"Dat zou ik meenen," zeide Pieter. "Maar ik was liever boven, om den

dood mijns ooms op die Engelschen te wreken."

"Je bent hier even nuttig, Pieter, want jij zorgt er voor, dat wij

niet verdrinken. Het zal toch nu maar de zaak zijn, om ons leven en

ons schip te redden. Vaarwel, Pieter! Misschien voor eeuwig!"

"God behoede je en je dapperen vader!" zeide Pieter, terwijl hij

Jonker Engel de hand drukte; waarop deze naar boven snelde, om aan

de zijde zijns vaders te strijden en hem den laatsten groet van Klaas

Dirksz over te brengen.

Van Nes hield zijn woord en deed wat hij kon, om achter De Ruyter te

blijven en met hem de vijanden af te weren. Zoo weken zij al vechtende,

terwijl zij hun koers naar de Zeeuwsche stroomen richtten. Omstreeks

's morgens negen uren kregen zij _Westkapelle_ in het gezicht. De

Engelsche Admiraal Monk intusschen, vurig hopende de eer te hebben

den grooten zeeheld gevangen te nemen, drong al meer en meer met

zijne grootste macht op hem aan. Omtrent twaalf uren op den middag

zond hij een brander op hem af, die "De zeven Provinciën" zoo na kwam,

dat er geen ontkomen meer scheen te zijn. Maar ook in den hoogsten nood

verloor de Admiraal zijn tegenwoordigheid van geest niet. Terstond gaf

hij bevel om vier sloepen te bemannen met volk uit vier schepen. In

De Ruyters sloep begaven zich ook op zijne aanmaning de vier Fransche

heeren. Nu hing het behoud van De Ruyters schip, ja van de gansche

vloot aan een zijden draad. Gelukkig werd de brander, die zoo groot

was dat hij wel een oorlogsfregat geleek, vernield en door zijn volk

verlaten, waaraan de vier Fransche edelen niet weinig toebrachten.

Wel was nu dat gevaar afgewend, doch kort daarna kwam Monk met

verscheidene andere Engelsche schepen zoo dicht bij De Ruyters

vaartuig, en gaven zij in het voorbijzeilen telkens zoo geducht

de volle laag, dat alles scheen te barsten en te breken. Nooit was

onze zeeheld zoo moedeloos geweest als thans. "Hoe ben ik dan toch

zoo ongelukkig?" riep hij tot zijn schoonzoon De Witte, die naast

hem stond. "Is er dan onder zooveel duizenden kogels niet een, die

mij wegneemt!"--"Vader!" zeide De Witte, "hoe kunt ge zoo moedeloos

zijn en zulk een wanhopige taal voeren? Wenscht gij te sterven,

welnu, laat dan den steven wenden, storten wij ons te midden van de

vijanden en sterven wij den heldendood!" Deze taal werkte; De Ruyter

zag het verkeerde daarvan in. "Witte," zeide hij, "gij weet niet,

wat gij zegt. Als ik dat deed, dan zou alles verloren zijn; maar als

ik er mij zelf en deze schepen behouden kan afbrengen, dan kan men

het werk hervatten." Gelukkig daagde er uitkomst. Men was nu zoo

dicht bij de Zeeuwsche kust, dat de Engelsche Admiraal, vreezende

dat zijne schepen op de zandbanken zouden vastraken en stranden,

het sein tot den aftocht gaf en met zijne vloot weder zee koos.

Den volgenden dag kwam ook Tromp met zijn smaldeel de haven van

_Vlissingen_ binnen en begaf zich terstond met Zweers en Van der

Zaan aan boord van De Ruyter. Hij had met de zijnen zijn best gedaan;

want toen de voorhoede aan den slag raakte, was hij even ver van De

Ruyter verwijderd als deze van Evertsen, en hij werd evenzeer door

de windstilte verhinderd, het centrum te naderen. Door de Engelsche

achterhoede onder Smith aangegrepen, hadden hij en de zijnen zich

met de oude dapperheid gekweten en een zwaren strijd te verduren

gehad. Hij had zich dus onmogelijk bij De Ruyter kunnen voegen, en

meende nu allen lof in te oogsten. Verwonderd stond hij te kijken,

toen De Ruyter hem toevoegde:

"Komt de heer Luitenant-admiraal eens kijken, of ik nog in leven

ben? Inderdaad--het heeft aan U niet gelegen; integendeel--gij

hebt dapper uw best gedaan, om mij met 's lands vloot in handen der

Engelschen te leveren."

"Ik, Admiraal?" vraagde Tromp verbaasd. "Of meent Uwe Edelheid soms,

dat ik werkeloos gelegen heb, of lafhartig gevlucht ben?"

"Indien ik dat meende, Mijnheer Tromp," zeide De Ruyter, "zou ik u

gevangen hebben laten nemen als een verrader. Maar zonder lafhartig

te zijn, kan men wel tegen de krijgstucht zondigen. Waarom zijt gij

niet bij de vloot gebleven? Waarom afzonderlijk gestreden? Of meendet

gij alleen meer roem te behalen, dan onder mijne vlag?"

"Indien ik mij deswege te verantwoorden heb, zal het aan mijne meesters

de Heeren Staten zijn," zeide Tromp trotsch.

"Daar zult gij gelegenheid toe hebben," hernam De Ruyter. "Ik heb Hunne

Edel-Groot-Mogenden een getrouw verslag gezonden van het gebeurde, en

U niet gespaard, evenmin als u, mijne heeren Zweers en Van der Zaan!"

"Uwe Edelheid moet weten wat Zij doet," antwoordde de laatste. "_Wij_

hebben onzen plicht gedaan en zijn aan onzen eed getrouw geweest."

Op dit oogenblik verloor De Ruyter zijne gewone bedaardheid, en voer,

in tegenwoordigheid van al het scheepsvolk, uit tegen Zweers en Van

der Zaan. Beide mannen zwegen, ofschoon zij onschuldig waren, daar

zij slechts hunne vlag hadden gevolgd. Maar Tromp kon niet zwijgen.

"Hadt gij U even goed gekweten, als wij," zeide hij, "dan zouden wij

de overwinning behaald hebben. En had ik de achterhoede der Engelschen

niet afgesneden, het zou met U gedaan zijn geweest. Dan zat gij nu

in _Londen_ als krijgsgevangene."

"Wij zullen niet verder over de zaak twisten, mijnheer Tromp,"

hernam De Ruyter, die zijne bedaardheid had herkregen. "Zooals gij

gezegd hebt, de Heeren Staten zullen tusschen ons beslissen en over

ons oordeelen. Wat mij aangaat,--ik schroom het oordeel van mijne

meesters niet."

"Ik ook niet," hervatte Tromp, terwijl hij De Ruyters boord

verliet. "Ofschoon," mompelde hij half verstaanbaar, "de lieveling

wel gelijk zal krijgen en de arme aanhanger van het Prinsenhuis

achterstaan!"

Zoodra hij aan zijn boord gekomen was, schreef Tromp twee brieven, een

aan de Staten-Generaal en een aan de Staten van _Holland_, waarin hij,

op krachtigen maar bitteren toon, zijn gedrag poogde te rechtvaardigen

en De Ruyter te beschuldigen; terwijl hij aan het slot van zijn brief

zeide, "dat--indien hij dan, na al zijne getrouwe diensten voor een

schelm moest worden uit gekreten--hij zijn ontslag verzocht, daar

het thans geen tijd was, om schelmen te gebruiken."

Gij kunt u voorstellen, welk een onaangenamen indruk dat schrijven,

vooral bij de Staten van _Holland_, verwekte. Daarbij kwam nog, dat

de Heer Kievit, gecommitteerde Raad van _Rotterdam_ (uit den mond

van den Heer van Sommelsdijk, die op het schip van Tromp den laatsten

zeeslag had bijgewoond, de bijzonderheden daarvan vernomen hebbende)

een verslag opstelde, waarin hij het gedrag van Tromp hoog opvijzelde

en dat van De Ruyter erg gispte. Dit stuk had hij laten drukken en

verspreiden. Hierover door de Staten van _Holland_ ter verantwoording

geroepen, waagde hij het niet, voor hen te verschijnen, maar vluchtte

het land uit. Ook benoemde men een commissie, aan welker hoofd de

Raadpensionaris stond, om de beschuldigingen te onderzoeken, welke de

beide Admiralen tegen elkander hadden ingebracht. Met staatkundige

voorzichtigheid wilde deze commissie niet beslissen, aan wien de

schuld lag doch gaf als haar gevoelen op, dat het belang van den Staat

eischte, een der beide Admiralen te ontslaan. De Staten aarzelden

geen oogenblik, om in deze netelige zaak te beslissen en zonden aan

Tromp het bericht, dat zijne aanstelling als Luitenant-admiraal was

ingetrokken; terwijl hem tevens verboden werd, zich naar de vloot

te begeven, omdat men een opstand vreesde van het aan hem zoozeer

gehechte scheepsvolk.

Dit besluit omtrent Tromp deed den haat tegen de heerschende partij

geducht toenemen. Tot eer van den zeeheld moeten wij zeggen, dat

hij het aanbod, hem door d'Estrades, den Franschen gezant, gedaan om

tegen een aanzienlijk jaargeld koning Lodewijk XIV te dienen, van de

hand wees, terwijl hij zeide, dat hij liever in zijn vaderland als

vergeten burger wilde leven, dan met eer en rijkdom overladen, een

vreemden vorst dienen. In zijne plaats werd tot Luitenant-admiraal

van _Holland_ benoemd Willem Jozef Van Gent.

Keeren wij nog een oogenblik naar De Ruyter terug. Zeer waarschijnlijk

was zijne geheele familie naar _Vlissingen_ gekomen, om den dierbaren

man en vader te zien, wiens bijzijn zij zoo lang hadden moeten

ontberen. Wij lezen ten minste, dat zijn jongste dochtertje, dat den

13den September haar elfde levensjaar zou bereiken, een engelachtig,

veelbelovend kind, ziek werd aan een besmettelijke ziekte en daaraan

op den 24sten Augustus stierf. Hoe smartelijk dit verlies den braven

man aandeed, hij onderwierp zich met de gelatenheid eens christens aan

Gods wil en poogde zijne droefheid door zijne gewichtige en gedurige

bezigheden te lenigen.

Wij begeven ons nu in het begin van de maand September weder naar

's-_Gravenhage_, waar wij den Prins vinden in een vertrek, genaamd "de

kamer van educatie." Het is eene uiterst eenvoudig gemeubelde kamer,

aan beide zijden met ramen voorzien. Naast de deur, die in een hoek

is, staat een boekenkast, die tot aan de zoldering reikt en waarvoor

groote saaien gordijnen hangen, waarvan het eene, dat opengeschoven is,

een rijke verzameling van boekwerken doet bespeuren, in kalfslederen,

hoornen en half lederen banden gebonden; bovenaan de duodecimo's en

octavo's, lager de kwarto's en onderaan de folianten. Tegenover dezen

muur is de groote marmeren schoorsteen, boven welken een schilderstuk

van Honthorst. Aan de rechterzijde van den schoorsteen bevindt zich een

deur, evenals de andere met een groen saaien gordijn behangen om tocht

te beletten; aan de andere zijde staat een kleiner kastje, waarin een

atlas van Blaeuw [42], eenige kaarten en de boeken, die in dagelijksch

gebruik zijn; terwijl daarop een aard- en hemelglobe prijken en de

busten van Seneca en Socrates, beide in marmer. In het midden der kamer

staat een met groen laken bedekte tafel, waarop een zilveren inktkoker,

eenige versneden ganzenpennen en de noodige boeken en papieren. Dit is

"de kamer van educatie," waar Zijne Hoogheid dagelijks les krijgt van

zijn praeceptor Borneus, die hem in de historica (geschiedenis) en

politiek (staatkunde) institueert (onderwijst); terwijl een ander den

Prins les geeft in de mathesis, en de Raadpensionaris alle Maandagen

komt, om hem het Nederlandsche staatsrecht te onderwijzen en tevens

onderzoek te doen naar zijne vorderingen.

Het is nu ook op een Maandag in September, dat wij Zijne Hoogheid

aan de met een groen kleed bedekte tafel vinden zitten, met den arm

onder het hoofd en praktizeerende over een der rekenkunstige opgaven

uit de vernieuwde cijfferinge van Willem Bartjes, tweede druk, in

1648 uitgegeven, twaalf jaren na den eersten. Verdrietig werpt hij

het boek van zich af en neemt de in 1653 uitgekomen Arithmetica van

B. Stockman en A. W. Wassenaar ter hand, maar zoo het schijnt met

geen beter gevolg.

Op dit oogenblik komt de Raadpensionaris binnen.

"Uwe Hoogheid schijnt in een kwade luim," begint hij. "Eilacy, is

zij boos op die onschuldige boeken?"

"Op die boeken, zegt Uwe Edelheid?" antwoordt de Prins, "Vergeef mij,

dat ik U tegenspreek--ik was knorrig op mij zelf."

"Maar dan moesten die boeken het toch ontgelden," herneemt De

Witt lachend. "In trouwe, het gaat wel meer zoo in de wereld. De

onschuldigen moeten het gelag betalen."

"Gelukkig dat die boeken het niet voelen," zegt de Prins. "Maar ik

zou mij wel voor het hoofd willen slaan."

"Bedaar wat, bedaar wat, mijn jonge vriend!" vermaant De Witt. "Dan

zoudt gij maar hoofdpijn krijgen.--Doch vertel mij, wat is de oorzaak

van uwe ontevredenheid met U zelf?"

"Ach mijnheer De Witt!" klaagt de Prins. "Ik ben zoo dom..."

"Gelukkig, dat Uwe Hoogheid zulks gevoelt, en nog gelukkiger, dat

de Heeren Staten Haar de gelegenheid hebben geschonken om knap te

worden. Maar waarin was Uwe Hoogheid zoo dom?"

"In de arithmetica; mijnheer De Witt. Meer dan een uur heb ik zitten

denken over deze opgaven. Zie, ik _kan_ ze niet vatten."

"Doodeenvoudige voorstellen," hervat De Witt, nadat hij ze gelezen

heeft. "Kom hier," vervolgt hij, terwijl hij de lei neemt en gaat

zitten. "Ik zal ze U eens voorrekenen." En terwijl hij den Prins

de opgaven uitlegt en ze hem voorrekent, heeft hij ze in weinige

minuten opgelost.

"Ziet Uwe Hoogheid wel, dat de arithmetica de gemakkelijkste zaak

der wereld is?"

"Voor uwe Edelheid, ja," antwoordt de Prins. "Maar voor een zwak

hoofd als het mijne...."

"Geduld slechts, Uwe Hoogheid! het zal wel beter gaan."

"Het zijn zulke vervelende sommen in die boeken! Wat moeten de menschen

die ze gemaakt hebben, allervervelendste wezens zijn."

De Witt kon zich niet onthouden van te glimlachen.

"Komaan," zegt hij, terwijl hij een papier uit den zak haalt. "Schrijf

dan eens dit voorstel op; ik zal het u voorzeggen."

De Prins neemt een pen, doopt die in en schrijft hetgeen De Witt hem

voorzegt [43].

"Aen den tooren van Babylon hebben gewerckt 333,227 menschen, en sy

hadden daeraen gewerckt 2 jaer, 7 maenden en 3 daghen, toen sy door

de verwerring van hunlieder tael verstroyt wierden; de hooghte van

dien tooren was toen 2 mijlen 3200 roeden; men vraegt, hoeveel tijts

30000 menschen zouden moeten besteden, om, even naerstig werckende,

sulk een tooren op diezelfde hooghte te brengen."

De Prins denkt een oogenblik na. Zijn gelaat verheldert zich.

"Die vraag is gemakkelijk op te lossen, mijnheer De Witt."

"En hoe zult gij dat doen?"

De Prins zegt het hem: maar daar ik gaarne zag, dat ook mijne lezers

er hunne krachten aan beproefden, zoo deel ik het hun niet mede.

"Zeer goed," zegt De Witt. "En hoe komt het dan, dat Uwe Hoogheid nu

zoo vlug in het oplossen is?"

"Omdat.... Omdat Uwe Edelheid niet zoo'n vervelend wezen is als de

makers van die cijferboekjes," antwoordt de Prins, "en dus zijn uwe

opgaven ook niet zoo droog en zoo saai."

"Laat ons nu eens zien, of gij de leer der thienden [44]

begrijpt. Schrijf eens: zestien geheelen en driehonderd acht en

vijftig duizendste deelen."

De Prins schrijft, volgens Simon Stevin;

16 (0) 3 (1) 5 (2) 8 (3)

en volgens Franciscus van Schooten (1660):

16358 (3)

want men had nog niet uitgedacht, om door een decimaalteeken de

geheelen van de deelen te scheiden.

"Zeer goed," hervat De Witt. "Ik zie tot mijn contentement, dat gij

beide wijzen goed begrijpt. Intusschen moet ik Uwer Hoogheid wel doen

observeeren, dat de leerwijs van Van Schooten verre te prefereeren

is boven die van Stevin. Vooral in het multipliceeren en divideeren

verdient die de preferentie. En hoe handelt gij nu, wanneer gij dat

getal eens moest multipliceeren met vijf-en-tachtig duizendste deelen?"

"Wel, dan multipliceer ik het met 85 (3) en addeer de beide eindcijfers

bij elkander; dan krijg ik (nadat hij het uitgerekend heeft)

1390430 (6)

of eenvoudiger:

139043 (5)".

"Zeer juist. Het doet mij genoegen, dat Uwe Hoogheid de thienden begint

te begrijpen. Het is met recht, zooals Simon Stevin zegt: het geeft

eene "ongehoorde lichtigheijt in alle rekeninghen onder de Menschen

noodigh vallende door heele getallen, sonder ghebrokenen." Doch nu

gaan wij verder."

Ik geloof, dat mijne lezers mij het vervolg der rekenles wel zullen

kwijtschelden, alsmede het examen in de geschied- en aardrijkskunde

en het onderwijs in de staatkunde der Zeven Provinciën.

De Raadpensionaris was ditmaal zeer voldaan over zijn kweekeling en

wilde vertrekken.

"Een oogenblik, mijnheer De Witt," zeide de Prins. "Ik had U nog wat

te verzoeken."

"Iets te verzoeken. Indien het in mijne macht staat, zal het mij

genoegen doen, U uw verzoek toe te staan."

"Reeds vooraf bedankt voor uwe goedwilligheid," hernam de Prins. "Uwe

Edelheid herinnert zich nog wel dien Pieter Pietersz, timmerman op

het schip van den Luitenant-admiraal De Ruyter."

De Witt dacht een oogenblik na.

"O, zeer zeker! Ik herinner mij dien. Hij schijnt bijzonder in uwe

gunst te deelen."

"Niet minder in de mijne, dan in die van den Admiraal. Zie hier,"

vervolgde de Prins, terwijl hij een brief uit zijn zak haalde,

"dit is een aanbevelingsbrief van mijnheer De Ruyter."

"Wien deze aanbeveelt," hernam De Witt, nadat hij den brief gelezen

had, "is het zeker waard en kan op mijne medewerking rekenen. Maar,

waarom heeft de knaap het zeewezen verlaten? Ik meende vroeger van

Uwe Hoogheid vernomen te hebben, dat hij zooveel lust in het zeeleven

had. Hoe is dat zoo in eens veranderd?"

"Reeds toen ik in Mei op de vloot was, zeide de Admiraal mij, dat er

nooit een zeeman uit Pieter zou worden. De dood van zijn oom Klaas

Dirksz, den stuurman van "De zeven Provinciën," die, op den 5den

Augustus door een Engelschen kogel getroffen, den heldendood voor het

vaderland stierf, schijnt hem een tegenzin in het zeeleven te hebben

doen opvatten."

"Het getuigt weinig voor zijn moed," hernam de Raadpensionaris

eenigszins schamper.

"Uwe Edelheid herinnert zich, dat hij timmerman aan boord was,

en dus gedurende het gevecht beneden moest zijn om de lekken te

stoppen. Waarlijk geen taak om iemand moed in te boezemen."

"Dat laat zich hooren. Doch, hoe heeft de Admiraliteit hem kunnen

ontslaan?"

"Hij behoorde tot de vrijwilligers van _Delfzijl_," hernam de Prins,

"en als zoodanig mocht hij zijn ontslag nemen."

"Ik beloof u, dat ik hem zal aanbevelen aan de Zeeuwsche Admiraliteit,"

hernam De Witt. "Dan kan Uwe Hoogheid er een aanbeveling bij doen. De

Zeeuwen toch zijn Haar van oudsher zeer genegen."

"_Zeeland_ is mijn geslacht altijd zeer geaffectionneerd geweest,"

hernam de Prins, als had hij den scherpen toon, waarop die woorden

werden gesproken, niet opgemerkt. "Ik zal dus volgens uw raad

handelen. Doch nog iets. De ridder Buat...."

Het gelaat van den Raadpensionaris betrok.

"De ridder Buat," vervolgde de Prins, zonder schijnbaar iets van de

verandering in De Witts trekken te bemerken, "is door u beschuldigd

van geheime briefwisseling met den vijand en in hechtenis genomen."

"Door mij in hechtenis genomen? Uwe Hoogheid vergist zich. Ik ben

geen Fiskaal."

"Toch op uw bevel, mijnheer De Witt."

"Geenszins. Op bevel van den Raad van State. Henry Fleury de Coulan,

heer Van Buat, is een landverrader."

"Uwe Edelheid spreke toch zulk een hard oordeel niet uit over den man,

door U met een geheime correspondentie met _Engeland_ belast, en die

misbruik van uw vertrouwen heeft gemaakt door er eigen correspondentie

bij te voegen."

"Uwe Hoogheid schijnt beter onderricht, dan ik vermoedde," zeide

De Witt scherp. "Wie is de gedienstige geest, die Haar dit heeft

medegedeeld?"

"Hoe zou ik onkundig blijven, Mijnheer De Witt, van hetgeen geheel

_Den Haag_ weet?" hernam de Prins. "Of zou Uwe Edelheid meenen,

dat ik hier.... Doch neen, dat kan niet."

"Voleindig uwen volzin, Prins," hernam De Witt.

"Ik wenschte alleen uwe genade in te roepen voor den armen Buat. Uwe

Edelheid zal zich herinneren, dat hij reeds bij mijn vader in dienst

was. Sedert is hij onafgebroken aan ons geslacht verbonden geweest,

totdat...."

De Prins zweeg. De Witt vervolgde:

"Tot dat de Heeren Staten hebben goedgevonden, hem zijn ontslag te

geven. Waarlijk, de Heeren Staten hebben wijs gehandeld, iemand van

U te verwijderen, die met den vijand heult."

"Dus geen genade voor den onvoorzichtige."

"Het staat niet aan mij, voor zulk een halsmisdaad genade te

verleenen," hernam De Witt koel. "En wat mijn voorspraak betreft,

die zou al heel weinig baten; want ik ben overtuigd, dat de Heeren

Staten op de uiterste gestrengheden zullen aandringen. Luister

wel," hervatte De Witt met nadruk, terwijl hij den Prins met zijn

doordringende oogen scherp aanzag. "De Heeren Staten zijn voornemens,

om elke aanranding van het bestaande gezag, van welken aard dan ook,

streng te straffen, en uwe partij wordt stout--te stout, om langer

het Land aan het uitbreken van een burgeroorlog bloot te stellen. Uwe

Hoogheid kan dus bij gelegenheid Haren vrienden de verzekering geven,

dat de Heeren niemand zullen ontzien, welken rang of stand hij ook in

de maatschappij bekleede. Indien gij er iets aan kunt doen, maak dan,

dat Buat het eenige slachtoffer van de dwaasheid eener nuttelooze

partijzucht blijve."

Met deze woorden verliet De Witt de kamer, om zijn pupil aan zijne

overdenkingen over te laten. Toen de Raadpensionaris vertrokken was,

schelde de Prins zijn kamerdienaar en beval hem, ingeval de persoon,

die dezen morgen op het Hof was geweest, terug mocht komen, dien

terstond bij hem te brengen.

"Hij wacht reeds sedert een half uur, Uwe Hoogheid," zeide deze.

"Breng hem dan onmiddellijk hier," hernam de Prins.

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Hoe onze vloot de Engelschen tuchtigde.

Weinige oogenblikken, nadat de kamerdienaar vertrokken was, trad

Pieter Pietersz "de kamer van educatie" binnen.

"Je past op je tijd, Pieter," zeide de Prins "Volg mij."

De Prins deed de deur naast den schoorsteen open, en beiden bevonden

zich in een klein kabinetje. Zijne Hoogheid sloot de deur zorgvuldig,

en wenkte zijn gunsteling, zich op een stoel neder te zetten, terwijl

hij zelf ging zitten.

"Wel," begon hij. "Heb je het een en ander bijzonders vernomen?"

"Ik had daartoe niet veel moeite," antwoordde Pieter. "Mijn broeder is

met de familie zeer goed bekend: verscheidene malen heeft hij Mevrouw

Buat gekapt. Van hem dan ook heb ik de bijzonderheden vernomen."

"Ter zake."

"In het voorjaar werd de Ritmeester door den heer Raadpensionaris

aangezocht, om zich te belasten met een geheime correspondentie

naar _Engeland_."

"Juist, met Sylvius, met wien Buat reeds correspondeerde. En had die

briefwisseling onder het oog van den Raadpensionaris plaats?"

"Geheel en al. De Ritmeester schreef, schijnbaar in zijn eigen naam,

wat de Raadpensionaris hem voorzeide. Nu hadden de vrienden der

Oranjepartij, tot welke ook de Ritmeester behoort, hem aangezet om bij

deze correspondentie een andere te voeren, van welke de Raadpensionaris

niets mocht weten. Op deze brieven zette de Heer Sylvius: _pour vous

mesme_.--Langen tijd ging deze geheime handel goed, tot, voor eenige

dagen, de Ritmeester den Raadpensionaris een pak brieven bracht en

daaronder bij vergissing een van die geheime brieven had laten liggen."

"De onvoorzichtige!" riep de Prins uit. "En had de Raadpensionaris

dat terstond gemerkt?"

"Ik weet het niet, Uwe Hoogheid," gaf Pieter ten antwoord. "Maar de

Ritmeester was onvoorzichtig genoeg, om zich bij den Raadpensionaris

te vergewissen of de brief in het pak was. Deze kreeg daarop argwaan,

las den brief en vond daarin, wat hem aanleiding gaf om dien Buat

te weigeren en hem in den Raad van State te brengen. Terstond

werd de Ritmeester gevat en in de kastelenije bewaard; waarop de

Raadpensionaris aan het hoofd eener commissie uit den Raad van State

zich naar het huis van den gevangene begaf en aldaar huiszoeking deed."

"Wat zal die arme mevrouw Buat verschrikt zijn geweest!" zeide de

Prins meewarig.

"Dat kan Uwe Hoogheid zich voorstellen."

"En heeft men daar nog wat gevonden?"

"De Ritmeester had zorg gedragen, al de geheime brieven te

verbranden. Ongelukkig moet hij een brief en een klad voor een anderen

vergeten hebben te vernietigen. De Raad van State heeft daarop grond

genoeg gevonden, om hem van hoogverraad te beschuldigen en zijne zaak

in handen van het Hof van _Holland_ te stellen."

"En de Ritmeester?"

"Zit nu op de _Voorpoort_ van den Hove."

"Arme Buat," zeide de Prins.--"Je hebt je goed van je last gekweten,

Pieter," vervolgde hij tot dezen. "Ik heb ook den mijnen volbracht

en je aan den Raadpensionaris aanbevolen."

"Ik dank Uwe Hoogheid voor Hare goedgunstige bescherming," zeide

Pieter.

"Waarschijnlijk zul je een aanstelling op de werven van de Admiraliteit

van _Zeeland_ erlangen. Ik zal ook aan de Heeren bewindhebbers

schrijven en je aanbevelen."

"O, Uwe Hoogheid is al te goed," hernam Pieter. "Hoe zal ik Haar ooit

dankbaar genoeg kunnen zijn!"

"Verlaat mij thans, Pieter, en keer langs denzelfden weg terug,

dien je gekomen bent. Vaarwel!"

De Prins deed de deur van het kabinetje open en ging, na het vertrek

van Pieter, weder aan het werk--schijnbaar ten minste--want zijne ziel

was te zeer bezig met den armen Buat, dan dat hij had kunnen werken.

De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering · 第 12 / 15 段