die iemand had omgebracht. Hu! Zeg

maar wat ik nu zijn moet.

~Mirza~ (_afgewend_). God, ze wordt krankzinnig!

~Judith.~ Zeg me wat ik zijn moet! Gauw, gauw! Anders wordt ik weer

wat ik was.

~Mirza~ (_op Holofernes wijzend_). Kijk!

~Judith.~ Denk je dat ik het niet meer weet? O zeker, zeker! Ik bedel

immers maar om den waanzin; maar het schemert alleen zoo hier en daar

een beetje in me, donker wordt het niet. In mijn hoofd zijn duizend

molsgangen, maar zij zijn allen te klein voor mijn groote, logge

verstand, het probeert vergeefs er in te kruipen.

~Mirza~ (_in hoogsten angst_). De morgen is niet ver meer; ze zullen

mij en u doodmartelen als ze ons hier vinden, ze zullen ons lid na lid

uitrukken.

~Judith.~ Geloof je werkelijk dat men sterven kan? Ik weet wel dat

allen dat gelooven en dat men het moet gelooven. Vroeger geloofde ik

het ook, nù lijkt de dood mij een onding, een onmogelijkheid. Sterven!

Ah! wat nu in mij knaagt, zal eeuwig in mij knagen; dat is niet als

kiespijn of koorts, het is één met mijzelf en het is genoeg voor

altijd. O, men léért iets in smart. (_op Holofernes wijzend_) Ook die

is niet dood. Wie weet of niet hìj het is die mij dit alles zegt, of

hij zich niet daardoor op mij wreekt, dat hij mijn gruwenden geest het

geheim zijner onsterfelijkheid openbaart.

~Mirza.~ Judith, heb medelijden, ga mee!

~Judith.~ Ja, ja... ik smeek je, Mirza, zeg mij maar telkens wat ik

doen moet, ik heb zoo'n angst er voor zelf nog iets te doen.

~Mirza.~ Volg mij dan.

~Judith.~ Ach... maar je moet het belangrijkste niet vergeten. Steek

het hoofd in dien zak daar, dat laat ik hier niet achter. Je wilt

niet? Dan verzet ik geen voet! (_Mirza gehoorzaamt met afschuw_) Kijk,

dat hoofd is mijn eigendom, dat moet ik meebrengen, opdat men het in

Bethulië geloove dat ik... Wee, wee! men zal mij roemen en prijzen

wanneer ik het vertel. En nog eens wee!... het is me als had ik ook

dááraan tevoren gedacht.

~Mirza~ (_wil gaan_). Nu?

~Judith.~ Het wordt licht in me. Mirza, luister, ik zal zeggen dat jij

het gedaan hebt.

~Mirza.~ Ik?

~Judith.~ Ja Mirza, ik zal zeggen dat op het beslissend oogenblik de

moed mij ontzonken was, maar dat de geest des Heeren over jou gekomen

is en dat jij je volk van zijn grooten vijand hebt verlost. Dan zal

men mij verachten als een werktuig dat de Heer heeft verworpen en jouw

deel zal eer en lofzang zijn in Israël.

~Mirza.~ Nooit.

~Judith.~ O, je hebt gelijk! Het was een lafheid. Hun gejubel, de

klank hunner cymbalen, het gedreun hunner pauken zal mij verpletteren

en dat zal mijn loon zijn. Kom! (_beiden af_).

* * * * *

#(De stad Bethulië, zooals in het derde bedrijf. Openbaar plein met

gezicht op de poort, waarbij wachtposten. Veel volk, liggend en staand

in verschillende groepen. Het wordt dag).#

(_Twee priesters, omringd door een groep vrouwen, moeders enz._).

~Een vrouw.~ Hebt ge ons dan bedrogen, toen ge zeidet dat onze God

almachtig is? Is hij als een mensch, dat hij niet kan nakomen wat hij

belooft?

~Priester.~ Hij ìs almachtig. Maar gijzelf hebt hem de handen

gebonden. Hij kan jelui slechts helpen naarmate ge het verdient.

~Vrouwen.~ Wee, wee! wat zal er met ons gebeuren?

~Priester.~ Ziet achter u, dan weet ge ook wat vóór u staat.

~Een moeder.~ Kan een moeder dan zóó zondigen, dat haar onschuldig

kind moet verdorsten? (_zij houdt haar kind omhoog_).

~Priester.~ De wraak heeft geen grenzen, want ook de zonde heeft er

geen.

~De moeder.~ En ik zeg u, priester, dat een moeder niet zoo kan

zondigen. In haar schoot kan de Heer, zoo hij toornt, haar kind nog

verstikken, maar is het geboren, dan moet het leven. Daarom baren wij,

om ons Zelf dubbel te bezitten, opdat wij het in het kind, als het

ons rein en heilig toelacht, kunnen liefhebben wanneer wij het in òns

moeten haten en verachten.

~Priester.~ Je vleit je. God laat je baren om je in je eigen vleesch

en bloed te kastijden, om je nog tot voorbij het graf te kunnen

vervolgen.

~Tweede priester~ (_tot den eerste_). Is er nog niet genoeg

vertwijfeling in de stad?

~Eerste priester.~ Wilt ge luieren terwijl ge zaaien moest? Schiet

wortel waar de bodem los is.

~Moeder.~ Mijn kind mag niet voor mìj lijden. Hier, neem het. Ik zal

mij opsluiten in mijn kamer; ik zal al mijn zonden overdenken en mij

voor elke een dubbel zoo groote marteling aandoen; ik zal mijzelf

pijnigen tot ik sterf of tot God zelf uit den hemel roept: houdt op!

~Tweede priester.~ Behoud je kind en verzorg het. Dàt wil de Heer, je

God.

~De moeder~ (_drukt het aan haar borst_). Ja, ik zal het zóó lang

aanzien tot het bleek wordt, tot zijn kreunen stikt in zichzelf en

zijn adem ophoudt; geen oog zal ik van hem afwenden, zelfs dan niet

als de foltering zijn kinderlijk oog vóór den tijd wijs maakt en een

afgrond van ellende er mij uit tegen huivert. Ik zal het doen, om te

boeten zooals nog niemand boette. Maar wat, zoo het nòg wijzer wordt

en naar omhoog ziet en de vuistjes balt?

~Eerste priester.~ Dan zult ge zijn handen vouwen en met sidderen

erkennen dat ook een kind in opstand kan komen tegen God.

~De moeder.~ Mozes' staf sloeg op een rots en een koele bron sprong te

voorschijn. Dat was een rots! (_slaat zich op de borst_) Vervloekte

borst, wat ben jij? Van binnen dringt de gloeiendste liefde, van

buiten drukken je heete, onschuldige lippen, maar toch geef je geen

druppel! Doe het, doe het! Zuig me alle aderen uit en geef het wurm

nog één keer te drinken!

~Tweede priester~ (_tot den eerste_). Ontroert u dit niet?

~Eerste priester.~ Zeker. Maar ik zie in die ontroering altijd slechts

een verleiding tot ontrouw aan mijzelf en onderdruk haar. Bij u lost

de man zich op in water; ge kunt hem opvangen in uw zakdoek of er

viooltjes mee laven.

~Tweede priester.~ Tranen, waarvan men zelf niets weet, zijn

geoorloofd.

~Een andere vrouw~ (_op de moeder wijzend_). Hebt ge geen troost voor

haar?

~Eerste priester~ (_koud_). Neen.

~De vrouw.~ Dan woont uw God nergens dan op uw lippen!

~Eerste priester.~ Dit woord alleen verdient dat Bethulië in

Holofernes' handen valt. Op jouw ziel wentel ik den ondergang der

stad. Je vraagt waarom zìj lijdt? Omdat jìj haar zuster bent. (_zij

gaan voorbij_).

(_Twee burgers die het tooneel aanzagen, komen naar voren_).

~Eerste burger.~ Door mijn eigen leed heen voel ik het leed van deze

vrouw. Het is ontzettend.

~Tweede burger.~ Het is het ontzettendste nog niet. Dat begint eerst,

als die moeder op het denkbeeld komt dat ze haar kind kan opeten!

(_Hij slaat zich voor het hoofd_) Ik ben bang dat mìjn vrouw dit al

bedacht heeft.

~Eerste burger.~ Je raast!

~Tweede burger.~ Om haar niet te moeten doodslaan, ben ik uit

huis gevlucht. Lieg niet! Ik holde weg, omdat ik gruwde van de

onmenschelijke spijs, waarnaar zij begeerig scheen en omdat ik tòch

vreesde dat ik zou kunnen mee-eten. Ons zoontje lag op sterven, zij,

in vreeselijke smart, was op den grond neergevallen. Plotseling stond

zij op en zei, zacht, heel zacht: »is 't dan een òngeluk dat de jongen

sterft?« Daarna boog ze zich over hem en mompelde, als wrevelig: »Er

is nog leven in hem«. 't Werd mij gruwelijk duidelijk: ze zag in haar

kind alleen nog maar een stuk vleesch.

~Eerste burger.~ Ik zou je vrouw zòò kunnen gaan neersteken, al is ze

mijn eigen zuster.

~Tweede burger.~ Je zoudt te vroeg of te laat komen. Wanneer ze zich

niet zelf doodde vòòr ze at, deed ze 't toch zeker nadat ze gegeten

had.

~Derde burger~ (_er bij komend_). Misschien komt nog redding. Heden

is 't de dag waarop Judith terug zou komen.

~Tweede burger.~ Nù nog redding? Nu nog? God, God! ik herroep al mijn

gebeden. Dat Gij ze zoudt kunnen verhooren nu het te laat is, dat is

een gedachte die ik nog niet dacht, die ik niet verdraag. Ik zal

U roemen en prijzen als ge Uw oneindigheid òòk kunt openbaren in

toenemende ellende, als Ge mijn ontzetten geest buiten zijn grenzen

kunt drijven, als Ge mij een gruwel kunt laten zien die mij alle

gruwelen die ik tot nu aanschouwde, doet vergeten en bespotten. Maar

vervloeken zal ik U, als Ge nù nog tusschen mij en mijn graf treedt,

als ik vrouw en kind begraven en met aarde in plaats van met de klei

en rotting van mijn eigen lichaam moet bedekken! (_gaan voorbij_).

~Mirza~ (_voor de poort_). Doet open, doet open!

~Bewakers.~ Wie daar?

~Mirza.~ Judith is het. Judith, met het hoofd van Holofernes!

~Bewakers~ (_roepen, terwijl zij openen, de stad in_). Hallo, hallo!

Judith is terug!

(_Het volk verzamelt zich, ouderlingen en priesters komen. Judith en

Mirza treden de poort binnen_).

~Mirza~ (_werpt het hoofd neer_). Kent ge dien?

~Volk.~ Neen, dien kennen wij niet.

~Achior~ (_naderbij tredend, valt op de knieën_). Groot zijt ge, God

van Israël! en er is geen God buiten u! (_hij staat op_) Dit is het

hoofd van Holofernes! (_hij grijpt Judith bij de hand_) En dit is de

hand, waarin hij gegeven werd? Vrouw, het duizelt mij wanneer ik u

aanzie!

~Ouderlingen.~ Judith heeft haar volk bevrijd! Haar naam zij geloofd!

~Volk~ (_bijeen stroomend_). Heil Judith!

~Judith.~ Ja, ik heb den eersten en laatsten man op aarde gedood,

opdat gìj (_tot een der omstanders_) in vrede uw schapen weiden en gij

(_tot een ander_) uw kool planten en gij (_tot een derde_) uw nering

drijven en kinderen die u gelijken, teelen kunt.

~Stemmen uit het volk.~ Op! naar het kamp! Nú zijn ze zonder Heer!

~Achior.~ Wacht nog even. Zij weten nog niet wat vannacht gebeurde.

Wacht, tot ze ons zelf het teeken tot den aanval geven. Als we ze

hooren schreeuwen, zullen we ze bespringen.

~Judith.~ Ge zijt mij dank schuldig, dank, dien ge mij niet kunt

afbetalen met de eerstelingen uwer kudden en tuinen. Ik moest de daad

doen, aan ù is het haar te rechtvaardigen! Wordt heilig en rein, dan

kan ik haar verantwoorden. (_Men hoort een wild verward getier_).

~Achior.~ Hoort! nu is het tijd!

~Een priester~ (_op het hoofd wijzend_). Steekt het op een spiets en

draagt het vooraan!

~Judith~ (_zich voor het hoofd plaatsend_). Dit hoofd moet dadelijk

begraven worden!

~Bewakers~ (_van den muur af roepend_). De bewakers van de bron

vluchten in wilde wanorde. Een van de hoplieden treedt hen in den weg,

zij trekken de zwaarden tegen hem. Een der onzen komt hen tegemoet

hollen. Het is Ephraim; zij zien hem in het geheel niet!

~Ephraim~ (_voor de poort_). Open, open!

(_De poort wordt geopend, Ephraim stormt binnen. De poort blijft open,

men ziet voorbij vluchtende Assyriërs_).

~Ephraim.~ Ze hadden mij kunnen spietsen, op een rooster braden. Dat

alles ben ik ontkomen! Nu Holofernes zijn hoofd kwijt is, zijn ze 't

allemaal. Komt, komt! Een dwaas, die nog bang zou zijn!

~Achior.~ Op, op!

(_Zij stormen de poort uit, men hoort stemmen roepen: In naam van

Judith!_)

~Judith~ (_wendt zich walgend af_). Dat is slagersmoed.

(_De priesters en ouderlingen vormen een kring om haar heen_).

~Een der ouderlingen.~ Ge hebt de namen der helden gebluscht en de uwe

in hun plaats gezet.

~Eerste priester.~ Volk en kerk hebt ge een grooten dienst bewezen.

Niet meer om het duister verleden, op u zal ik voortaan wijzen als ik

toonen wil hoe groot de Heer, onze God is.

~Priesters en ouderlingen.~ Eisch uw loon!

~Judith.~ Spot ge met mij? (_tot de ouderlingen_) Als het geen heilige

plicht was, als ik het had mogen laten, was het dan geen hoogmoed en

misdaad? (_tot de priesters_) Wanneer een offerdier rochelend voor

het altaar neerstort, kwelt ge het dan nog met de vraag welken prijs

het zou verlangen voor zijn bloed en leven? (_na een pauze, als bij

plotselinge ingeving_) En tòch... ik eisch mijn loon! Belooft mij te

voren, dat ge het niet zult weigeren!

~Ouderlingen en priesters.~ Wij beloven het. Uit naam van gansch

Israël!

~Judith.~ Dan zult ge mij dooden, wanneer ik het verlang!

~Allen~ (_ontzet_). U dooden?

~Judith.~ Ja. En ik heb uw woord.

~Allen~ (_gruwend_). Ge hebt ons woord.

~Mirza~ (_grijpt Judith bij den arm en leidt haar uit den kring naar

voren_) Judith! Judith!

~Judith.~ Ik wil Holofernes geen zoon baren. Bid God dat mijn schoot

onvruchtbaar moge zijn. Misschien is hij mij genadig!

EINDE.

+---------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De volgende correcties zijn in de tekst |

| aangebracht: |

| |

| Bron (B:) -- Correctie (C:) |

| |

| B: verschansd hebben. |

| C: verschanst hebben. |

| B: als gevonnisd wanneer ik haar |

| C: als gevonnist wanneer ik haar |

| B: ~Ephraim~ Ik bèn een man en |

| C: ~Ephraim.~ Ik bèn een man en |

| B: ~Judith~ Het is zoo blank |

| C: ~Judith.~ Het is zoo blank |

| B: ~Daniel.~ Ja, dat is |

| C: ~Daniël.~ Ja, dat is |

| B: beleedigd hebt, sçhenk ik u het |

| C: beleedigd hebt, schenk ik u het |

| B: al mijn slaven zijn zult. |

| C: al mijn slaven zijn zult.« |

| B: spin, en houdt je stil |

| C: spin, en houdt je stil |

| B: Mirza, o, wat bidt je daar? |

| C: Mirza, o, wat bidt je daar? |

| B: Ah! verbeeldt je maar niet |

| C: Ah! verbeeld je maar niet |

| B: je bent een kind. |

| C: je bent een kìnd. |

| B: ~Judìth.~ Ja ja, goddank! Verbeeldt je, |

| C: ~Judith.~ Ja ja, goddank! Verbeeld je, |

| B: Hallo, Hallo! |

| C: Hallo, hallo! |

| |

+---------------------------------------------+

Judith: treurspel in vijf bedrijven · 第 5 / 5 段