~Priester.~ Daniël is een profeet! De Heer heeft den stomme laten

spreken. Hij heeft een wonder gedaan opdat ge gelooven zult aan de

wonderen die Hij nog doen zal. Samaja is te schande gemaakt met zijn

voorspelling. Aan Daniël heeft hij gezondigd, uit Daniël's hand heeft

hij zijn loon ontvangen.

~Stemmen uit het volk.~ Naar Daniël! dat ze hem geen kwaad doen!

~Priester.~ De Heer heeft hem gezonden, de Heer zal hem beschermen!

Gaat heen en bidt!

(_Het volk verspreidt zich naar verschillende kanten_).

~Delia.~ Een anderen troost hebben ze niet voor me, dan te zeggen dat

hij, dien ik lief had, een zondaar was (_af_).

VIERDE BEDRIJF.

#(Tent van Holofernes.--Holofernes en twee zijner hoplieden).#

~Een der hoplieden.~ De veldheer ziet er uit als een vuur dat op het

punt van uitgaan staat.

~De tweede hopman.~ Voor zoo'n vuur moet je oppassen, het verslindt al

wat in zijn nabijheid komt om zich te voeden.

~Eerste hopman.~ Weet je dat Holofernes vannacht er dicht aan toe was

zichzelf van kant te maken?

~Tweede hopman.~ Het is toch niet waar?

~Eerste hopman.~ Ja zeker. Hij had een nachtmerrie. In zijn slaap

denkt hij dat iemand zich op hem stort om hem te wurgen. Hij grijpt

zijn dolk en, door zijn droom misleidt, meenend den aanvaller

ruggelings te doorboren, stoot hij hem in zijn eigen borst. Gelukkig

glijdt het staal op een van zijn ribben af. Hij wordt wakker, ziet het

en roept den kamerdienaar, die hem wil verbinden, lachend toe: »Laat

maar loopen, dat koelt me af, ik heb toch te veel bloed.«

~Tweede hopman.~ Het klinkt ongelooflijk.

~Eerste hopman.~ Vraag het den kamerdienaar maar.

~Holofernes~ (_zich snel omwendend_). Vraag 't mijzelf! (_zij

schrikken_). Ik roep je dit toe, omdat ik je graag mag lijden en niet

wil dat twee helden, die ik gebruiken kan, uit verveling door allerlei

kletspraatjes en vergelijkingen hun hoofd verspelen. (_voor zich_) Zij

verbazen zich er over dat ik hun gesprek gehoord heb. Schande genoeg

voor mij, dat ik er tijd en aandacht voor had. Een hoofd dat zich

niet zelf met gedachten weet te vullen, dat nog ruimte heeft voor de

grillen en invallen van anderen, is niet waard dat men het voedert. De

ooren zijn de aalmoezeniers van den geest, alleen bedelaars en slaven

hebben ze noodig en men wordt een van beiden wanneer men ze gebruikt.

(_tot de hoplieden_) Ik maak je er geen verwijt van; het is mijn

schuld dat je niets te doen hebt en praatjes moet maken om jezelf te

kunnen voorliegen dat je leeft. Wat gisteren spijs was is vandaag

drek; wee ons, dat we daarin moeten rondwoelen. Maar zegt mij toch

eens: wat zoudt ge gedaan hebben als ge mij eens werkelijk vanmorgen

dood in mijn bed gevonden hadt?

~De hoplieden.~ Heer, wat zouden we hebben mòeten doen?

~Holofernes.~ Al wist ik het, ik zou het je niet zeggen. Wie zichzelf

uit de wereld wegdenken en zijn plaatsvervanger noemen kan, die hoort

er niet meer in! Ik ben mijn ribben er dankbaar voor dat ze van ijzer

zijn. Dat zou me een dood geweest zijn als een klucht! En stellig zou

deze vergissing van mijn hand een of anderen mageren god, bijvoorbeeld

dien der Hebraeërs, vet hebben gemaakt. Hoe zou Achior gepraald hebben

met zijn voorspelling; welk een respekt zou hij voor zichzelf hebben

gekregen!--Één ding zou ik willen weten: wat de dood is.

~Eerste hopman.~ Dat is terwille waarvan wij het leven liefhebben.

~Holofernes.~ Dat is het beste antwoord. Ja, alleen omdat wij het

ieder uur verliezen kunnen houden wij het vast, persen het uit en

zuigen het in tot berstens toe. Ging het eeuwig maar door zooals

gisteren en vandaag, dan zouden wij waarde en beteekenis van zijn

tegendeel wel inzien; rusten en slapen zouden wij en in onze droomen

voor niets anders sidderen dan voor het ontwaken. Nù zoeken wij ons

door eten te behoeden voor het gegeten worden en vechten we met onze

tanden tegen de tanden der wereld. Daarom is het ook zoo bij uitstek

heerlijk door het leven zelf te sterven, den stroom zòo te laten

aanzwellen dat de ader die hem moet opnemen springt, den hoogsten

wellust en den huiver der vernietiging met elkaar te vermengen.

Dikwijls komt het mij voor als had ik eens tot mijzelf gezegd: Nu wil

ik leven! Toen werd ik losgelaten als uit een teedere omhelzing, het

werd licht om mij heen, ik rilde... een schok... en ik was er! Zoo

zou ik ook eens tot mijzelf willen zeggen: Nu wil ik sterven! En als

ik niet, zoodra ik het woord heb gesproken, opgelost in alle winden

verstuif en door alle dorstende lippen der schepping wordt opgezogen,

dan zal ik mij schamen en mij zelf bekennen dat ik wortels gemaakt heb

uit ketenen. Ik houd het voor mogelijk dat zich nog eens iemand doodt

alleen door de gedachte.

~Eerste hopman.~ Holofernes!

~Holofernes.~ Je wilt zeggen dat men zich niet moet bedwelmen. Dat

is waar, want wie geen bedwelming kent weet ook niet hoe armelijk

nuchterheid is! En toch is bedwelming de weelde onzer armoede en ik

heb het zoo graag, wanneer het als een zee uit mij te voorschijn

breekt en al wat op dijk of beperking lijkt, wegspoelt! En wanneer het

eens in àl wat leeft zoo stuwde en stroomde, zou het dan niet kunnen

dòòrbreken en samenvloeien en als een geweldig onweer met donder en

bliksem triomfeeren over de natte, koude, verrafelde wolken die de

wind naar willekeur in het rond jaagt? O stellig! (_tot de hoplieden_)

Je verbaast je over mij, omdat ik van mijn hoofd een spinnewiel maak

en het droom- en hersenkluwen daarin draad na draad afwikkel als een

bundel vlas. Zeker, de gedachte is de dief des levens; een kiem, die

men uit de aarde rukt in het licht, zal niet uitloopen, dat weet ik

heel goed; maar vandaag, na die aderlating, mag het wel! We hebben

bovendien den tijd, want die daar in Bethulië schijnen niet te weten

dat een soldaat zijn zwaard zoolang scherpt als men hem belet het te

gebruiken.

~Een hopman~ (_binnentredend_). Heer! een Hebreeuwsche vrouw, die we

op den berg hebben opgepakt, staat voor de deur.

~Holofernes.~ Wat voor soort?

~De hopman.~ Heer, ieder oogenblik dat ge haar niet ziet is verloren.

Als ze niet zoo schoon was, had ik haar niet bij u gebracht. Wij lagen

bij de bron te wachten of ook iemand zou durven naderen. Toen zagen

we haar komen, haar maagd, als haar schaduw, achter haar aan. Zij was

gesluierd en liep aanvankelijk zoo snel, dat de maagd haar nauwelijks

kon volgen; maar plotseling hield zij op als wilde zij omkeeren,

wendde zich naar de stad, wierp zich ter aarde en scheen te bidden.

Daarna kwam zij op ons af en ging naar de bron. Een van de bewakers

trad haar tegemoet en ik dacht al dat hij haar iets wilde doen--want

de soldaten zijn slecht geluimd door het lange luieren--maar hij bukte

zich, schepte water en reikte haar de schaal toe. Zij nam het aan,

zonder te danken, bracht het aan de lippen, maar liet het, vòòr zij

nog gedronken had, weer zakken en goot het langzaam uit. Dit verdroot

den bewaker; hij trok zijn zwaard en hief het op. Toen sloeg zij haar

sluier open en zag hem aan; het scheelde weinig of hij had zich voor

haar voeten geworpen. Maar zij zeide: »Breng mij naar Holofernes, ik

kom om mij voor hem te verdeemoedigen en hem geheimen van mijn volk te

onthullen«.

~Holofernes.~ Brengt haar hier! (_de hopman af_) Alle vrouwen ter

wereld zie ik graag, behalve ééne, die heb ik nooit gezien en zal ik

ook nooit zien.

~Een hopman.~ Welke is dat?

~Holofernes.~ Mijn moeder! Ik zou haar even graag zien als mijn graf.

Dit verheugt mij het meest: dat ik niet weet vanwaar ik kom. Jagers

hebben mij als een stevigen knaap in een leeuwenhol gevonden. Een

leeuwin heeft mij gezoogd, daarom is 't geen wonder dat ik den leeuw

zelf eens in deze armen dooddrukte. Wat kan dan ook een moeder voor

haar zoon zijn? Een spiegel zijner onmacht van gisteren of morgen!

Hij kan haar niet aanzien zonder te denken aan den tijd dat hij een

erbarmelijk wurm was, dat de paar druppels melk die het slikte met

smakken betaalde. En als hij dat vergeet, ziet hij een spook in haar,

dat hem ouderdom en dood voorspiegelt en hem een afkeer inboezemt van

zijn eigen gedaante, zijn eigen vleesch en bloed.

~Judith~ (_treedt binnen, begeleid door Mirza en den_ _hopman, die

beiden bij den ingang blijven staan. Aanvankelijk is zij verward,

beheerscht zich echter snel, treedt op Holofernes toe en valt hem te

voet_). Gij zijt dien ik zoek, gij zijt Holofernes!

~Holofernes.~ Je denkt zeker dat hij, op wiens gewaad het meeste goud

glimt, hier de meester zijn moet.

~Judith.~ Slechts één kan er zoo uitzien!

~Holofernes.~ Als ik een tweeden vond, zou ik hem het hoofd voor de

voeten leggen; op mijn gezicht meen ik het eenige recht te hebben.

~Een der hoplieden~ (_tot den ander_). Een volk dat zulke vrouwen

heeft is niet te verachten.

~De ander.~ Je zoudt het alleen al terwille van die vrouwen bevechten.

Nu heeft Holofernes een tijdverdrijf. Misschien dat zij met kussen

zijn heelen toorn verstikt.

~Holofernes~ (_in den aanblik van Judith verloren_). Is 't niet of

men, zoolang men haar aanziet, een kostelijk bad nam? Men wordt wat

men ziet! De rijke, groote wereld vond geen plaats in dat beetje

uitgespannen huid waarin wij steken: oogen kregen wij om haar bij

brokstukken te kunnen inslikken. Slechts blinden zijn rampzalig! Ik

zweer het: nooit meer zal ik iemand doen blinden. (_tot Judith_) Ge

ligt nog op de knieën? Sta op! (_Zij doet het, hij neemt plaats op den

vorstelijken zetel onder een tapijt_) Hoe heet ge?

~Judith.~ Ik heet Judith.

~Holofernes.~ Wees niet bang, Judith. Je bevalt mij zooals nog gééne

mij beviel.

~Judith.~ Dat is het doel van al mijn wenschen!

~Holofernes.~ En zeg mij nu: waarom heb je die daar in de stad

verlaten en ben je bij mij gekomen?

~Judith.~ Omdat ik weet dat niemand u kan ontkomen! Omdat onze eigen

God de mijnen in uw hand wil overleveren.

~Holofernes~ (_lachend_). Omdat je een vrouw bent, omdat je vertrouwt

op je zelf, omdat je weet dat Holofernes oogen heeft, niet waar?

~Judith.~ Hoor mij genadig aan. Onze God is vertoornd op ons, hij

heeft sinds lang door zijn profeten laten verkondigen dat hij zijn

volk wil straffen om zijner zonden wil.

~Holofernes.~ Wat is zonde?

~Judith~ (_na een pooze_). Een kind heeft mij dit eens gevraagd. Dat

kind heb ik gekust. Wat ik u antwoorden moet weet ik niet.

~Holofernes.~ Vertel verder.

~Judith.~ Nu staan zij tusschen Gods toorn en ùw toorn en zijn zeer

bevreesd. Daarbij lijden zij honger en moeten versmachten van dorst.

En hun groote nood verleidt hen tot nieuwe misdaden. Zij willen eten

van het heilige offer, dat ook maar aan te raken hen verboden is. Het

zal tot vuur worden in hun ingewanden!

~Holofernes.~ Waarom geven zij zich niet over?

~Judith.~ Zij hebben er den moed niet toe. Zij weten dat zij het

ergste hebben verdiend; hoe zouden zij nog kunnen gelooven dat God het

van hen zal afwenden? (_voor zich_). Ik wil hem verzoeken. (_luid_) In

hun angst gaan zij nog verder dan gij in uw toorn gaan kunt. Uw wraak

zou mij verpletteren als ik het waagde u te zeggen hoe hun vrees den

held en man in u durft te bezoedelen! Ik zie tot u op; ik bespeur in

uw gelaat de edele grenzen van uw toorn; ik ontdek het punt waarboven

hij in zijn wildste vlammen niet kan uitlaaien. En nu moet ik blozen,

want ik herinner mij daarbij hoe zij zich niet schamen iedere

gruweldaad van u te verwachten, die een schuldig geweten in laffe

zelfkwelling maar weet te verzinnen; hoe zij zich verstouten in u een

beul te zien omdat zijzelf den dood waardig zijn. (_zij valt voor hem

neer_) Op mijn knieën smeek ik u om vergeving voor deze beleediging

van mijn verblinde volk.

~Holofernes.~ Wat doet ge; ik wil niet dat ge voor mij knielt.

~Judith~ (_opstaand_). Ze denken dat ge hen allen zult dooden. Ge

glimlacht inplaats van te toornen? O, ik vergat wie ge zijt. Ge kent

het gemoed der menschen; u kan niets verbazen; u prikkelt het slechts

tot spot wanneer uw beeld in een doffen spiegel misvormd en vertrokken

schijnt. Maar dìt moet ik toch ten gunste der mijnen zeggen: zijzelf

zouden nooit op die gedachte gekomen zijn. Zij wilden u de poort

openen, toen Achior, de aanvoerder der Moabieten, tusschen hen trad en

hen bang maakte. »Wat wilt ge doen?« riep hij. »Weet ge niet dat hij u

allen den ondergang gezworen heeft?« Ik weet dat ge hem het leven en

de vrijheid geschonken hebt; ge hebt, omdat ge geen wraak wildet nemen

op een onwaardige, hem tot ons gezonden, hem grootmoedig in de rijen

uwer vijanden geplaatst. Hij loont het u door uw beeld in bloed te

schilderen en elks hart van u af te keeren. Niet waar, mijn klein

volkje verbeeldt zich àl te veel, wanneer het zich uw toorn waardig

acht. Hoe zoudt ge kunnen haten wie ge in het geheel niet kendet, wie

ge maar op uw weg tegenkwaamt en die slechts daarom niet voor u weken,

omdat de angst hen verstijfde en hen leven en bezinning roofde? En

wanneer werkelijk iets als moed hen had bezield, zou dàt dan u er toe

kunnen prikkelen, uzelf ontrouw te worden? Zou Holofernes zichzelf,

al wat hem groot en éénig maakt, in anderen haten en vervolgen? Dat

is tegennatuurlijk, dat kan niet gebeuren! (_zij ziet hem aan, hij

zwijgt_) O, ik wilde dat ik u was! Eén dag maar, één uur maar! Dan zou

ik daardoor dat ik het zwaard in de scheede stak, een triomf vieren

als nog niemand door het zwaard gevierd heeft. Duizenden sidderen

nu voor u in gindsche stad. »Ge hebt mij getrotseerd,« zou ik hen

toeroepen, »maar juist omdat ge mij beleedigd hebt, schenk ik u het

leven; ik wil mij op u wreken, maar door uzelf; ik straf u niet, opdat

ge geheel en al mijn slaven zijn zult.«

~Holofernes.~ Vrouw! beseft ge niet dat ge mij dit alles onmogelijk

maakt doordat ge er mij toe aanspoort? Als die gedachte in mijzelf was

opgekomen, misschien had ik haar uitgevoerd. Nu is zij de uwe en kan

nooit de mijne worden. Het spijt mij, maar Achior zal gelijk krijgen!

~Judith~ (_in een wild lachen uitbarstend_). Vergeef. Sta toe dat ik

mijzelf hoon! Er zijn kinderen in de stad, zóó onschuldig dat zij

lachen zullen als zij het staal zien blinken dat hen moet spietsen.

Er zijn maagden in de stad, die sidderen voor den lichtstraal die door

hun sluier dringt. Ik dacht aan den dood die deze kinderen wacht, ik

dacht aan de schande die deze maagden bedreigt; ik stelde mij het

afschuwelijkste voor en ik dacht dat niemand zóó sterk kon zijn dat

hij niet ineen zou huiveren voor zulke tafereelen. Vergeef dat ik ù

mijn eigen zwakheid onderschoof.

~Holofernes.~ Je wilde mij vermooien en dat verdient mijn dank, al

staat de manier mij ook niet aan. Judith, wij moeten niet met elkaar

kibbelen. Ik ben voorbeschikt wonden te slaan, jìj wonden te heelen.

Als ik nalatig was bij mijn werk, had jij geen tijdverdrijf. En met

mijn soldaten moet je 't zoo nauw niet nemen. Lieden, die vandaag niet

weten of ze er morgen nog zijn zullen, moeten wel driest toegrijpen en

zich de maag wat overladen, wanneer ze hun deel van het leven willen

krijgen.

~Judith.~ Heer, ge overtreft mij in wijsheid evenzeer als in moed

en kracht. Ik was verdwaald in mijzelf en ù dank ik het dat ik den

weg weer vond. Ah, hoe dwaas was ik! Ik weet dat zij allen den dood

verdiend hebben, dat hij hun allang voorspeld is; ik weet dat de Heer,

mijn God, aan ù de wraak heeft overgedragen; en toch werp ik mij, door

een erbarmelijk medelijden overmand, tusschen u en hen. Heil mij!

dat uw hand het zwaard vast hield, dat ge het niet vallen liet om de

tranen eener vrouw te drogen. Hoe zouden zij versterkt zijn geworden

in hun overmoed! Wat hadden zij nog te vreezen wanneer Holofernes hen

voorbij trok als een onweer dat niet tot uitbarsting kwam? Wie weet

of zij niet lafheid zouden zien in uw grootmoedigheid en spotliedjes

zouden maken op uw barmhartigheid. Nù zitten zij in zak en asch en

doen boete. Maar voor ieder uur van ingetogenheid zouden zij zich

misschien schadeloos stellen door een dag van wilde uitspatting en

razernij. En al hun zonden zouden op mìjn rekening komen; ik zou

vergaan van berouw en schaamte. Neen Heer, gedenk uw eed en verdelg

hen! Dìt laat de Heer, mijn God, u gelasten door mìjn mond; Hij wil

uw vriend zijn, zooals gij hun vijand zijt.

~Holofernes.~ Vrouw, het komt mij voor dat ge met mij speelt. Maar

neen, ik beleedig mijzelf door dit voor mogelijk te houden. (_na een

poos_) Ge beschuldigt de uwen zwaar.

~Judith.~ Denkt ge dat het mij gemakkelijk valt? Het is de straf

voor mijn eigen zonden dat ik hen moet aanklagen wegens de hunne.

Geloof niet dat ik slechts daarom van hen gevlucht ben omdat ik den

algemeenen ondergang dien ik zag naderen, wilde ontloopen. Wie voelt

zich zòò rein, dat hij wanneer de Heer een groot gericht houdt, zou

durven wagen zich er aan te onttrekken? Ik kwam tot u omdat mijn God

het mij gebood. Ik moet u naar Jeruzalem voeren, ik moet u mijn volk

overleveren als een kudde die geen herder heeft. Dat heeft Hij mij

gelast in een nacht toen ik in vertwijfeld gebed voor Hem op de knieën

lag en duizendvoudig verderf over u en uw mannen van Hem afsmeekte;

toen elk mijner gedachten u zocht te omsnoeren en te wurgen. Zijn

stem klonk en ik jubelde luid... maar Hij had mijn gebed verworpen,

Hij sprak het doodvonnis over zijn volk uit en belastte mijn ziel

met het beulsambt. O, welk een verandering! Ik verstijfde, maar ik

gehoorzaamde; haastig verliet ik de stad, schudde het stof van mijn

voeten en trad voor u om u aan te sporen hen te vernietigen, voor wier

redding ik nog kort te voren lijf en leven zou hebben geofferd. Zie,

zij zullen mij smaden en mijn naam voor eeuwig brandmerken. Dat is

méér dan de dood; en toch blijf ik standvastig en weifel niet.

~Holofernes.~ Dat zullen zij nìet. Kan iemand je smaden wanneer ik

niemand in leven laat? Waarlijk, als je God volbrengt wat je gezegd

hebt, dan zal Hij ook mìjn God worden, en jou zal ik groot maken als

nog nooit een vrouw geweest is. (_tot den kamerdienaar_) Breng haar

naar de schatkamer en geef haar te eten van mìjn tafel.

~Judith.~ Heer, ik mag nog niet eten van uw spijs, ik zou mij

bezondigen. Ik kwam immers niet tot u om van mijn God af te vallen,

maar juist om Hem goed te dienen. Ik heb zelf iets meegebracht om van

te eten.

~Holofernes.~ En als dat op is?

~Judith.~ Wees gerust. Nog vòòr ik dit weinige kan nuttigen, zal mijn

God door mij hebben uitgevoerd wat Hij van plan is. Voor vijf dagen

heb ik genoeg en binnen vijf dagen volbrengt Hij het. Nog weet ik het

uur niet, en mijn God zal het mij niet eer zeggen voor het er is. Geef

daarom bevel dat ik, zonder door uw mannen gehinderd te worden, naar

buiten kan gaan, naar het gebergte, tot voor de stad, opdat ik daar

bidden kan en wachten op een openbaring.

~Holofernes.~ Het verlof heb je. De schreden eener vrouw liet ik nog

nooit bewaken. Dus binnen vijf dagen, Judith!

~Judith~ (_werpt zich voor zijn voeten, gaat dan naar de deur_).

Binnen vijf dagen, Holofernes!

~Mirza~ (_die haar ontzetting en afschuw reeds een poos door gebaren

te kennen gaf_). Vervloekte! zijt ge gegaan om uw volk te verraden?

~Judith.~ Spreek luider! Het is goed dat allen hooren dat ook jij mijn

woorden gelooft.

~Mirza.~ Maar zeg zelf, Judith, mòet ik u niet vervloeken?

~Judith.~ Heil mij! als jìj niet twijfelt, zal Holofernes het zeker

niet!

~Mirza.~ Weent ge?

~Judith.~ Vreugdetranen omdat ik je misleidde. Ik huiver voor de

kracht der leugen in mijn mond. (_af_).

VIJFDE BEDRIJF.

#(Avond. De verlichte tent van Holofernes. Op den achtergrond een

gordijn dat het slaapvertrek afscheidt).#

(_Holofernes. Hoplieden. Kamerdienaar_).

~Holofernes~ (_tot een der hoplieden_). Ben je op verkenning

uitgeweest? Hoe staat het er mee in de stad?

~Hopman.~ Het is of ze zich daar allemaal begraven hebben. Die de

poort bewaken zien er uit alsof ze uit hun graf zijn verrezen. Op een

van hen legde ik aan, maar nog éér ik kon afschieten viel hij al

vanzelf dood neer.

~Holofernes.~ Dus overwinning zonder strijd. Als ik jonger was zou 't

mij ergeren. Toen dacht ik mijn leven te stelen als ik het mij niet

dagelijks opnieuw veroverde; wat mij geschonken werd meende ik in het

geheel niet te bezitten.

~Hopman.~ Priesters ziet men stom en ernstig door de straten sluipen.

Lange, witte gewaden, zooals bij ons de dooden dragen. Holle oogen die

den hemel pogen te doorboren. Kramp in de vingers wanneer zij de

handen vouwen.

~Holofernes.~ Dat men zulke priesters vooral niet doode! De

vertwijfeling op hun gelaat is mijn bondgenoot.

~Hopman.~ Wanneer ze nù ten hemel opzien, zoeken ze er niet hun God,

maar een regenwolk. Doch de zon slurpt de dunne wolken die een druppel

lafenis beloven òp en op hun berstende lippen vallen haar gloeiende

stralen. Dan ballen zich vuisten, dan rollen oogen, dan stooten

hoofden zich te pletter tegen de muren, dat bloed en hersens vloeien.

~Holofernes.~ Dat hebben we meer gezien. (_lachend_) Hebben we

niet zelf eens een hongersnood bijgewoond, waarbij de één schuw

achteruitdeinsde wanneer de ander hem kussen wilde, uit pure angst

voor een beet in de wang? Hallo! Bereidt het maal; laat ons vroolijk

zijn! (_het geschiedt_) Is het niet morgen de vijfde dag?

~Hopman.~ Ja.

~Holofernes.~ Dan komt de beslissing. Geeft Bethulië zich over, zooals

de Hebreeuwsche voorspelde, komt ze uit eigen beweging naar mij

toegekropen, de hardnekkige stad, om zich voor mijn voeten te

leggen...

~Hopman.~ Twijfelt Holofernes?

~Holofernes.~ Aan al wat hij niet bevelen kan. Maar gebeurt het zooals

die vrouw beloofde, doen zij open zonder dat ik met mijn zwaard behoef

aan te kloppen, dan...

~Hopman.~ Dan?

~Holofernes.~ Dan krijgen wij een nieuwen God. Waarachtig! ik heb

gezworen dat de God Israëls ook mijn God worden zal, wanneer hij mij

een dienst bewijst, en bij allen die reeds mijn goden zijn, bij Bel te

Babylon en bij den grooten Baal, ik zal woord houden! Hier, dezen

beker wijn zal ik hem plengen, dien Je... Je... (_tot den

kamerdienaar_) hoe zei je ook weer dat hij heet?

~Kamerdienaar.~ Jehovah!

~Holofernes.~ Laat u dit offer welgevallen, Jehovah. Een màn brengt

het u, en een die het niet behoeft te doen.

~Hopman.~ En als Bethulië zich niet overgeeft?

~Holofernes.~ Eed tegen eed. Dan laat ik Jehovah afranselen en de

stad... maar ik wil mijn toorn niet reeds nu zijn grenzen afbakenen.

Dat ware den bliksem beschoolmeesteren. Hoe is 't met de Hebreeuwsche?

~Hopman.~ O, ze is schoon... Maar ze is ook preutsch.

~Holofernes.~ Heb je dat ondervonden?

~Hopman~ (_zwijgt verlegen_).

~Holofernes~ (_met woesten blik_). Dàt durfde je? Terwijl je wist dat

ze mìj behaagt? Daar, hond! (_hij_ _slaat hem neer_) Haalt hem weg en

brengt die vrouw hier. Het is een schande dat zij ongerept onder ons

Assyriërs rondloopt! (_Het lijk wordt weggedragen_) Vrouw is vrouw en

toch verbeeldt men zich nog dat er verschil is. Ja, wel voelt een man

nergens zoo duidelijk wat hij waard is dan aan de borst eener vrouw.

Ha! wanneer ze sidderen bij het verwachten zijner omhelzing, in

tweestrijd tusschen wellust en schaamte; wanneer ze doen als wilden ze

vluchten, maar dan opeens, door hun natuur overmand, hem om den hals

vliegen als hun laatste beetje zelfstandigheid en bewustheid opvlamt

en hen, omdat ze niet meer weerstaan kunnen, drijft tot vrijwillige

tegemoetkoming; wanneer dan hun begeerte, door verraderlijke kussen

opgewekt in iederen druppel bloed, met de begeerte van den man om het

hardst loopt en zij hem aanzetten waar zij weerstand moesten bieden...

ja, dàt is leven; dan voelt men 't waarom de goden zich de moeite

gaven menschen te maken; dan heeft men eens genòeg, een overloopenden

beker! En vooral wanneer hun kleine ziel nog een oogenblik te voren

vol haat en laffen wrok was; wanneer de oogen, nu in wellust gebroken,

zich donker sloten toen de overwinnaar binnentrad; wanneer de hand die

nù vleiend streelt, hem graag vergif in den wijn gemengd zou hebben!

Dat is een triomf als geen andere, en dikwijls heb ik dien al gevierd.

Ook deze Judith... wel is haar blik vriendelijk en lachen haar wangen

als zonneschijn; maar in haar hart woont niemand behalve haar God...

en dien zal ik er nu uitjagen! In de dagen van mijn jeugd heb ik soms

wel als ik een vijand ontmoette, inplaats van mijn eigen zwaard te

trekken, hem het zijne uit de hand gewrongen en er hem mee neergeveld.

Zóó wil ik ook háár vernietigen; vergaan zal zij voor mij door haar

eigen gevoel, door de trouweloosheid harer zinnen.

~Judith~ (_met Mirza binnen tredend_). Ge hebt bevolen, hooge Heer, en

uw maagd gehoorzaamt.

~Holofernes.~ Ga zitten Judith, eet en drink, want je hebt genade bij

mij gevonden.

~Judith.~ Dat zal ik, Heer. En ik wil vroolijk zijn, want nog nooit

in mijn leven ben ik zòò geëerd geworden.

~Holofernes.~ Waarom aarzel je?

Judith: treurspel in vijf bedrijven · 第 3 / 5 段