de heidenen hebben groote macht over Israël!
~Samuel~ (_opstaand_). Niet over Israël! Wien zocht de Heer, toen hij
golven en winden macht gaf over het scheepken, dat het op en neder
danste? Niet den man die aan het roer zat, noch een ander. Doch den
weerspannigen Jonas alleen, die rustig sliep. Uit het veilige schip
joeg hij hem in de stormende golven, uit de golven in Leviathan's
muil, uit den muil van het ondier door de klippen zijner tanden in
zijn donkeren buik. Maar, toen Jonas boete deed, was de Heer toen
niet sterk genoeg hem weer uit den buik des Leviathan's te verlossen?
Staat op, gij verborgen boosdoeners, die slaapt in uzelve, gelijk
Jonas sliep! Wacht niet tot de teerling over u wordt geworpen; komt
te voorschijn en spreekt: Wij zijn het, opdat niet de onschuldige
verdelgt worde met den schuldige. (_hij grijpt zich in den baard_)
Samuel versloeg Aäron! Scherp was de spijker, week waren de hersenen,
diep was Aäron's sluimer in den schoot zijner vrouw. Samuel nam
Aäron's vrouw en teelde Ham met haar; maar zij stierf van ontzetting
toen zij het kind zag, want op het hoofd droeg het kind het teeken van
den spijker, als het hoofd van den doode. En Samuel ging in tot
zichzelf en keerde zijn aangezicht tegen zichzelf.
~Kleinzoon.~ Grootvader, grootvader! Uzelf bent Samuel en ik ben de
zoon van Ham.
~Samuel.~ Samuel schoor zich het hoofd en plaatste zich voor zijn
deur, wachtend op wraak, zooals men wacht op het geluk. Zeventig jaren
en langer, tot hij zijn dagen niet meer vermocht te tellen. Maar de
pest ging voorbij zonder dat haar adem hem trof; en de ellende ging
voorbij, zonder hem aan te raken. De wraak kwam niet vanzelf en hij
had den moed niet haar te roepen.
~Kleinzoon.~ Kom, kom! (_hij leidt hem terzijde_).
~Samuel.~ Zoon van Aäron! waar zijt ge, of zoon van zijn zoon, of zijn
broeder? Waarom voelt Samuel niet den stoot uwer handen noch den schop
uwer voeten? Oog om oog, sprak de Heer, tand om tand, bloed om bloed!
~Kleinzoon.~ Aäron's zoon is dood en de zoon van zijn zoon, en zijn
broeder, het gansche geslacht.
~Samuel.~ Bleef dan geen wreker over? Zijn dit de laatste tijden, dat
de Heer de zonde hoogopgeschoten staan laat en de zeisen breekt? Wee,
wee! (_de kleinzoon leidt hem weg_).
(_Twee burgers_).
~Eerste burger.~ Wat ik je zeg, er is niet òveral gebrek aan water. Er
zijn er onder ons die zich niet alleen volzuipen, maar zich zelfs
dagelijks een paar keer wasschen.
~Tweede burger.~ O, ik wil 't best gelooven. Ik zal je eens iets
vertellen. Mijn buurman Assaph had een geit die vroolijk en wel in
zijn tuintje graasde. Ik kijk juist op dat tuintje uit en iederen keer
dat ik 't beest met zijn volle uiers zag, werd het mij te moede als
een zwangere vrouw. Gisteren zocht ik Assaph eens op en vroeg hem een
beetje melk. Toen hij 't mij weigerde, greep ik mijn boog, doodde met
een snel schot de geit en zond hem daarna wat ze waard was. Ik deed er
goed aan, want de geit verleidde hem tot hardvochtigheid jegens zijn
naaste.
~Eerste burger.~ Zoo'n streek was van jou te verwachten. Heb je niet
als klein kind al eens een maagd tot moeder gemaakt?
~Tweede burger.~ Wat?
~Eerste burger.~ Zeker. Ben je soms niet de eerstgeborene? (_gaan
voorbij_).
(_Een der ouderlingen op_).
~Ouderling.~ Hoort, hoort! mannen van Bethulië (_het volk verzamelt
zich om hem heen_). Hoort wat de vrome Hoogepriester Jojakim u door
mijn mond weten doet!
~Assad~ (_een burger, zijn stommen en blinden broeder bij de hand
leidend_). Let op, de Hoogepriester verlangt dat wij leeuwen zijn
zullen. Dan kan hìj des te beter een haas blijven.
~Een ander burger.~ Laster niet!
~Assad.~ Ik laat geen andere troostredenen gelden dan die ik uit de
bron kan scheppen.
~Ouderling.~ Denkt aan Mozes, den dienaar des Heeren, die niet met het
zwaard, doch door het gebed Amalek versloeg. Ge moogt niet sidderen
voor schild en speer, want één woord des Heeren maakt ze te schande.
~Assad.~ Waar is Mozes? Waar zijn die heiligen?
~Ouderling.~ Moed zult ge scheppen en indachtig zijn dat het Heiligdom
des Heeren in gevaar ìs.
~Assad.~ Ik dacht dat de Heer òns beschermen zou. Nu komt het er op
neer dat wij Hèm beschermen moeten.
~Ouderling.~ En bovenal moogt ge niet vergeten dat de Heer, zoo hij u
laat omkomen, u uwen dood en uw martelingen in uw kinderen en
kindskinderen tot in het tiende geslacht kan vergoeden.
~Assad.~ Wie zegt mij hoe mijn kinderen en kindskinderen zullen
uitvallen? Kunnen het niet rakkers zijn waarover ik me te schamen heb,
die tot mijn schande rondloopen? (_tot den ouderling_) Man, je lippen
beven, je oogen dwalen onzeker, je tanden zouden de klinkende woorden,
waarachter je je angst verbergt wel willen verscheuren. Hoe kun je van
ons den moed verlangen dien je zelf niet bezit? Ik zal nu eens uit
naam van al dezen tot je spreken. Geef bevel om de poorten der stad te
openen. Onderworpenheid ontmoet barmhartigheid. Ik zeg het niet voor
mijzelf; ik zeg het terwille van dien armen stomme; terwille van de
vrouwen en kinderen. (_omstanders geven teekenen van instemming_) Geef
het bevel, dadelijk, of we doen het zonder uw bevel.
~Daniël~ (_zich losrukkend_). Steenigt hem! Steenigt hem!
~Volk.~ Was die man niet stom?
~Assad~ (_vol ontzetting zijn broeder aanziend_). Stom en blind! Hij
is mijn broeder. Dertig jaar is hij en nooit heeft hij een woord
gesproken.
~Daniël.~ Ja, dat is mijn broeder. Hij heeft mij gelaafd met spijs
en drank; hij heeft mij gekleed en liet mij bij zich wonen. Hij heeft
voor mij gezorgd bij dag en bij nacht. Geef mij uw hand, mijn trouwe
broeder. (_zoodra hij zijn hand genomen heeft slingert hij haar weer
als door ontzetting aangegrepen van zich weg_) Steenigt hem! Steenigt
hem!
~Assad.~ Wee, wee! de geest des Heeren spreekt uit den mond van den
stomme! Steenigt mij, steenigt mij! (_Het volk achtervolgt hem, hem
steenigend_).
~Samaja~ (_hen verschrikt naloopend_). Wat wilt ge doen! (_Af_).
~Daniël~ (_in vervoering_). Ik kom, ik kom, spreekt de Heer. Maar ge
moogt niet vragen vanwaar. Meent ge dat het tijd is? Ik alleen weet
wanneer het tijd is.
~Volk.~ Een profeet, een profeet!
~Daniël.~ Ik liet u groeien en gedijen als het koren in zomertijd.
Meent ge dat ik den heidenen mijn oogst zal overlaten? Waarlijk, ik
zeg u, dat zal nooit geschieden! (_Judith en Mirza verschijnen onder
de burgers_).
~Volk~ (_zich ter aarde werpend_). Heil ons!
~Daniël.~ En al is uw vijand nog zoo groot, ik heb slechts weinig
noodig om hem te vernietigen. Heiligt u, heiligt u; want ik wil wonen
bij u en zal u niet verlaten, zoo ge mìj niet verlaat. (_na een
pauze_) Broeder, je hand!
~Samaja~ (_terugkeerend_). Je broeder is dood! Jìj hebt hem vermoord!
Dàt was je dank voor al zijn liefde. O, hoe graag had ik hem gered;
wij waren vrienden van jeugd af! Maar wat kon ik doen tegen zoo velen
die jouw dwaasheid krankzinnig gemaakt had. »Zorg voor Daniël!« riep
hij mij nog toe, toen zijn brekende oogen mij herkenden. »Als een
gloeiende plicht leg ik dit woord in je ziel.«
~Daniël~ (_wil spreken, maar kan het niet; hij kreunt_).
~Samaja~ (_tot het volk_). Schaamt u, dat ge op de knieën ligt, en
schaamt u nog dieper, dat ge een edelen man, die het wel meent met u
allen, hebt vermoord. Ha! ge hebt hem zòò verwoed vervolgd, als woudt
ge in hem uw eigen zonden dood steenigen! Alles wat hij hier tegen den
ouderling, niet uit lafheid, maar uit medelijden met uw ellende, heeft
gezegd, was al heden morgen tusschen ons afgesproken; de stomme zat er
in elkaar gedoken en onverschillig, als altijd, bij; met geen spier
verried hij zijn afschuw. (_tot den ouderling_) Al wat mijn vriend
eischte, eisch ik nog; onmiddellijk openen der poorten, onderwerping
op genade of ongenade. (_tot Daniël_) Laat nu zien dat de Heer uit je
sprak. Vervloek mij, zooals je je broeder vervloekte!
~Daniël~ (_in hoogsten angst, wil spreken, maar kan niet_).
~Samaja.~ Ziet ge nu den profeet? Een demon der hel, die u verzoeken
wilde, ontzegelde zijn mond, maar God sloot hem weer en sloot hem voor
eeuwig. Of kunt ge gelooven dat de Heer de stommen doet spreken om ze
tot broedermoordenaars te maken.
~Daniël~ (_slaat zichzelf_).
~Judith~ (_tusschen het volk tredend_). Laat u niet in verzoeking
brengen. Heeft het u niet aangegrepen als Gods nabijheid en in
heiligen ootmoed ter aarde geworpen? En zult ge het dan nu dulden dat
men uw diepste gevoel liegen heet?
~Samaja.~ Vrouw, wat wilt ge? Ziet ge niet dat deze man vertwijfelt?
Voelt ge niet dat hij vertwijfelen mòet als hij een mensch is? (_tot
Daniël_) Ruk je de haren uit! Stoot je hoofd te pletter tegen den
muur, dat de honden je hersens oplikken, dat is het eenige wat je nog
op de wereld te doen hebt! Wat tegen de natuur is, dat ìs tegen God.
~Volk.~ Hij heeft gelijk!
~Judith~ (_tot Samaja_). Wilt ge den Heer den weg voorschrijven dien
Hij gaan moet? Reinigt Hij niet iederen weg dààrdoor dàt Hij hem gaat?
~Samaja.~ Wat tegen de natuur is, is tegen God! De Heer deed wonderen
onder onze vaderen, onze vaderen waren beter dan wij. Als Hij nù
wonderen wilde doen, waarom laat Hij het dan niet regenen? En waarom
bewerkt hij niet een wonder in het hart van Holofernes om hem tot den
aftocht te bewegen?
~Een burger~ (_op Daniël indringend_). Sterf, zondaar, die ons er toe
verleid hebt ons te bezoedelen met het bloed eens rechtvaardigen.
~Samaja~ (_tusschen beiden tredend_). Niemand zal Kaïn dooden! Zoo
sprak de Heer. Maar Kaïn mag zichzelf dooden. Zoo spreekt een stem in
mij. En Kaïn zal het doen! Dit zij u een teeken: leeft deze mensch nog
tot morgen, kan hij zijn daad een ganschen dag en een ganschen nacht
dragen, doet dan naar zijn woorden en houdt vol tot ge er dood bij
neer zinkt of tot een wonder u verlost. Zoo niet, doet dan wat Assad u
zeide: opent de poorten en geeft u over. En als ge onder het gewicht
uwer zonden niet waagt te hopen dat de Heer het hart van Holofernes
zal verzachten, slaat dan de hand aan uzelf, doodt elkander en laat
alleen de kinderen in leven. Hen zullen de Assyriërs sparen, want zij
hebben zelf kinderen of verlangen ze te krijgen. Maakt er een groote
moordpartij van, waarin de zoon den vader neersteekt en de vriend den
vriend zijn liefde bewijst door hem de keel af te snijden zonder zich
eerst te laten bidden. (_grijpt Daniël bij de hand_) Den stomme neem
ik mee naar mijn huis. (_voor zich_) Neen zeker, de stad, die zijn
broeder wilde redden, mag niet door zìjn razernij te gronde gaan. Ik
zal hem in een kamer opsluiten, ik zal hem een blank mes in de hand
duwen en zoolang tot zijn geweten spreken, tot hij volbrengt wat ik in
naam der natuur en als haar profeet van te voren heb verkondigd.
Goddank dat hij slechts stom en blind is en niet òòk doof. (_met
Daniël af_).
~Volk~ (_door elkaar_). Waarom worden ons de oogen eerst zoo laat
geopend. Wij willen niet langer wachten. Geen uur langer! Wij willen
de poorten openen. Komt!
~Josua~ (_een burger_). Wie waren er schuld aan dat wij ons niet
verootmoedigden zooals de andere volken? Wie overreedden ons de reeds
gebogen nekken weer trotsch omhoog te heffen? Wie heetten ons naar de
wolken te kijken en daardoor de aarde te vergeten?
~Volk.~ Wie anders dan de priesters en de ouderlingen?
~Judith.~ O God, nu twisten de rampzaligen met hen die hen van niets
tot iets gemaakt hebben!--(_luid_) Ziet ge in het ongeluk dat u treft
slechts een aanleiding om het door uw laaghartigheid te verdienen?
~Josua~ (_tusschen de burgers rondgaande_). Toen ik van Holofernes'
tocht hoorde was mijn eerste gedachte dat we hem tegemoet gaan en om
genade smeeken moesten. Wie van jelui dacht daar anders over? (_allen
zwijgen_) Waarvoor kwam Holofernes? Toch alleen om ons te onderwerpen;
had hij die onderwerping halfweegs gevonden, dan zou hij den héélen
weg niet gekomen zijn, maar rechtsomkeert gemaakt hebben; hij heeft
genoeg te doen. Dan zaten we ons nu in vrede aan spijs en drank te
vergasten, terwijl ons ellendig leven nù niets anders is dan een
vòòrproefje van alle mogelijke martelingen.
~Volk.~ Wee, wee!
~Josua.~ En we zijn onschuldig; we hebben nooit getrotseerd, altijd
hebben we gesidderd. Maar Holofernes was nog zoo ver en de ouderlingen
en priesters waren dichtbij om ons te bedreigen. Zoo vergaten we den
eenen angst door den andere. Weet jelui wat? Laten we de ouderlingen
en priesters de stad uitjagen en tegen Holofernes zeggen: Daar heb je
de oproerlingen! Ontfermt hij zich over hen, best; doet hij het niet,
dan willen we toch liever om hen klagen dan om ons zelf.
~Volk.~ Zal dat ons redden?
~Judith.~ Dat is alsof iemand met het zwaard waarmee hij zich niet kan
verdedigen, den wapensmid die het hem gaf, wilde vermoorden.
~Volk.~ Zou het werkelijk helpen?
~Josua.~ Natuurlijk zou het! Hoofd af, heet het, niet voet af of hand
af.
~Volk.~ Je hebt gelijk. Dat is de weg.
~Josua~ (_tot den ouderling die ernstig heeft toegekeken_). Wat zeg je
daarvan?
~Ouderling.~ Ik zou er zelf den raad toe geven als 't helpen kon. Ik
ben vandaag juist drie-en-zeventig jaar geworden en graag zou ik tot
mijn vaderen ingaan; op een paar ademtochtjes meer of minder komt het
er niet aan. Wel geloof ik een eerlijk graf verdiend te hebben en ik
zou liever in den grond dan in de maag van een wild beest rusten; maar
als ge meent dat ik genoeg ben voor u allen, ben ik bereid. Ik schenk
u dit grijze hoofd; maar maakt voort, dat de Dood je niet vòòr is en
het geschenk hoonlachend in een kuil werpt. Maar sta me toe dit hoofd,
dat nu aan u behoort, nog één keer te gebruiken. Niet van mij alleen,
van alle ouderlingen en priesters was hier sprake. Zoudt ge niet, éér
ge begint te offeren, u de moeite getroosten, de offerdieren te
tellen?
~Judith~ (_woest_). Dit kunt ge aanhooren zonder u op de borst te
slaan, zonder u neer te werpen en dien grijsaard de voeten te kussen?
O, nu zou ik Holofernes bij de hand willen nemen en binnen de stad
leiden, nu zou ik zelf zijn zwaard willen scherpen als het bot werd
éér het al deze hoofden had afgemaaid!
~Josua.~ De ouderling sprak listig, heel listig. Verzetten kon hij
zich niet, dat zag hij wel. Daarom schikte hij zich in zijn lot en dat
op een manier... ik wed dat als de lammetjes spreken konden er geen
enkel geslacht zou worden. (_tot Judith_) U zult stellig de eenige
niet zijn die hij geroerd heeft.
~Judith.~ Verzetten kon hij zich niet, maar hij kon je laag plan toch
te schande maken, hij kon zich dooden. En krampachtig greep hij naar
zijn zwaard, ik zag het wel en trad dichter bij hem om het te
beletten; maar dadelijk daarop straalde als een innerlijke zegepraal
uit zijn gelaat, hij trok zijn hand terug en zag naar boven.
~Ouderling.~ Ge denkt te edel van mij. Niet op mijzelf, op hèm was het
gemunt.
~Volk.~ Je raad is slecht, Josua, we zullen hem niet opvolgen.
~Judith.~ Hebt dank.
~Josua.~ Maar dat de poorten geopend worden, daarop blijft ge toch
zeker staan? Bedenkt dat een vijand, wien ge de poorten opent nooit
zoo wreed kan zijn als een die ze zelf moet openen. (_tot den
ouderling_) Geef het bevel! Ik wil u vergeving vragen voor mijn
voorstel, dat wil zeggen morgen, als ik dan nog leef.
~Judith~ (_tot den ouderling_). Zeg neen!
~Ouderling.~ Ik zeg ja, want ik zie zelf niet waar nog hulp vandaan
moet komen.
~Achior~ (_tusschen het volk tredend_). Zet maar open, maar verwacht
geen genade van Holofernes. Hij heeft gezworen het volk dat zich het
laatst aan hem zou onderwerpen, van de aarde te verdelgen, zoodat er
geen spoor van overbleef. Gij zijt de laatsten.
~Judith.~ Dat heeft hij gezworen?
~Achior.~ Ik stond er zelf bij. En dat hij zijn eed zal houden kunt ge
daaraan zien: hij geraakte in toorn tegen mij toen ik van de macht van
uw God sprak; en zijn toorn is de dood. Maar inplaats van mij neer te
slaan, beval hij, zooals ge weet, mij naar u te brengen. Ge ziet, zòò
weinig twijfelt hij aan uw ondergang dat hij den man dien hij haat en
wiens hoofd hij met zijn gewicht aan goud wil betalen, laat loopen
omdat hij zich eerst dàn op hem wreken wil wanneer hij zich tegelijk
kan wreken op u. En zòò ver is hem iedere gedachte aan genade dat hij
voor zijn vijand geen harder straf weet te verzinnen dan die welke hij
u heeft toegedacht.
~Volk.~ We zullen niet open doen. Als we door het zwaard moeten
sterven, dan hebben we zelf nog zwaarden!
~Josua.~ Laten we dan een tijd bepalen. Aan alles moet een einde
komen.
~Volk.~ Een tijd, een tijd!
~Ouderling.~ Lieve broeders, hebt dan nog vijf dagen geduld en beidt
de hulp des Heeren.
~Judith.~ En als de Heer nu nog eens vijf dagen langer noodig had?
~Ouderling.~ Dan zijn wij dood. Wil de Heer ons redden, dan moet het
in deze vijf dagen gebeuren, wij zullen toch al niet allen hun afloop
beleven.
~Judith~ (_plechtig, als sprak zij een doodvonnis uit_). Dus binnen
vijf dagen moet hij sterven!
~Ouderling.~ Wij moeten het uiterste doen om het nog zòò lang uit te
houden. Wij moeten de offergaven des Heeren, den heiligen wijn en de
olie, onder ons verdeelen. Wee mij, dat ik zulk een raad moet geven!
~Judith.~ Ja, wee u! Waarom raadt ge niet liever een ander uiterste
aan? (_tot het volk_) Mannen van Bethulië, waagt een uitval! De kleine
bronnen liggen vlak bij den muur, splitst u in twee helften, de eene
moet den terugtocht en de poort dekken, terwijl de andere in dichten
drom aanstormt. Het kan niet missen of ge brengt water mee.
~Ouderling.~ Ge ziet het, niemand antwoordt.
~Judith~ (_tot het volk_). Wat moet ik hiervan denken? (_na een
pauze_) En toch verheugt het mij. Als ge niet den moed hebt het op
te nemen tegen een paar honderd soldaten, dan zult ge ook niet zoo
vermetel zijn den Heer tot wrake uit te dagen door uw misdadige hand
uit te strekken naar zijn altaarspijzen.
~Ouderling.~ Het is noodig. Honderdvoudig zal het vergoed worden. Dat
andere is te bedenkelijk. Een geopende poort ware de doodwond der
stad. Ook David at van de heilige brooden en hij at zich niet den
dood.
~Judith.~ David was een gewijde des Heeren. Wilt ge eten als David,
zoo wordt ook eerst als David. Eet en drinkt, maar heiligt u eerst.
~Een uit het volk.~ Waarom luisteren we toch naar haar?
~Ander.~ Schaamt je die het niet doen. Lijkt ze niet een engel?
~Een derde.~ Zij is de godvruchtigste vrouw in de stad. Zoolang het
ons goed ging, zat ze stil in haar kamertje; heeft ooit iemand haar in
het openbaar gezien behalve als zij ging bidden of offeren? Maar nù,
nu we op het punt staan te vertwijfelen, verlaat ze haar huis en loopt
tusschen ons om ons moed in te spreken.
~Vorige.~ Zij is rijk en bezit veel goederen. Maar weet ge wat zij
ééns gezegd heeft? »Ik beheer die goederen slechts, zij behooren den
armen.« En zij zègt dat niet alleen, zij dòet het. Ik geloof dat zij
alleen daarom geen man meer neemt, omdat zij dan zou moeten ophouden
de moeder der behoeftigen te zijn. Als de Heer ons helpt, doet hij het
om harentwil!
~Judith~ (_tot Achior_). Gij kent Holofernes; vertel mij van hem.
~Achior.~ Ik weet dat hij dorst naar mijn bloed, maar denk niet dat ik
hem zal smaden. Wanneer hij met geheven zwaard voor mij stond en mij
toeriep: »Doodt mij, anders dood ik jou!«... ik weet niet wat ik zou
doen.
~Judith.~ Dat is uw gevoel. Hij had u in zijn macht en heeft u vrij
gelaten.
~Achior.~ Neen, dat is het niet! Dat brengt mij éér in opstand. Het
bloed stijgt mij naar de wangen, wanneer ik er aan denk, hoe gering
hij een man moet achten, dien hij zelf, met de wapenen in de hand, tot
zijn vijanden stuurt.
~Judith.~ Hij is een tyran.
~Achior.~ Ja, maar hij werd geboren om het te worden. Men houdt
zichzelf en de wereld voor niets wanneer men bij hem is. Eens reed ik
met hem door het meest woeste gedeelte van het gebergte. Wij komen aan
een kloof, breed en duizelingwekkend diep. Hij geeft zijn paard de
sporen, maar ik grijp het bij den teugel, wijs op den afgrond en zeg:
»hij is bodemloos«. »Ik wil ook niet er in, maar er òver!« roept hij
en waagt den vreeselijken sprong. Nog éér ik volgen kan is hij alweer
omgekeerd en naast mij. »Ik dacht daar een bron te zien,« zeide hij,
»en wilde drinken, maar het was niets. Laten we onzen dorst maar
verslapen.« Meteen werpt hij mij de teugels toe, springt van zijn
paard en slaapt. Ik kon mij niet bedwingen; ik steeg eveneens af,
raakte zijn gewaad aan met mijn lippen en plaatste mij tegen de zon,
dat hij schaduw had. Schande over mij! Zoozeer ben ik zijn slaaf dat
ik hem prijs wanneer ik over hem spreek.
~Judith.~ Houdt hij van vrouwen?
~Achior.~ Ja, maar niet anders dan van eten en drìnken.
~Judith.~ Vloek over hem!
Achior. Wat zegt ge?--Ik heb een vrouw gekend, eene van mijn eigen
volk, die krankzinnig werd omdat hij haar versmaadde. Zij sloop zijn
slaapvertrek binnen en trad plotseling, toen hij zich juist te bed
gelegd had, met getrokken dolk dreigend vóór hem.
~Judith.~ En wat deed hij?
~Achior.~ Hij lachte, lachte net zoolang tot zij zichzelf doorstak.
~Judith.~ Heb dank, Holofernes. Slechts aan deze ééne zal ik hoeven te
denken om moed te hebben als een man.
~Achior.~ Wat hebt ge?
~Judith.~ O, stijgt voor mij op uit uw graven, gij, die hij liet
vermoorden, dat ik in uw wonden zie; treedt vóór mij, gij die hij
onteerd heeft en slaat de voor eeuwig toegevallen oogen nog één keer
op, dat ik er in lezen kan hoeveel hij u schuldig is! Allen zult
ge betaald worden. Doch waarom denk ik aan u, waarom niet aan de
jongelingen die zijn zwaard nog vreten, aan de maagden die hij in zijn
armen nog verpletteren kan! Ik wil de dooden wreken en de levenden
beschermen! (_tot Achior_) Ben ik voor een offer niet schoon genoeg?
~Achior.~ Nooit zag men uwsgelijke.
~Judith~ (_tot den ouderling_). Ik heb iets bij Holofernes te doen.
Wilt ge de poort voor mij doen openen?
~Ouderling.~ Wat zijt ge van plan?
~Judith.~ Niemand mag het weten als de Heer onze God.
~Ouderling.~ Zoo zij Hij met u. De poort staat voor u open.
~Ephraim.~ Judith, Judith! Nooit kun je het volvoeren!
~Judith~ (_tot Mirza_). Heb je moed mij te vergezellen?
~Mirza.~ Ik zou nog minder den moed hebben u alleen te laten gaan.
~Judith.~ En heb je gedaan wat ik je beval?
~Mirza.~ Wijn en brood heb ik hìer. 't Is maar weinig.
~Judith.~ Het is nog te veel.
~Ephraim~ (_voor zich_). Had ik dat kunnen vermoeden, dan had ik haar
woorden gehoorzaamd. Wreed word ik gestraft.
~Judith~ (_gaat een paar schreden, keert zich dan nog eens tot het
volk_) Bidt voor mij, als voor een stervende! Leert den kleinen
kinderen mijn naam en laat ze voor mij bidden. (_Zij gaat op de poort
toe, die geopend wordt. Zoodra zij buiten is zinken allen, behalve
Ephraim, op de knieën_).
~Ephraim.~ Ik wil niet bidden dat God haar bescherme. Ik zal haar zelf
beschermen! Zij gaat het hol van den leeuw binnen; ik geloof dat ze
het alleen doet omdat ze verwacht dat alle mannen haar zullen volgen.
Ik volg, als ik sterf, sterf ik immers alleen maar een beetje eerder
dan de anderen. Misschien keert zij nog wel om. (_af_).
~Delia~ (_in groote ontsteltenis op_). Wee, wee!
~Een ouderling.~ Wat is er?
~Delia.~ De stomme! De vreeselijke stomme! Hij heeft mijn man gewurgd!
~Een stem.~ Dat is de vrouw van Samaja.
~Ouderling~ (_tot Delia_). Hoe is dat gebeurd?
~Delia.~ Samaja kwam met den stomme thuis. Hij ging met hem in de
achterkamer en grendelde de deur. Ik hoorde Samaja luid spreken en den
stomme kreunen en snikken. Wat zou er toch zijn, denk ik; sluip naar
de kamerdeur en luister door een kier. Ik zie den stomme zitten met
een scherp mes in de hand; Samaja staat naast hem en doet hem hevige
verwijten. De stomme zet zich het mes op de borst, ik stoot een gil
uit van ontzetting omdat ik zie dat Samaja hem niet in zijn razernij
stuit. Maar opeens werpt de stomme zijn mes weg, stort zich op Samaja,
sleurt hem met bovenmenschelijke kracht tegen den grond en pakt hem
bij de keel. Samaja kon hem niet van zich afhouden en worstelt met
hem. Ik roep om hulp. Buren komen er bij, de deur, die van binnen
gegrendeld was, wordt ingetrapt. Te laat. De stomme heeft Samaja al
gewurgd; als een beest woedt hij nog tegen den doode en lacht als hij
ons ziet binnenkomen. Toen hij mij aan mijn stem herkende werd hij
stil. Op zijn knieën schuift hij naar mij toe. »Moordenaar« roep
ik.--Hij wijst met den vinger naar den hemel; zoekt naar het mes op
den grond, raapt het op, reikt het mij over en duidt op zijn borst,
alsof hij wilde dat ik hem zou doorsteken.