goede uitwerking. Pieter werd op de werf der Zeeuwsche admiraliteit
aangesteld als tweede meesterknecht, met een goed inkomen en het
vooruitzicht op bevordering. Martha, wiens broeder Jacob intusschen
gehuwd was, vergezelde hem naar _Vlissingen_, om zijne huishouding
waar te nemen.
Gij zult wel nieuwsgierig wezen, hoe het met Buat afliep. Ik zal het u
meedeelen. De leden van het Hof waren wel gestemd om een zacht vonnis
te vellen, vooral, omdat hij eigenlijk geen landverraad had gepleegd,
maar slechts misbruik had gemaakt van het vertrouwen, dat De Witt in
hem had gesteld. De Staten van _Holland_ evenwel, door De Witt daartoe
aangezet, begrepen de zaak anders, en maanden het Hof ten ernstigste
aan, om een krachtig vonnis te spreken. Daarbij kwam, dat men Buat door
een boosaardige list van een zijner rechters beroofde, den Raadsheer
Van der Graaf, die der Oranjepartij was toegedaan. Op zekeren dag
namelijk, dat genoemde Raadsheer van het Hof kwam, verzocht hem iemand,
uit naam van Buat, even bij den gevangene te komen. Hieraan voldoende,
vond hij Buat ongesteld en zeer verwonderd over zijne komst, daar de
boodschap niet van hem was uitgegaan. Na, in tegenwoordigheid van den
cipier, een paar woorden met den gevangene gewisseld te hebben, verliet
Van der Graaf de Gevangenpoort en ging naar huis. Den volgenden dag
stond in een nieuwsblad, dat een der Raadsheeren zich niet ontzien had,
de gevangene te bezoeken. Het Hof ondervraagde daarop Van der Graaf,
die de toedracht der zaak verhaalde. Diensondanks werd hij gedwongen,
zich niet verder in dit rechtsgeding te wikkelen.
Van deze stem beroofd, die waarschijnlijk nog een of twee andere zou
hebben overgehaald, werd de ongelukkige Ritmeester veroordeeld te
worden gestraft met den zwaarde, zoodat er de dood na volgt. Dit
vreeselijke vonnis werd op Maandag den 11den October aan hem
voltrokken.
De Raadsheer Kieviet, diens vrouw (zooals gij weet, de zuster van
Tromp) en de Burgemeester van _Rotterdam_, Van der Horst, werden mede
in dit rechtsgeding gewikkeld, omdat zij Buat tot schrijven hadden
aangezet en ettelijke brieven hadden gelezen. De eerste, zooals ik
u reeds gezegd heb, ten lande uitgeweken, werd ter dood, zijne vrouw
tot een zware geldboete en Van der Horst tot verbanning veroordeeld,
terwijl hunne goederen werden verbeurd verklaard.
De terechtstelling van Buat, gevoegd bij de afzetting van Tromp, deed
bij de Prinsgezinden den haat tegen De Witt nog toenemen. Zoover
zelfs ging men, dat men hem den noodlottigen uitslag van den
tweedaagschen zeeslag weet. De Engelschen intusschen, nu open zee
hebbende, maakten daarvan gebruik, om eenige koopvaardijschepen in
het _Vlie_ weg te nemen en op het eiland _Terschelling_ te landen,
waar zij het dorp _West-Terschelling_ in brand staken en de weerlooze
bewoners mishandelden.
Hoe gehavend onze vloot ook was, koos die weder zee om de Engelschen
te tuchtigen; doch door ziekte onder het scheepsvolk en door stormen
werd zij genoodzaakt terug te keeren, zonder iets verricht te hebben.
Het terugzenden van het lijk van Barclay gaf aanleiding tot
vredesonderhandelingen. Een zware brand te _Londen_, die van den
twaalfden tot den zeventienden September duurde, een groot gedeelte
der stad in de asch legde en millioenen schats vernielde, maakte,
dat men in _Engeland_ zeer naar den vrede verlangde. Tot de plaats
der onderhandelingen werd _Breda_ gekozen. Intusschen hoopte De Witt
vooraf nog de geledene nederlaag en den brand van _Terschelling_
op luisterrijke wijze te wreken, en had dus gezorgd, dat onze vloot
goed uitgerust en volkomen van alles voorzien was.
't Was een koude en langdurige winter, en daardoor konden onze
schepen eerst laat in het voorjaar uitloopen. De Staten-Generaal
hadden weder goedgevonden, dat gemachtigden van hunnentwege den
tocht zouden bijwonen. Daar de andere gewesten tegen de onkosten der
uitrusting opzagen, had alleen _Holland_ er een benoemd. Dewijl nu
de Raadpensionaris, die in persoon bij de vredesonderhandelingen te
_Breda_ tegenwoordig moest zijn, dien tocht niet kon bijwonen, had
men diens ouderen broeder, Cornelis de Witt, Ruwaard van _Putten_,
Burgemeester van _Dordrecht_ en lid van de Admiraliteit der _Maas_,
die betrekking opgedragen. Deze was een man van persoonlijken moed
en wel bekend met het zeewezen. Het ware doel van den tocht werd
intusschen zoo geheim gehouden, dat zelfs de listige en schrandere
d'Estrades er niet achter kon komen.
Door storm in haren voortgang vertraagd, kwam de vloot eerst den
17den Juni in het _Koningsdiep_ ten anker. Van hier werd Van Gent
met 17 schepen vooruitgezonden naar den _Theems_, om de daarliggende
koopvaardijschepen aan te tasten en te vermeesteren. De Ruwaard
zelf begaf zich op het schip van Van Gent om de onderneming te
besturen. Daar echter die schepen tijdig genoeg de rivier waren
opgezeild, begaf zich het smaldeel naar de _Medway_, ook wel de rivier
van _Chattam_ of _Rochester_ genoemd. Aan den mond dier rivier lag
de sterkte _Sheernesse_, die door Van Brakel en twee andere kapiteins
beschoten en zonder veel moeite bemachtigd werd. Het fort werd geslecht
en wat er bruikbaars in werd gevonden, onder de schepen verdeeld. Bij
onderzoek bleek, dat de Engelschen twee groote schepen en vijf branders
hadden laten zinken, om de doorvaart te beletten. Van Gent zond nu
kapitein Tobias met vier schepen, drie jachten en twee branders de
rivier op, om een weg te banen. Dit gelukte; doch eensklaps vond
Tobias zich gestuit door een dikken ijzeren ketting, die aan beide
oevers vastgehecht, over de rivier gespannen was. Achter dezen ketting
lagen de "Unity", daarachter de "Carolus Quintus", "de Matthias" en
de "Monmouth"; terwijl het schieten uit het kasteel _Upnor_ en van de
beide oevers het verder opzeilen belemmerde. Kapitein Tobias zag zich
dus genoodzaakt, van de onderneming af te zien, en waarschijnlijk zou
het geheele plan mislukt zijn, had niet een omstandigheid aanleiding
gegeven tot het uit den weg ruimen van alle hinderpalen. De Ruwaard had
den kapiteins op lijfstraf verboden, iemand van hun scheepsvolk aan
land te laten gaan. Kapitein Jan van Brakel had dit bevel overtreden
en was op last van De Witt gevangen genomen. Vreezende zijn hoofd te
zullen verliezen, begreep hij, dat hij zich door een waagstuk moest
vrijkoopen. Hij bood dus aan met zijn schip, een slecht fregat, de
"Unity" aan boord te klampen, de branders bij te brengen en het eskader
een doortocht te verschaffen. De Ruwaard nam dit aan, Van Brakel werd
ontslagen, en mocht weder aan boord gaan. Terstond zeilt hij vooruit,
door den nauwen doorgang en de Nederlandsche schepen heen, vervolgt,
met de beide branders achter zich, onder het hevige kruisvuur van
den vijand zijn tocht en schiet niet, alvorens hij bij de "Unity"
is. Nu geeft hij het fregat de volle laag, klampt het aan boord en
is er in weinige oogenblikken meester van.
Thans bleef nog de eenige hindernis, de keten, over. De Kommandeur Van
den Rijn, die een der beide branders aanvoerde, zeilde er met zulk
een geweld tegen aan, dat de zware ijzeren ketting doormidden brak,
waarna hij zich terstond aan den daarachter liggenden "Matthias"
hechtte, welken hij in brand stak. De andere branders kwamen nu ook
door de gemaakte opening heen en trachtten den "Carolus Quintus" in
brand te steken. Doch deze schoot hen beide in den grond, echter niet
dan nadat een daarvan het schip in brand had gestoken. Van Brakel,
met een paar sloepen daarbij gekomen, beklom nu het vaartuig, nam
een gedeelte der manschap gevangen en liet het schip aan de vlammen
over. Hierop namen de Vice-admiraal De Liefde en kapitein Tobias de
door zijne manschap verlatene "Royal Charles," het admiraalsschip,
een der grootste en schoonste bodems der Engelsche vloot, reeds ten
tijde van Cromwell gebouwd en in 1660 gebruikt om koning Karel II
naar Engeland over te brengen. Nu lag de "Mary" aan de beurt, die
mede verbrand werd.
Daar intusschen de eb was ingevallen, moest men met de vermeestering
van de vier overige koningsschepen, die hooger op de rivier lagen,
tot den volgenden dag, 23 Juni, wachten. Maar dat was weder een
waagstuk. De Ruyter echter, door De Witt van de hoofdvloot ontboden,
besloot het te beproeven. Zeven branders, naar de schepen afgezonden en
door evenveel oorlogsvaartuigen begeleid, zeilden de rivier op, midden
door het geweldige kruisvuur van het kasteel _Upnor_ aan de eene en van
een zware batterij, aan de andere zijde der rivier gelegen, heen. Ook
De Ruyter zelf sprong in een sloep om de onderneming te besturen,
en de Ruwaard, dit ziende en evenmin bevreesd voor de vijandelijke
kogels, besloot hem te vergezellen. De "Jacoba" en de Royal Oak", twee
schepen elk van tachtig stukken, werden door twee branders vernield;
terwijl een andere den "Loyal London" in brand stak. De kapitein van
de "Royal Oak" verkoos niet van zijn schip af te gaan. "Nog nooit,"
zeide hij, "heeft een Douglas (hij was een Schot en uit dit edele
huis) den hem toevertrouwden post verlaten." En hoe men hem smeekte,
zich te redden--hij liet zich met zijn vaartuig verbranden.
Gij kunt u voorstellen, welk een schrik en ontzetting deze tocht
in _Londen_, ja in geheel _Engeland_ verbreidde. In de hoofdstad
werkte die zoozeer op de gemoederen, dat men daar reeds zijne
kostbaarste goederen borg en op de vlucht sloeg. Doch spoedig
werden zij gerustgesteld; want reeds den volgenden dag zeilden onze
schepen, tevreden met het behaalde voordeel en verzekerd, dat men den
Engelschman nu voor lang schrik had ingeboezemd, naar de hoofdvloot
terug, waarmede De Ruyter een tijd lang den _Theems_ gesloten bleef
houden. Van Brakel genoot de eer, de beide veroverde schepen, de
"Unity" en de "Royal Charles" naar het Vaderland te voeren.
De Ruwaard ontving van de Staten een gouden beker, waarop de
onderneming was afgebeeld, benevens een rentebrief van f 30,000,
De Ruyter een dergelijken beker en Van Gent f 12,000 en een gouden
gedenkpenning. Ook de andere scheepshoofden werden voor de door hen
bewezen diensten beloond.
De tocht naar _Chattam_ bewerkte, wat de Raadpensionaris er mee
bedoeld had: niet alleen hadden wij een belangrijke revanche genomen
voor den brand van _Terschelling_, maar ook de vredesonderhandelingen
werden er door bespoedigd en weldra ten einde gebracht. Het was dan
ook reeds op den 31sten Juli van datzelfde jaar 1667, dat de vrede
met _Engeland_ te _Breda_ werd gesloten en zoo een einde maakte aan
den tweeden Engelschen oorlog.
Reeds eenige weken vóór het sluiten van den vrede te _Breda_, was
Lodewijk XIV, koning van _Frankrijk_, in de _Spaansche Nederlanden_
gevallen. Deze inval, waarbij d'Estrades de medewerking der Staten
eischte, omdat _Frankrijk_ ons, zoo het heette, in den oorlog tegen
_Engeland_ had ondersteund, deed de noodzakelijkheid ontstaan om
ons leger te velde te vergrooten en over dat leger een veldoverste
te benoemen. Geen wonder, dat de Oranjepartij weder het oog op den
Prins had geslagen, die nu reeds bijna zeventien jaren was. De
Witt begreep dan ook, dat hij den Prins niet altijd daar buiten
zou kunnen houden, en daartoe verzon hij een list, waardoor ten
minste de verheffing van Willem Hendrik tot Stadhouder ten eenenmale
onmogelijk zou worden. Hij maakte een staatsstuk, inhoudende, dat
elke toekomstige Kapitein-admiraal of Generaal zou zweren, nooit naar
eenig Stadhouderschap te zullen staan. Dit stuk, bekend onder den
naam van _Eeuwig Edict_, waarbij de waardigheid van Stadhouder voor
alle eeuwigheid in _Holland_ vernietigd werd, terwijl in de andere
provinciën geen Stadhouder ooit Kapitein-admiraal of Generaal zou
kunnen zijn, werd den 5den Augustus door de Staten van _Holland_
aangenomen. Nu zult ge wellicht denken, dat men den Prins terstond
tot de hoogste krijgswaardigheden verhief. Verre van daar. Wel werden
er benoemingen gedaan, maar Zijne Hoogheid kwam niet in aanmerking;
immers er was bij vroegere resolutiën bepaalt, dat hij vóór zijn
twee-en-twintigste jaar geen hooge krijgsambten zou mogen bekleeden.
Nog vloeide uit den inval van Lodewijk XIV in de _Spaansche
Nederlanden_ voort het sluiten van een verbond, om _Frankrijk_ tot den
vrede met _Spanje_ te noodzaken, en dat, daar het tusschen onzen Staat,
_Engeland_ en _Zweden_ werd gesloten, den naam van Triple-alliantie
of drievoudig verbond draagt. De bewerkers van deze alliantie, die
den 28sten Januari 1668 werd vastgesteld, waren Johan de Witt en de
beroemde Engelschman, de ridder William Temple.
Wij gaan Dinsdag den 7den Februari van datzelfde jaar nog eens naar
den Prins. Maar wij vinden hem nu niet op het _Binnenhof_, ook niet
op het hof van _Brandwijk_,--wij zullen hem op een geheel andere
plaats aantreffen. Wij gaan naar het _Buitenhof_, en wel naar de
toenmalige hofstallen, "paardenberijdersstal" genaamd. "O," zegt
gij, "dan had de Prins zeker weer nieuwe paarden gekocht, die hij
den ouden Heenvliet wilde laten zien." Mis geraden! Vooreerst was
de oude Heenvliet reeds dood; hij was kort na de terechtstelling
van Buat gestorven. Maar ten tweede ziet gij in den geheelen stal
noch paard noch karos; integendeel, al de paarden en karossen zijn
naar andere stallen verhuisd, de stal is schoongemaakt, door baas
Balkenende met planken bevloerd en met meer dan achthonderd zitplaatsen
voorzien. Die zitplaatsen nu zijn geen ruwe houten banken, zooals in
onze kermistenten; zij zijn keurig netjes en met kussens voorzien;
want behalve de leden der Staten-Generaal, de leden van den Raad
van State en van de Rekenkamer, de gekommitteerden van _Holland_,
zijn de aanzienlijksten van den lande genoodigd; zelfs de Prins van
_Toskane_, die te _Antwerpen_ logeert, is voor dezen avond expresselijk
overgekomen. De wanden zijn rondom met keurige tapijten behangen,
hier en daar zijn reusachtige spiegels aangebracht, rondom welke
kunstig gekweekte bloemen; duizenden waskaarsen zijn op de zilveren
luchters en armblakers geplaatst,--alles is keurig netjes ingericht
en getuigt van den rijkdom van den Prins van _Oranje_, die dit alles
bekostigd en er duizenden aan besteed heeft. Maar wij hebben niet alles
gezien. Tegenover de zitplaatsen is een prachtig tooneel opgericht,
insgelijks met tapijten behangen en waarop aan de eene zijde, keurig
geschilderd, de vredemaagd staat met zeven pijlen in de hand, die de
drie Brittannische koninkrijken, aan den anderen kant van het tooneel
geplaatst, tot eeuwige vriendschap schijnt uit te noodigen. Ziet,
daar worden de kaarsen opgestoken--straks zullen de hooge gasten
binnentreden. Reeds komen de muzikanten.
Maar er is nog meer te zien. Gaan wij achter het tooneel in die
beide kamers. In de eene vinden wij herders en herderinnen, boeren
en boerinnen, visschers en geniussen; allen verkleede dienaars van
den Prins of tot deze gelegenheid gehuurd. Ieder van hen heeft een
papier in de hand, waarop zijn rol staat. Het zijn echter allen
zwijgende personen. In de andere kamer vinden wij een aanzienlijker
gezelschap. Het is of wij op den Olympus zijn, zoo wemelt het hier
van goden en godinnen. Ook zij houden hunne rollen in de hand,
maar het zijn sprekende. En die goden en godinnen--het zijn wel geen
hemelsche wezens--maar toch zijn het de goden der aarde, de grooten
des lands. Begeven wij ons in hun midden; misschien hooren wij nog
het een en ander, wat ons belang inboezemt.
God Mercurius zit in een gemakkelijken armstoel; op de tafel naast hem
ligt de gevleugelde slangenstok en de helm met vlerken. Gij herkent
hem terstond. Het is Willem Hendrik van _Oranje_, de ontwerper en
uitvoerder van deze tooneelvertooning (die men toen _dans_ noemde).
Vóór Zijne Hoogheid staat een dame, wier dik middel en gevuld lichaam
verraadt, dat zij niet tot de sekse behoort, welke zij voorstelt. Een
paar groote vleugelen, aan hare schouders vastgehecht, en de blinkende,
lange bazuin, die zij in de hand houdt, doen ons haar erkennen voor
De Faam. Het is de Heer Van Obdam. Hij is in druk gesprek gewikkeld
met God Mercurius, maar niet over hemelsche zaken, o neen, over
zeer aardsche.
"Uwe Hoogheid heeft vier schoone paarden van Haren oom, Zijne
Majesteit den koning van _Engeland_ ten geschenke gekregen," begint
hij. "Ik hoor, dat 's Konings stalmeester de hertog van Ormont ze
heeft overgebracht."
"Gij hebt het reeds gehoord, Obdam," antwoordt de Prins. "Het zijn
juweelen van beesten, gij moet ze eens komen zien. Mijn oom heeft
mij zeker willen troosten voor de smart, die hij wellicht meent, dat
mij het Eeuwig Edict veroorzaakt.--Van het Eeuwig Edict gesproken,
Obdam! Zeg mij, is het waar, dat men den voorzittersstoel op de Rol
van het Hof heeft weggenomen?"
"Dien stoel met de wapens van uw huis?" vraagt Obdam. "Ik heb daar
niets van vernomen. Doch daar komt Van der Lek; hij zal het Uwer
Hoogheid wel kunnen zeggen."
Inderdaad komt de maagd van _Holland_, in het geschubde pantser met
den wapenrok aan en de sandalen aan de voeten, met den koperen helm
op het hoofd, de speer in de eene en het schild met den klimmenden
leeuw in de andere hand, zeer deftig en gratieus aanwandelen.
"Zeg eens Van der Lek," zegt de Prins. "Is het waar, dat men den
voorzittersstoel op de Rol van het Hof heeft weggenomen?"
"Zoo is het, Uwe Hoogheid!" antwoordt deze, en voegt er met fijne
vleierij bij: "Men zal hem willen schoonmaken, tegen den tijd, dat Uwe
Hoogheid er op zitten moet. Er was in de jaren, dat hij leeg stond,
zooveel onedel stof opgekomen."
"Hoofsche vleier!" dreigt de Prins. "En dat moet ik uit den mond van
_Holland_ hooren."
"Tijd baart rozen, Uwe Hoogheid," herneemt Van der Lek. "Er zal
een tijd komen, dat _Holland_ u zal waardeeren, zooals ik, haar
representant, u waardeer. Maar zie eens," vervolgt hij, terwijl
hij naar twee andere dames wijst, den Heer Du Ha (de tweedracht) en
den Heer Lauron (de vrede), die beiden in druk gesprek door de kamer
wandelen. "Als wij hier niet op den Olympus waren, zou men zich bijna
verbeelden, dat het duizendjarig rijk was gekomen. De tweedracht en
de Vrede wandelen daar samen als vriendinnen. Laat toch de fakkel
der eene den palmtak des anderen niet verbranden."
"Geen nood, Van der Lek," zegt de Prins. "De fakkel brandt nog
niet. Straks mag Lauron voorzichtig zijn."
"Voorzeker, Uwe Hoogheid!" zegt Valkenburg, die _Engeland_ moet
voorstellen. "Maar nu _Engeland_ zoo dicht bij _Holland_ komt te staan,
en zij elkander niet eens de tanden laten zien,--nu heeft de fakkel
van de tweedracht ook geen gevaar voor den vredepalm."
"Gij hebt gelijk, Valkenburg," hervat de Prins. "En wat zegt gij van
mijne nieuwe paarden?"
"Ik zag ze van middag, Uwe Hoogheid, en ik durf zeggen dat ik er
trotsch op ben, den edelen god des koophandels iets te hebben mogen
schenken, wat zijner waardig is."
"Nu zal _hij_ er zich nog de eer van toeëigenen," zegt Van der Lek.
"De Hollandsche maagd gelieve te bedenken, dat mijn zoon de koning
van _Groot-Brittannië_, de schenker is van dat heerlijke vierspan."
"Het is waar ook," herneemt Van der Lek lachend. "Ik dacht er niet aan,
dat gij Engeland voorstelt."
"En ik heb vernomen, dat Uwe Hoogheid mijner dochter der koningin
van _Engeland_, een kostbaar tegengeschenk zal zenden."
"O, die babbelaars!" zegt de Prins. "Dat heeft mijn stalmeester
u verteld."
"Inderdaad, zal Uwe Hoogheid een tegengeschenk zenden?" vraagt
Obdam. "En als ik vragen mag, waarin zal dat bestaan?"
"Herinnert gij u nog die prachtige teekening van een narrenslede,
die ik u gisteren liet zien, Obdam?" vraagt de Prins.
"In den vorm van een vergulden, liggenden leeuw?" zegt Obdam. "O
voorzeker."
"Welnu, ik heb er zoo een besteld. Maar natuurlijk zal het geheel
met tal van koninklijke kronen prijken. Het paardentuig met gouden
franje en kwispels, en 500 vergulde zilveren bellen zal daarbij zeer
goed staan. Ik verlang natuurlijk, dat het niet te wereldkundig worde."
Een page komt binnen en zegt:
"Uwe Hoogheid! De gasten zijn er allen. Het is zeven uren. Beveelt
Uwe Hoogheid dat er begonnen worde?"
"Ga de personen in de andere kamer waarschuwen en laat ieder zich
op zijn post begeven, opdat zij gereed staan, als het scherm wordt
opgehaald. Mijne Heeren! Maakt u gereed."
En door De Faam geholpen, zet de Prins zijn Mercuriushoed op, neemt
zijn staf in de hand en begeeft zich achter het tooneel, om te kunnen
verschijnen, als het zijn tijd is.
Daar de zaal echter niet groot genoeg was om meer gasten te bevatten,
herhaalde men den volgenden Dinsdag de tooneelvertooning en noodigde,
onder andere personen, ook de hoven van justitie uit. Doch deze,
gebelgd dat zij op de napret verzocht werden, bedankten. Ook voeren de
predikanten er van den predikstoel tegen uit en noemden haar openlijk
zondig; zoodat (zegt Aitsema) het bal duizenden had gekost en toch
maar onrust gaf.
Eer ik dit Hoofdstuk sluit, moet ik nog een trek van edele
onbaatzuchtigheid van den Raadpensionaris verhalen. De Witt kreeg van
de Ridderschap f 15,000, van de Hollandsche steden f 42,000. Toen men
hem van wege de Staten-Generaal een cadeau van f 100,000 wilde geven,
wist hij dat door zijn invloed te beletten.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Wat er met den Prins in Zeeland voorviel.
Het was in de maand September 1668. 's Prinsen goeverneur, de Heer Van
Gendt, was om familie-aangelegenheden naar _Gelderland_. Hiervan maakte
de Prins, die binnen twee maanden zijn achttiende jaar zou bereiken
en dan van alle voogdij ontslagen zijn, gebruik tot het maken van
een uitstapje, van hetwelk hij aan geen zijner educatoren kennis gaf.
Onder het voorgeven van eenige jachthonden en valken te willen
probeeren hem door zijn koninklijken oom Karel II geschonken, was
hij heimelijk uit _Den Haag_ vertrokken en had zich met het jacht van
Hare Hoogheid de Prinses-weduwe naar _Bergen-op-Zoom_ begeven. Daar
wachtte hem, volgens afspraak, een ander jacht, van de gecommitteerde
Raden van Zeeland, waarop zich eenige van de voornaamste Heeren van
die provincie bevonden, om Zijne Hoogheid te ontvangen.
Met dit vaartuig voor het hoofd van _Arnemuiden_ gekomen, zond men
een edelman naar _Middelburg_, om de Heeren Staten en gecommitteerde
Raden van 's Prinsen aankomst te verwittigen, die spoedig daarop in
een menigte met vlaggen en wimpels versierde sloepen Zijne Hoogheid
kwamen afhalen. Zes vendels burgers met hunne vaandels en muziek,
stonden bij zijne aankomst te _Middelburg_ in twee rijen geschaard,
om hem te ontvangen, en door die dubbele rijen heen en omstuwd van de
edelsten van _Zeeland_, wandelde hij naar de "Abdy," die voor hem in
orde was gebracht, waar hij zijn intrek nam en waar Pieter de Huybert,
Pensionaris van _Zeeland_, hem met een aanspraak welkom heette.
Het was een vreugdedag voor de goede stad _Middelburg_. De geheele
bevolking poogde, door het uitsteken der vlaggen, algemeene illuminatie
en het branden van vreugdevuren, hare blijdschap aan den dag te leggen
over de komst van den jeugdigen vorst en van hare gehechtheid aan
het geliefde stamhuis van _Oranje_.
Den volgenden dag, Dinsdag den 18den September, werd de Prins in statie
afgehaald door eenige afgevaardigden en geleid naar de Vergadering
der Staten van _Zeeland_, te midden van het uitbundig gejuich eener
overgroote volksmenigte, die, evenals den vorigen dag, de lucht deed
daveren van hun: "Leve de Prins!" en "Oranje boven!"
In de vergadering gekomen, werd hij geleid naar de voor hem bestemde
eereplaats, en verklaarde de Pensionaris De Huybert uit naam der
Staten, dat _Zeeland_ altijd geijverd had voor de verheffing van den
Prins, dat _Holland_ steeds door zijne oppermacht was tusschenbeide
getreden, maar dat dan nu ook eerstgenoemde provincie wenschte gebruik
te maken van een recht, dat geen ander gewest haar kon ontnemen, dat
zij den Prins wenschte te verheffen tot eerste edele van _Zeeland_. De
Prins beantwoordde deze rede met de volgende aanspraak: