en het vorig raadsbesluit tot mijne vordering, wanneer ik achttien
jaar bereikte, om de verwachte begeerte niet langer door achterblijven
terug te stellen, ten einde ik door gevolmachtigden den plicht van
Eersten Edele, ten besten dezer Staat, dankelijk voldoen mag. Dit is
niet buyten verstand met de overige Landschappen, byzonder _Holland_,
nastappende de goede voorbeelden onzer Doorluchte vaderen."
Het geschal der trompetten en het donderen van het geschut liet
zich nu hooren en de Voorzitter bood den Prins een flesch met gouden
dukaten aan, als hulde van _Zeeland_; waarna Zijne Hoogheid zich in
volle statie naar de "Abdy" begaf.
Nog denzelfden dag schreef de Prins een brief aan zijne grootmoeder,
waarin hij haar kennis gaf van zijn vertrek naar _Zeeland_, alwaar
hij zijne goederen wilde bezien, als zijnde het de gewoonte, dat
alle vasallen met hun zestiende jaar hunne leenen kwamen verheffen
(goederen ontvangen) van de grafelijkheid. In _Holland_ had de tijding
van 's Prinsen benoeming verschillende uitwerking. De Oranjepartij
deed openlijk hare blijdschap over die verheffing blijken, terwijl de
aanhangers der Staatspartij het den Prins zeer euvel duidden, dat hij
naar een ander gewest was verreisd, zonder er den Staten van _Holland_
kennis van te geven; ja zelfs waren er, die durfden beweren, dat hij
zich ondankbaar toonde jegens _Holland_, dat hem zooveel weldaden
had bewezen.
Onze Prins echter dacht er op dit oogenblik weinig aan, hoe de zaak in
_Holland_ zou worden opgenomen. Hij was bezig zich te kleeden voor het
diner, dat hem dezen middag door de Staten op het stadhuis zou worden
aangeboden. Juist was hij daarmede gereed, toen zijn kamerdienaar hem
kwam berichten, dat er een meisje was, hetwelk hem wenschte te spreken.
"Zeg haar, dat ik geen tijd heb--dat ik niet te spreken ben."
"Dat heb ik haar reeds gezegd, Uwe Hoogheid. Maar zij laat zich
niet terugwijzen en heeft mij instantelijk gebeden, Uwe Hoogheid te
verzoeken, haar te woord te staan."
De Prins, die zich tegenover het vrouwelijk geslacht nooit op zijn
gemak bevond, die daarenboven op dit oogenblik in geen stemming was om
zich met andere zaken bezig te houden, antwoordde min of meer knorrig:
"Welnu, dan zegt gij haar nogmaals, dat ik vandaag niet te spreken
ben. Laat haar morgen terugkomen."
De kamerdienaar ging: doch kwam spoedig terug en bracht zijner Hoogheid
een ring mede.
"De deern heeft mij dezen ring voor Uwe Hoogheid gegeven," zeide
hij. "Als Uwe Hoogheid dien zag, zou Zij haar wel te woord staan."
De Prins nam den ring, bezag dien en zeide:
"Laat het kind in mijn kamer. Ik ken dien ring. Zij heeft mij zeker
iets belangrijks mede te deelen."
Weinige minuten later trad de Prins zijn kamer binnen, waar
Martha--want mijne lezers zullen wel begrepen hebben, dat zij het
was--hem reeds met ongeduld verbeidde. Zoodra zij Zijne Hoogheid zag,
barstte zij nu in tranen los. Deze bevond zich daardoor nog minder
op zijn gemak. Intusschen vermande hij zich en zeide:
"Wie ben je? Wat moet je van mij? Hoe kom je aan dezen ring?"
Het meisje droogde hare tranen af.
"Uwe Hoogheid!" riep zij uit. "Ik ben de zuster van Pieter
Pietersz. Mijn arme broeder zit in de gevangenis."
"In de gevangenis? Wat heeft hij dan gedaan?"
"Niets, Uwe Hoogheid! Niets."
"Maar men zet iemand toch niet in de gevangenis, wanneer hij niets
gedaan heeft."
"En toch is hij onschuldig, Uwe Hoogheid."
"Onschuldig, en in de gevangenis. Dat komt mij verdacht voor. Waarvan
beschuldigt men hem dan?"
"Van moord, Uwe Hoogheid. Zij zeggen, dat mijn arme broeder Pieter een
moordenaar is. Maar Uwe Hoogheid zal dat toch niet gelooven. Zij weet,
dat Pieter een brave jongen is."
De Prins, die wel bemerkte, dat hij met Martha niet vorderde, begreep,
dat hij zijn tijd nutteloos verspilde, indien zij niet tot de zaak
kwam.
"Zeg mij dan, meisje," hernam hij ongeduldig, "wat er gebeurd is en
waartoe je bij mij komt."
"Uwe Hoogheid weet, dat mijn broeder door Uwe aanbeveling als tweede
meesterknecht aan de werf der Admiraliteit was geplaatst. Drie
maanden geleden kreeg de eerste meesterknecht, die reeds oud was,
zijn pensioen en benoemden de heeren van de Admiraliteit mijn broeder
in zijne plaats. Hij had nu meer onmiddellijk te doen met den baas van
de werf, een man van een ongemakkelijk humeur en met wien hij dikwijls
onaangenaamheden had. Intusschen bleven de zaken altijd binnen de
palen. Een dag of acht geleden echter had er zulk een hevige twist
plaats, dat de baas zich niet ontzag, hem een slag te geven."
"En zulks dien driftkop van een Pieter!" riep de Prins uit. "Toen
heeft Pieter hem zeker een ongelukkigen slag toegediend."
"Neen, Uwe Hoogheid," hernam Martha. "Dat zou misschien het geval zijn
geweest (want Pieter is driftig) indien niet de kameraads tusschenbeide
waren gekomen, en hem van den baas hadden weggescheurd. Uwe Hoogheid
kan zich voorstellen, hoe woedend Pieter was. In zijn drift zwoer
hij bij hoog en bij laag, dat het den baas zou berouwen en dat
hij het hem betaald zou zetten. Maar Uwe Hoogheid weet ook, dat
driftige menschen niet wraakzuchtig zijn. Zoo is het ook met onzen
Pieter. Als hij zich omkeert, is hij weer goed. Intusschen kon hij
dien slag toch niet verkroppen, en deelde mij mede, dat hij van
plan was, den baas bij de Admiraliteit aan te klagen en te verzoeken
om verplaatsing. Ik trachtte hem dat uit het hoofd te praten; maar
het gelukte niet. Hij kleedde zich aan en ging de deur uit naar den
President der Admiraliteit. Hij vond dien echter niet thuis, zooals
hij mij verhaalde, toen hij terugkwam."
"En hoe staat dat nu in verband met de beschuldiging?"
"Den volgenden morgen werd mijn arme Pieter met schout en dienders de
deur uitgehaald. Men had het lijk van den scheepstimmermansbaas op den
singel vinden liggen, met een messteek doorboord. Nu had men den twist
van den vorigen dag met de woorden van Pieter in verband gebracht, en,
daar de moord juist moest hebben plaats gehad in den tijd, dat mijn
broeder naar den President der Admiraliteit was, zoo begreep men,
dat zij elkander ontmoet hadden, en de twist opnieuw begonnen was;
ja, sommigen gingen zelfs zoo ver, van te beweren, dat Pieter hem
had opgewacht, om zoo zijn wraakzucht te koelen."
"Daar heeft het dan ook veel van, meisje," zeide de Prins "en uw
broeder zal zich moeielijk uit deze zaak redden. Zijn ontkennen zal
hem weinig helpen."
"Maar Uwe Hoogheid gelooft toch niet, dat Pieter schuldig is?"
"Ik kan noch over zijne schuld, noch over zijne onschuld beslissen,"
hernam de Prins. "Maar wat voert je tot _mij_?"
"Ik hoorde gisteravond, dat Uwe Hoogheid te _Middelburg_ was
aangekomen, en ging van morgen reeds vroeg naar de gevangenis, om het
Pieter mede te deelen. Toen gaf hij mij den ring, dien Uwe Hoogheid
hem eens had geschonken, en bad mij, naar U toe te gaan, met de bede
om hem te hulp te komen. Begrijp eens, Uwe Hoogheid! men heeft hem
reeds met de pijnbank gedreigd."
"Met de pijnbank!" zeide de Prins bedenkelijk. "Hoor eens, meisje,"
ging hij voort. "Ik zal doen wat ik kan. Maar je weet: het recht moet
zijn loop hebben, en als je broeder schuldig is, kan ik er niets aan
doen. Zeg hem intusschen, dat ik hem morgen kom bezoeken."
"Uwe Hoogheid zal mijn armen Pieter in zijn gevangenis bezoeken!" riep
Martha uit, terwijl zij de hand van den Prins greep en die kuste. "In
trouwe, dat zal den goeden jongen een groote troost zijn!"
"Ga nu heen! Hier is de ring van je broeder. Wacht!--Ga naar den
schout en verzoek hem uit mijn naam, tot geen pijnlijke middelen over
te gaan alvorens ik hem gesproken heb."
"Ik dank Uwe Hoogheid!" zeide Martha. "God moge haar zegenen voor
hetgeen zij aan mijn broeder doet!"
Onder den maaltijd sprak de Prins met den Pensionaris De Huybert,
die advokaat was, over zijn gunsteling, en verzocht hem, zich met een
onderzoek van die zaak te belasten. Daar de Pensionaris den Prins den
volgenden dag naar _Vlissingen_ zou vergezellen, waar Zijne Hoogheid
de werven der Admiraliteit in oogenschouw zou nemen, was dat een
gemakkelijke zaak. Ook beloofde de Pensionaris den Prins, hem in de
gevangenis te vergezellen en den gevangene zelf te ondervragen.
't Was den volgenden dag een vreugde in _Vlissingen_, toen de Prins
daar kwam. Nadat Zijne Hoogheid, door al de leden der Admiraliteit
vergezeld, de werven bezichtigd had, begaf Zij zich met den heer
De Huybert naar den Schout, en liet zich de stukken betreffende
de rechtzaak van Pieter geven. Toen de Pensionaris de akten had
doorgelezen, zeide hij:
"Mijnheer de Schout! Er bestaan hier geene termen, die u van rechtswege
dwingen, tot de pijnbank over te gaan. Wel is waar, de beklaagde
_persisteert_ [45] bij zijne onschuld. Maar gij hebt geen andere
_presumptie_ [46], dan een twist, een ontvangene beleediging en eenige
woorden in drift geuit. Het vorige leven van den jongeling _prouveert_
[47] tegen de misdaad. Ook bestaat er--en dat verzoek ik u vooral te
_considereeren_ [48],--volstrekt geen _corpus delicti_ [49] en waar
dat ontbreekt en geen getuigen zijn om de misdaad te _confirmeeren_
[50] schrijft de wet eerder voorzichtigheid voor dan pijn en banden."
"Daarbij komt," merkte de Prins aan, "dat de beklaagde bij mij bekend
staat als een driftkop, die echter zich niet omkeert, of de toorn is
bedaard. Wraakzucht is nooit zijn zwak geweest." En de Prins verhaalde
het gebeurde op het veldijs.
"Gij ziet, mijnheer de Schout," hernam de Pensionaris, "dat er hier
_premissen_ [51] bestaan, die genoeg _prouveeren_, dat naar alle
waarschijnlijkheid de misdaad niet is gepleegd door den beklaagde:
omdat er sprake is van moord met _voorbedachten rade_. Mijns erachtens
[52] moogt gij de pijnbank niet _appliceeren_ [53]."
"Het oordeel van UEdelgestrenge is mij een wet," zeide de
Schout. "Intusschen geloof ik, dat er geene _motieven_ [54] bestaan
tot vrijspraak."
"Dat volstrekt niet," hernam de Pensionaris. "De voorzichtigheid
eischt, den gevangene te houden tot er meerdere bewijzen zijn tot zijne
loslating. Zoo lang blijven er zware _presumptiën_ tegen hem bestaan."
Op dit oogenblik werd den Schout een verzegelde brief overhandigd.
"Daar is haast bij," zeide de klerk, die den brief overreikte. "Een
bode, die hem bracht, heeft mij aanbevolen, UEd. dien terstond te
overhandigen met de boodschap om hem onmiddellijk te lezen."
De Schout nam den brief aan, en zich tot den Prins wendende, zeide hij:
"Met uw verlof, Uwe Hoogheid!"
"Ga uw gang, heer Schout," antwoordde de Prins. "Dienstzaken gaan
vóór alles."
De Schout las, en onder het lezen helderde zijn gelaat op.
"Uw gunsteling is vrij, Uwe Hoogheid!" zeide hij. "De ware moordenaar
is ontdekt."
"Wat zegt gij?" riep de Prins uit.
"Lees zelf, Uwe Hoogheid!" antwoordde de Schout.
De Prins nam den brief en las:
Uyt Zierikzee, den 19den van Herfstmaend, 1668.
Edele, gestrenge, Erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere!
Mitsdien het eene sake van groot gewicht is, recht ende
gerechtigheyt te bevorderen, zo sy UEd. mitsdezen gemelt,
dat de persoon van Pieter Pietersz, die by UEd. in detensie
is zittende, onder presumptie van vermoord te hebben den
scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, aen dat forfeit ten eenemale
onschuldig is. Het bovenstaende sal UEd. duidelijck blijcken
uyt nevensghaende confessie, door den waren schuldighen
gedaen aen my in presentie van twee getuyghen, waervan is acte
opgemaeckt door my, Schoute van de goede stadt van _Zierikzee_.
UEd. aenbevelende in de hoede en de gunst des Hemels, versoeck
ik UEd. my te geloove.
Edele, gestrenge, erentfeste, welwijze zeer voorzienige Heere
Uwen Dienstwilligen Dienaer
en oprechten vrund
Jan Douwes de Beer.
De Prins las den brief en de ingesloten akte, waarvan wij alleen den
inhoud willen mededeelen.
Den avond van den 17den September, had er tusschen een paar matrozen en
twee andere personen in de herberg "de Schiemansmaat" te _Zierikzee_
een gevecht met messen plaats gehad, waarbij een der vechtenden,
de ons bekende Jan IJzer, doodelijk was gewond. De geneesheer, die
geroepen was, verklaarde dan ook aan den gewonde, dat hij nog slechts
weinige uren te leven had, en zond hem een predikant. De stervende
nu, in den grootsten doodsangst zijnde, bekende den geestelijke,
dat hij kort geleden een moord had begaan, waarvoor een onschuldige
in de gevangenis zat. De predikant maande hem aan deze zaak aan de
bevoegde autoriteit mede te deelen, en zorgde dan ook dat de Schout
met twee getuigen aan zijn sterfbed kwam, aan welke hij de volgende
bekentenis deed:
Meer dan een jaar geleden, had Jan IJzer op de werf der Admiraliteit
als knecht gewerkt, doch op diefstal betrapt, was hij door den
scheepstimmerman Adriaan Roelofsz, ondanks zijn smeeken, aan de
bevoegde autoriteit overgeleverd, die hem daarvoor tot geeseling op het
schavot had veroordeeld, welke straf hij dan ook had ondergaan, kort
voor Pieters komst op de werf. Daarna uit de stad en hare jurisdictie
verbannen, had hij elders een goed heenkomen moeten zoeken; terwijl
hij echter in zijn hart zwoer, te eenigen tijde wraak te nemen op
den onbarmhartigen Roelofsz. Met dit doel was hij, toevallig op den
dag van den twist tusschen Pieter en den scheepstimmermansbaas, in
het geheim te _Vlissingen_ gekomen, om zijn opzet te volvoeren. Hij
wist, dat Adriaan Roelofsz, om van de werf naar zijn huis te komen,
den singel moest loopen en had hem op de donkerste en eenzaamste
plaats opgewacht en vermoord. Voor hij den volgenden dag vertrok,
vernam hij de gevangenneming van Pieter en de zware verdenking, die er
op dezen rustte. Volkomen gerust, dat men nu hem niet van den moord
kon verdenken, verliet hij den volgenden dag tegen den avond de stad
en had zich naar _Zierikzee_ begeven, alwaar hij dien bewusten avond
in den ons bekenden twist werd gewond. Zóó slecht nu was onze Jan
niet, dat hij met een dubbelen moord op zijn geweten de eeuwigheid
had durven ingaan. Het overige is ons bekend. Hij toonde innig berouw
over zijne zonden, en stierf omtrent twee uren daarna. Schout De Beer,
vreezende, dat het anders te laat mocht komen, had zich gehaast de
akte op te maken en die met den bijliggenden brief door een bode naar
_Vlissingen_ laten brengen.
Toen de Prins beide stukken gelezen had, zeide hij:
"Mijnheer de Schout, gij kunt mij een dienst bewijzen."
"Ik, Uwe Hoogheid? Spreek, en als het in mijne macht staat U genoegen
te doen, zal het van mij niet afhangen."
"Reeds vooraf dank voor Uwe goedheid," hernam de Prins. "Leen mij voor
een paar uren deze papieren, en geef mij een bevel van vrijstelling
voor den gevangene."
"Uwe Hoogheid heeft slechts te bevelen," antwoordde de Schout. "Ik
zal Haar dadelijk het bevel van vrijlating opmaken."
"Ga uw gang," hernam de Prins. "Ik zal er op wachten."
"Welnu, Uwe Hoogheid," zeide de Pensionaris. "Had ik ongelijk, toen
ik U zeide, dat er meer doorslaande bewijzen voor de schuld des
beklaagden moesten zijn?"
"Ik bewonder Uwer Edelheids diepe rechtskundige kennis. Indien ik
daarvan niet overtuigd geweest ware, zou ik dan van U de moeite hebben
gevergd, die ik van U heb gevraagd?"
"Uwe Hoogheid te dienen zal steeds het hoogste voorwerp van mijn
streven zijn," hernam de Pensionaris.
"Ik dank U, mijnheer de Pensionaris. En uw aanbod maakt mij zoo vrij,
nogmaals van Uwe goedheid gebruik te maken en U te verzoeken, mij
naar den President der Admiraliteit te vergezellen."
"Het zal mij een singuliere eer zijn, Uwe Hoogheid," was het antwoord
van den Pensionaris.
Op dit oogenblik kwam de Schout met het beloofde vrijlatingsbiljet
binnen en overhandigde het den Prins.
"Ik dank U, mijnheer de Schout," antwoordde deze, terwijl hij opstond
om heen te gaan. "Ik kan er nu zeker van zijn, dat de gevangene niet
los komt, vóór ik hem ga halen."
"Daarvan kan Uwe Hoogheid ten volle verzekerd zijn," gaf de Schout
ten antwoord, terwijl hij den Prins naar de karos geleidde, die
hem wachtte.
Op het oogenblik, dat de karos zou wegrijden, wenkte de Prins den
Schout, die met ontblooten hoofde op zijn stoep stond.
"Nog een verzoek, mijnheer de Schout," zeide hij. "Wees zoo goed,
te zorgen, dat de zuster van den gevangene zich bij hem in den kerker
bevindt. Over een uur denk ik hem te verlossen. Dat echter alles een
diep geheim blijve."
Wij treden ongeveer een uur later in de gevangenis van Pieter
binnen. Het is een treurig verblijf, zooals de gevangenissen trouwens
gewoonlijk zijn. Een houten bank en een strooleger zijn het geheele
ameublement, terwijl een aarden kruik met water op den grond staat
en het nog onaangeroerde zwarte brood aantoont, dat de arme jongeling
weinig appetijt heeft. Treurig en in zich zelf verzonken zit hij daar
op de ruwe bank; gisteren toch bij het laatste verhoor heeft de Schout
hem met de pijnbank gedreigd. Die pijnbank was een vreeselijk werktuig,
nog uit de middeleeuwen afkomstig, waarop de ongelukkige werd gelegd en
zijne ledematen zoolang werden uitgerekt, of door schroeven verwrongen
en gekneld, tot hij bekende--niet altijd wat hij gedaan had, maar ook
dikwerf wat men wilde dat hij bekennen zou. Zou hij bij de ontkenning
der hem toegelegde misdaad kunnen volharden, of zouden de pijnen
hem dwingen tot de bekentenis van een daad, waaraan hij geheel en al
onschuldig was?--En als hij bekende--dan werd zijn doodvonnis geveld,
dan kon hij de dagen wel tellen, die hij nog te leven had. En dan te
sterven--zoo jong, zoo levenslustig!--En dan zóó te sterven--op een
schavot, onder beulshanden!--Vreeselijk!--Maar Martha had hem beloofd,
naar den Prins te gaan, die in _Middelburg_ was. Zou die gang wat
uitwerken? Wat zou Zijne Hoogheid er aan doen?--Zou die bij machte
zijn, het recht te keeren?--Daartoe immers ontbrak Haar de macht.
Deze en dergelijke gedachten vervulden de ziel van onzen armen
Pieter, en maakten hem angstig. Hij vouwde de handen, sloot de oogen
en bad--bad lang en vurig tot God om uitredding, smeekte Hem om hem
kracht te schenken in de verdrukking en zijn onschuld aan het licht
te brengen. Bemoedigd stond hij op; want er is niets dat den mensch
meer moed schenkt in het ongeluk, dan het gebed. Dat had Pieter reeds
van zijn vader geleerd, dat had zijne brave Admiraal hem zoo dikwerf
ingeprent,--dat had hij dan ook reeds meermalen ondervonden. Hij
wandelde eenige malen zijn engen kerker op en neer, toen hij den
grendel van zijn deur hoorde afschuiven. De deur ging open, en Martha
stond voor hem.
"Daar doe je goed aan, Martha!" zeide Pieter, "dat je mij komt
vertroosten. En heb je den Prins gezien? Heb je hem gesproken? Geloofde
hij aan mijn onschuld, of hield hij mij voor schuldig?"
"Ik zou je reeds vroeger bezocht hebben," antwoordde Martha, "maar
toen ik van morgen aan je gevangenis kwam, weigerden zij mij den
toegang. Nu echter ben ik door een dienaar van den Schout geroepen,
om bij je te komen. Wat wil je van mij?"
"Ik?"--hernam Pieter. "Ik weet er niets van. Maar antwoord mij op
mijne vragen. Hoe heb je het bij den Prins gevonden?"
Martha verhaalde hem hare ontmoeting met den Prins. Toen zij geëindigd
had zeide Pieter:
"Zal Zijne Hoogheid mij komen bezoeken? En heeft hij dat gezegd?--Maar"
... vervolgde hij treurig, "zou hij zijn woord houden? Ach,
Martha! zulke groote heeren weten zoo weinig, wat een arm mensch
lijdt."
"Zijne Hoogheid _zal_ woord houden," hervatte Martha. "Reeds het
verzoek, dat ik van morgen uit zijn naam aan den Schout heb gedaan,
heeft je voor heden van de pijnbank bevrijd. Hoop dus."
"Hopen, Martha! En de Prins zelf heeft gezegd, dat hij er niets aan
zou kunnen doen en dat het recht zijn loop moest hebben."
"Dat is waar--doch.... Luister, daar komen menschen. Ik hoor stappen
in de gang. Zou het Zijne Hoogheid zijn?"
"Misschien wel.--Is hij dan reeds hier?"
"O, ja--reeds van morgen gekomen. Hij heeft de werven der Admiraliteit
bezocht. Hij ..."
Martha kon niet voleindigen wat zij wilde zeggen; want de deur ging
open en de Prins gevolgd, door den Pensionaris De Huybert, den Schout
en twee heeren der Admiraliteit, trad de gevangenis binnen.
"Pieter Pietersz," begon de Prins, terwijl zijn gelaat van dat innige
genoegen straalde, hetwelk men ondervindt als men wéldoet. "Pieter
Pietersz, ik breng je goede tijding!"
"Goede tijding, Uwe Hoogheid! Zal men dan eindelijk overtuigd zijn,
dat ik geen moordenaar ben?"
"Dat zou je weinig baten, mijn vriend," hernam de Prins. "Dan zou
men je bij gebrek aan bewijzen loslaten en geheel _Vlissingen_ zou
je houden voor den moordenaar van Adriaan Roelofsz."
Pieter liet het hoofd zakken.
"Ik breng je betere tijding," hervatte de Prins. "Je onschuld is aan
het licht gekomen; want de ware schuldige is ontdekt."
"Gode zij dank!" riep de jongeling uit, en deze tijding ontstelde hem
zoo zeer, dat hij schier bewusteloos op de bank nederzonk. Martha
ondersteunde hem. Spoedig echter herstelde hij zich, trad naar den
Prins toe, greep diens hand en overdekte die met zijne kussen.
"En Uwe Hoogheid zelf wilde mij met deze tijding verrassen!" riep
hij uit. "En ik ben dus vrij? Vrij! Groote God! Men moet gevangen
zijn geweest, om te weten, wat dat woord beteekent."
"Je bent vrij, Pieter!" hernam de Prins, "en weer hersteld in je
eer. Daarvoor zal mijnheer de Schout zorg dragen. Intusschen--je
hebt veel geleden, mijn arme jongen! en ik meende, dat eene
kleine vergoeding je wel toekwam.--Pieter Pietersz," ging de Prins
voort, terwijl hij hem een papier overreikte, waaraan een zegel
in was hing. "De Admiraliteit kent je als een kundig timmerman
en als een ijverig en bezadigd mensch. Zij kent je als eerlijk
en rechtschapen; zij weet dat je den scheepsbouw in den grond
verstaat.--Pieter Pietersz, hier overhandig ik je je aanstelling als
scheepstimmermansbaas, in plaats van den vermoorden Adriaan Roelofz,
op de werf der Admiraliteit van _Zeeland_."
Op deze woorden zonk Pieter op eene knie; ook Martha wierp zich aan
de voeten van den Prins en omklemde die.
"Mijn weldoener!" stamelde Pieter.
"Engel in menschengedaante!" riep Martha.
"Stil, stil," zeide de Prins. "Je zoudt mij haast spijt doen krijgen,
dat ik hier gekomen ben. Staat op. Alleen voor Hem moet men knielen,
voor wien wij allen gelijk zijn."
"Hoe zal ik Uwe Hoogheid ooit kunnen vergelden, wat zij voor mij
gedaan heeft!" riep Pieter, opstaande uit.
"Dank er God voor, Pieter! die op zulk eene wonderbare wijs je onschuld
aan het licht heeft doen komen. Dezelfde, dien je als knaap eens het
leven hebt gered, is nu door Gods bestuur, de redder van je eer en
je leven geworden."
"Jan IJzer?" riep Pieter uit.
"Juist, Jan Jansz. IJzer was de moordenaar. Op zijn sterfbed heeft hij
het bekend. Maar nu--ga met mij. Ik zelf zal je op de werf brengen,
waar deze Heeren je zullen installeeren, terwijl mijnheer de Schout je
in je eer zal herstellen. Ook jij moet mede, edel meisje!" vervolgde
hij tegen Martha. "Je bent getuige geweest van zijn vernedering en
schande,--je zult het nu zijn van zijne verhooging en zijne eer."
Aan de deur der gevangenis gekomen, was het daar zwart van menschen,
die niet alleen den Prins wilden zien, maar ook wilden weten, wat Zijne
Hoogheid in de gevangenis mocht hebben gedaan. Maar, hoe verwonderd
zij ook stonden, toen de Prins den van moord verdachten Pieter en
diens zuster Martha bij zich in de karos nam, er klonk een luid:
"Vivat! lang leve de Prins van Oranje!" uit aller mond. De karos van
den Prins werd door een andere gevolgd, waarin de vier heeren zaten,
die Zijne Hoogheid vergezeld hadden. Spoorslags reed men naar de werf,
waar alles nog groen gemaakt en versierd was als het dien morgen was
geweest ter eere van den Prins.