"Ik verzoek u, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de Prins kalm,

maar met fonkelende oogen, "Hunnen Edel-Groot-Mogenden mijn dank te

brengen voor hunne goedheid, en hun te verzekeren, dat ik alle pogingen

zal aanwenden, om mij die goedheid zooveel mogelijk waardig te maken."

"Zulke gevoelens vereeren den afstammeling van den grooten Zwijger,"

zeide De Witt. "Men moet leeren zich in de omstandigheden te

schikken, en Uwe Hoogheid mag zich gelukkig rekenen, dat Hunne

Edel-Groot-Mogenden geen gehoor hebben gegeven aan de stem van

een partij, die, als men naar haar hoorde, het Land zou ten onder

brengen. Intusschen heb ik hier nog een derde resolutie van de

Heeren Staten."

"Betreffende deze zaak?" vraagde de Prins, die hoop voedde, dat

misschien bij het verklaren tot "kind van den Staat" een benoeming

gevoegd was.

"Juist, betreffende deze zaak. Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben terecht

begrepen, dat Uwe Hoogheid geheel aan den invloed van onze vijanden,

de Engelschen, moet worden onttrokken, en dus geresolveerd, dat Uwe

geheele hofhouding zal worden veranderd."

"Hoe, mijnheer De Witt!" riep de Prins uit, een oogenblik zijne

bedaardheid verliezende. "Mijne trouwe vrienden en mijne oude bedienden

zoo maar aan den dijk te zetten!"

"Verontrust u over hen niet. Zij zullen, indien zij er slechts om

vragen, met andere posten worden begiftigd. Mijnheer Van Zuijlestein,"

ging De Witt voort, zich tot dezen wendende, "de Heeren Staten zullen

u vijf jaren lang een wedde van vierduizend gulden uitkeeren."

"Maar ik zal mijn pupil niet verlaten, mijnheer de Raadpensionaris,"

zeide deze driftig. "De Heeren Staten hebben er zeker niet aangedacht,

dat ik mijne aanstelling heb van de Prinses-weduwe."

"En Uwe Edelheid vergeet, dat hare Hoogheid hare rechten als voogdes

op de Heeren Staten heeft overgedragen. Gij zult _wel_ vertrekken,

mijnheer Van Zuijlestein."

"Maar, mijnheer De Witt!" zeide de Prins smeekend. "De Staten zullen

mij toch wel niet van _al_ mijne vrienden willen berooven. Ik smeek

het u: laat mij slechts Zuijlestein, Boreel en Buat."

"Dat is onmogelijk," hernam De Witt.--"De Heer Van Zuijlestein

zal worden vervangen door den Heer Van Gendt, gecommitteerde van

_Gelderland_."

"Ik zal mij per request tot de Heeren Staten wenden, om slechts die

drie te behouden," hernam de Prins.

"'t Zal Uwe Hoogheid weinig baten," hervatte De Witt. "Intusschen,

Uwe Hoogheid kan het beproeven. En thans wachten mij mijne

bezigheden. Misschien vindt Uwe Hoogheid mij nog wel bij Hare Hoogheid

de Prinses-weduwe, wanneer Gij haar Uwen dank komt betuigen."

En met deze woorden nam de Raadpensionaris afscheid. Nauwelijks was

hij vertrokken, of de Prins barstte in tranen uit.

"Groote God!" riep hij uit. "_Ik_ kind van den Staat! _Ik_ de

ondergeschikte van De Witt!--Zuijlestein! mijn oom, mijn eenige

vriend! Gij van mij weg!--Maar!" hernam hij opstaande en met plechtigen

ernst de vuist ballende: "wacht maar, Heeren Staten! Wacht maar! Daar

zal misschien nog eens een tijd komen, dat het _Kind van den Staat_

u allen tot _kinderen van den Prince van Oranje_ maakt [40]."

Zoo had De Witt de luisterrijkste overwinning behaald, die hij ooit in

zijne staatkundige loopbaan heeft mogen behalen: op hetzelfde oogenblik

dat zijne vijanden meenden, dat hij vallen zou, plaatste hij zich

vaster dan ooit in den zetel des bestuurs. De arme Prins echter werd,

op hetzelfde oogenblik dat hij hoopte werkzaam te zijn ten dienste van

den Staat, geheel en al een werktuig van De Witt en toch was deze tijd

van verdrukking onder den Goddelijken zegen nuttig voor hem en deed

in hem vermogens en krachten rijpen, die nimmer in hem zouden zijn

ontwikkeld, als hij reeds op vijftienjarigen leeftijd was bevorderd

tot eene betrekking, waartoe hij nog niet in staat was geweest.

Wij verlaten nu _Den Haag_, en begeven ons een maand later, in de helft

der maand Mei, naar de vloot van De Ruyter, die bij _Texel_ lag. 't

Was een schoon gezicht, die vijf en tachtig oorlogsschepen daar zoo

rustig te zien liggen met hunne hooge kampanjes, wier glasruiten in de

zon schitterden, en wier van lof- en snijwerk voorziene borstweringen

en lantaarns zoo sierlijk afstaken bij de lompe, bruine bodems. 't Was

een schoon gezicht, die tallooze masten met hun touwwerk en raas, met

hunne uitgespannen zeilen en ontelbare vlaggen en wimpels, die vroolijk

in de lucht fladderden en, door den oostenwind bewogen, schenen te

wijzen naar de Engelsche kusten, waar de vijand van het vaderland

hen verwachtte, om te beslissen wie de sterkste zou zijn. Ik wil u

niet opnoemen, welke Admiraliteiten die schepen hadden laten bouwen,

noch hoe de namen van al die vaartuigen waren;--ik ga liever met u

naar het Luitenant-admiraalsschip van onzen onsterfelijken De Ruyter,

waar wij alles in drukke bezigheid vinden. Ziet maar, hoe die vlugge

matrozen in het want klimmen, alsof zij de zeilen wilden innemen; hoe

zij dat echter niet doen, maar als koorddansers over de raas loopen en

op de nokken blijven zitten; hoe de anderen daar op het dek en op de

andere dekken bezig zijn de geschutpoorten te openen en de kanonnen

te richten; kortom, hoe men alle mogelijke scheepsmanoeuvres maakt,

als ware men in volle zee en in het gezicht van den vijand.

Wanneer wij ons naar het roer begeven, dan vinden wij daar onzen ouden

kennis, den stuurman Klaas weder, die met Pieter en Jonker Engel in

gesprek is, terwijl zij hunne oogen onafgewend gevestigd houden op

twee jachten, die niet ver van daar liggen en eene menigte groote

Heeren en hooge personages aan boord hebben.

"Ziet gij daar," zeide Pieter, "dien mageren, tengeren knaap, die

zooveel pret schijnt te hebben in de vlugheid onzer matrozen, met die

wapperende veer op zijn hoed en dien donkerblauwen fluweelen mantel,

dien hij zoo dicht om zich heengeslagen heeft? Dat is Zijne Hoogheid."

"Waar?" zeide Engel. "O, ik zie het al. Daar staat hij. Wie zou die

Heer zijn, met wien hij zoo druk aan het spreken is en die hem schijnt

te zeggen, wat het een en ander beteekent?"

"Ik ken hem niet," antwoordde Pieter.

"Dan zal het de Heer van Gendt zijn," zeide Engel, "die eerst sedert

kort tot 's Prinsen goeverneur is benoemd. In _Amsterdam_ heb ik daar

veel over hooren spreken. Zie, die daar met zijn zwart fluweelen mantel

is de Heer Johan de Witt, de Raadpensionaris, die als gemachtigde

der Heeren Staten het uitloopen der vloot zal bevorderen."

"Zijne kleeding steekt nog al af bij die van al deze groote Heeren,"

zeide Klaas Dirkz. "Ik geloof dat er jannen onder zijn. Maar daar

wenden zij. Ha, zij komen aan ons boord. Daar lossen zij reeds de

saluutschoten."

En waarlijk praaiden de beide jachten "de Zeven Provinciën," waar de

Luitenant-admiraal de Heeren in zijn statiekleeding ontving. Eerst

kwam de Keurvorst van Brandenburg en toen de Prins van Oranje.

"Behoedzaam, neefje!" zeide de eerste tot den Prins. "Doe bist hier

nicht op das _Pinnenhof_ of op das hof von _Prandweich_, waar de

treppen mit tapeeten bedekt zind. Het is hier noer eene sjeepstreppe."

"Onze Luitenant-admiraal heeft toch voor een gemakkelijke trap

gezorgd," antwoordde de Prins lachende, terwijl hij reeds den voet op

het dek zette. "Aha! daar is Zijne Edelheid. Mijn hartelijken groet,

Heer Luitenant-admiraal!"

"Mijn welkomsgroet zij Uwer Hoogheid toegebracht," zeide de ronde

Zeeuw, terwijl hij den hoed afnam.

"Ik heb recht schik gehad in de vlugheid uwer matrozen," hernam de

Prins. "Zij zijn goed geoefend."

"Dat behoort ook zoo, Uwe Hoogheid," hernam De Ruyter, die den Prins

over het dek naar de kampanje leidde, waar eenige ververschingen

gereed stonden.

Zij werden gevolgd door den Keurvorst van _Brandenburg_, door de

Vorsten van _Holstein_ en _Anhalt_, door den Prins van Nassau, de

graven van _Solms_, _Dhona_ en _Hoorne_, de Heeren Van Brederode en

Van Gent en eene menigte andere aanzienlijke personages. Nadat men

iets gebruikt had, leidde De Ruyter de gevolmachtigden en de Heeren

het geheele schip rond, terwijl de Prins een kennis van de zeevaart

aan den dag legde, die ieder verwonderde. Toen men weder aan de

statietrap was gekomen, zeide De Ruyter:

"Ik ben zeer gehonoreerd geweest, zoo vele notabele Heeren aan mijn

boord en bij mijn geringen persoon te zien. Meer genoegen echter

zou het mij doen en tot meer eer zou het mij strekken, als de Heeren

mij op morgen het contentement wilden aandoen, om op mijn schip den

maaltijd te gebruiken, ten minste als zij zich mijn zeemanskost willen

laten smaken."

"O, volgaarne! Wij nemen het aan!"

Daarna gingen zij weder in de jachten, voeren de vloot rond, door

al de schepen met saluutschoten verwelkomd en gingen nog aan boord

van de Luitenant-admiralen Van Nes en Tromp. Op het laatste schip

juichte het volk onophoudelijk "leve de Prins van _Oranje_!" en

dat gejuich scheen aanstekelijk te zijn; want zoo lang de jachten

door de vloot voeren, klonk het onophoudelijk: "leve de Prins van

_Oranje_!" Op elk der admiraals-schepen werd het volk met vijftien

ton zwaar bier beschonken. Of dit geschenk van wege het land of van

wege de hooge gasten was, vind ik niet geboekt. Des avonds voeren de

beide jachten naar _Den Helder_, waar de genoodigden en gemachtigden

den nacht doorbrachten.

Den volgenden dag reeds vroegtijdig stapten onze hooge personages weder

in hunne beide scheepjes, en voeren andermaal naar de vloot, waar zij

nog de schepen van den kapitein Van der Zaan, van de Vice-admiralen

De Liefde en Van der Hulst en van den kolonel der zeesoldaten, Willem

Jozef van Gent, bezichtigden. Daarna voeren zij weder aan De Ruyters

boord, waar zij heerlijk en heusch onthaald werden. Ik zal u geene

beschrijving geven van hetgeen onze zeeheld opdischte; alleen durf

ik u verzekeren, dat de hooge gasten uiterst tevreden waren over

zulk een zeemanskost en dat er geen gebrek was aan verscheidenheid

van wijn. Ook ontbrak het pekelvleesch niet; want De Ruyter zou niet

gegeten hebben, wanneer er dàt niet of ten minste geen sterk gezouten

vleesch voorhanden was.

"Ik mocht wel einmaal ein tochtje met U op das meer doen," zeide de

Keurvorst van _Brandenburg_ tegen De Ruyter.

"Uwe Hoogheid zou daarvan spoedig den buik vol hebben," antwoordde

deze. "Het zou al heel gauw wezen: Zet mij maar weer aan land; want

ik word zoo kwalijk."

"En de Herr De Witt heeft daar vergangen jaar wel de phroef van

genommen en toch ganz viel sjtormen doorgesjtanden," merkte de vorst

Van Anhalt aan.

"Ja, waaroem soltte der herr Raadpensionair dagegen kunnen en wir's

nicht vermeugen?" vraagde de Keurvorst.

"Laat Zijne Edelheid Uwer Hoogheid dat zelf beantwoorden," zeide De

Ruyter. "Ik weet niet, welk een wonderman Mijnheer De Witt is; maar

op mijn woord als Zeeuw kan ik U verzekeren, dat Zijne Edelheid geen

zweem van zeeziekte gehad heeft. En wij hadden nog al wat boos weer."

"Ich denke," zeide de graaf Van Solms, "dat Zijne Edelheid den kop

te vol sjaatsaffaires heeft, om an den magen te denken en dass doerch

het sjommelen van het schiff kein invloess op hem heeft."

"En ich denke, dat der Herr Raadpensionair früher wohl einmal ter

zee gefaren heeft," meende de Vorst Van Holstein. "Gij vergeet,

dass _Dordrecht_, Zijner Edelheids geboorteplaats, ein hafen ist."

"Uwe Hoogheid vergist zich," zeide De Witt glimlachend. "De

stad _Dordrecht_ drijft wel veel handel, maar is volstrekt geen

zeestad. Intusschen ben ik in mijne jeugd meermalen met boos weer op

de _Moerdijk_ geweest en het is misschien daaraan toe te schrijven,

dat ik van die lastige zeeziekte ben verschoond gebleven. Als ik

U echter de ware reden moet zeggen: ik schaamde mij om zeeziek te

worden in de tegenwoordigheid van een man als den Luitenant-admiraal

onzen gastheer, op wien ik U wel verzoek uw glas te ledigen. Leve onze

Luitenant-admiraal De Ruyter en moge Zijne Edelheid spoedig aan de

Engelschen leeren, dat de Hollandsche zeeleeuw den Britschen panter

nog niet vreest!"

"Leve de Luitenant-admiraal De Ruyter!" riepen allen, terwijl zij

hunne glazen ledigden.

"Ik dank de Heeren wel en den Heer Raadpensionaris in het bijzonder

voor de goedheid om mijner in hunnen dronk te gedenken," zeide De

Ruyter, terwijl hij opstond en een zijner bedienden een wenk gaf. Op

hetzelfde oogenblik knalden er twaalf schoten van het admiraalsschip.

"Was ist das?" riep de vorst Van Anhalt uit. "Die Engelsjen zijn doch

nicht gekommen, dass gij met hen sjlaags zijt geraakt? Indien das

waar was, zoo zouden wir das onuitsjpreekliche genügen haben einen

zeesjlag bij te wonen."

"Dien zal Uwe Hoogheid zien," antwoordde De Ruyter. "Mijne Heeren! ik

noodig u allen uit, mij naar het dek te volgen, dan zult gij in het

klein een zeestrijd aanschouwen."

"Bravo! bravo!" juichten al de gasten en volgden De Ruyter op het dek.

Het was een prachtige aanblik, die hen daar wachtte. De twee kleine

fregatten of adviesjachten "'t Hert" onder kapitein Pieter van

Wijnbergen en "Zwolle" onder kapitein Dirk de Munnik, het eerste

van zestien en het andere van acht stukken, leverden elkander een

spiegelgevecht, voeren telkens op elkander aan en gaven malkander

dan de volle laag met los kruit, zeer ten genoegen van al de hooge

personages, meer dan de kunsten van een der matrozen, die zich boven

op den bal van den vlaggestok der groote bramsteng begaf en daarop met

zijn hoofd ging staan, terwijl hij beide beenen in de lucht stak. Het

was dan ook een noodeloos waagstuk; want een mensch mag niet zoo met

zijn leven spelen.

De Prins van Oranje had zich intusschen weder bij De Ruyter gevoegd.

"Mijnheer de Luitenant-admiraal," begon hij, "Uwe Edelheid heeft aan

uw boord een zekeren Pieter Pietersz, niet waar?"

"Die mij door Uwe Hoogheid is aanbevolen?"

"Juist, dezelfde. Hoe maakt hij het? Past hij goed op?"

"Uitmuntend. Hij is een knap timmerman en heeft verleden jaar met

de stormen vrij wat dienst bewezen. Ook geloof ik, dat er moed onder

zijn matrozenbuis steekt."

"Moed, Admiraal? Meer dan Uwe Edelheid misschien denkt." En de Prins

verhaalde hem, wat er met Pieter op _Hondsholredijk_ en op het veldijs

gebeurd was.

"Inderdaad--dat zijn trekken van groote courage en onversaagdheid,

die veel beloven. En toch geloof ik niet, dat uw gunsteling voor

zeeman in de wieg is gelegd."

"Ik zou hem gaarne eens zien," hernam de Prins. "Ik heb al naar hem

rondgekeken."

De Ruyter wenkte een matroos en gebood dien, Pieter te roepen. Binnen

weinige oogenblikken was hij bij hen.

"Je bent groot geworden, Pieter," zeide de Prins. "Ik zou je niet

herkend hebben. Hoe oud ben je thans?"

"Achttien jaren, Uwe Hoogheid," antwoordde Pieter.

"Dan ben je mij vooruit," hervatte de Prins. "En ik hoor, tot mijn

genoegen, dat mijnheer de Luitenant-admiraal over je tevreden is."

"Wie zou niet oppassen, als hij zulk een voorbeeld voor oogen heeft,

als onzen Luitenant-admiraal!" zeide Pieter.

"Daarin heb je gelijk," antwoordde de Prins. "En hoe vaart je oom,

de stuurman Klaas Dirksz?"

"Hij is springlevend," antwoordde Pieter. "Maar vergun mij, dat

ik Uwer Hoogheid iets vrage. Ik heb onder het gevolg Uwer Hoogheid

tevergeefs naar mijn broeder Karel gezocht. Hij is toch niet ziek,

of uit uwen dienst?"

Het gelaat van den Prins betrok; het waren treurige herinneringen,

welke Pieter bij hem te voorschijn riep.

"Hij is niet meer in mijn dienst, Pieter," gaf hij ten antwoord. "Het

is echter buiten zijn schuld en er is voor hem gezorgd."

Tegen het vallen van den avond vertrokken de vorsten en heeren,

vergezeld door de sloepen van al de oorlogsschepen, naar den wal. De

Keurvorst had honderd zilveren ducatons (f 315) aan de matrozen van

De Ruyters schip gegeven en toen de heeren aan land kwamen, opgewacht

door een tallooze menigte, wierpen zij eenig goud- en zilvergeld

onder het volk te grabbelen. Op den eersten Juni daaraanvolgende,

stevende de vloot het ruime sop in.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Hoe de Raadpensionaris rekenles gaf.

Niet tevergeefs hadden de Heeren in De Ruyters kampanje gedronken

op het welzijn van den Luitenant-admiraal en had de Raadpensionaris

in dien dronk begrepen, dat de Hollandsche leeuw zou toonen, den

Britschen panter niet te vreezen; de dagen voor den elfden, twaalfden,

dertienden en veertienden Juni van het jaar 1666 waren getuigen van een

luisterrijke overwinning, door onze vloot op de Engelsche behaald. Een

zeeslag van vier dagen! hoor ik u zeggen.--Ja, een vierdaagsche

zeeslag, de hevigste die ooit werd bevochten en die niet alleen den

roem onzer vloot herstelde, in den laatsten, ongelukkigen slag zoo

deerlijk verloren gegaan, maar een onsterfelijke gloriekroon wond om

het hoofd van onzen De Ruyter, wien men de ziel der vloot noemde en van

wien men zeide, dat hij de maat sloeg in het grof muziek van zooveel

duizenden kartouwen [41]; om den schedel van onzen Van Nes, die, toen

De Ruyters groote steng was afgeschoten, de admiraalsvlag overnam en

met zooveel beleid een tijd lang het opperbevel voerde, dat geen der

vijanden de tijdelijke afwezigheid van den vlootvoogd bemerkte; en om

de slapen van onzen Tromp, die in zijne niets ontziende dapperheid zoo

dikwerf van schip had moeten verwisselen, dat de Engelschen, telkens

zijne vlag van een ander schip ziende waaien, met verbazing vraagden:

"zijn er dan vijf of zes Trompen op de Staatsche vloot?"

Ik wil u ditmaal geen beschrijving van dien zeeslag geven. Wilt gij

ze lezen, dan beveel ik u daartoe Brandts geschiedenis van De Ruyter

Bldz. 478--494 aan. Ik wil u alleen mededeelen, dat De Ruyter den

vierden dag de _bloedvlag_ liet hijschen, tot sein om allen te gelijk

op den vijand aan te vallen, dat toen de Engelschen op de vlucht werden

gejaagd en het alleen aan den invallenden dikken mist te danken hadden,

dat zij voor grootere schade werden gespaard. Van onze zijde verloren

wij den Vice-admiraal Van der Hulst, wiens graftombe men nog in de Oude

kerk te _Amsterdam_ ziet en den Luitenant-admiraal Cornelis Evertsen,

wien ook een praalgraf werd opgericht. De Engelschen verloren hunne

Vice-admiralen Barclay en Mings. Het lijk van den eerste viel in onze

handen, werd hier gebalsemd en met een jacht naar _Engeland_ gezonden,

over welke beleefdheid Karel II zeer gevoelig was. Wij hadden omstreeks

800 dooden en 1450 gekwetsen; de Engelschen 5 à 6000 dooden en 3000,

die in onze handen waren gevallen; terwijl 23 hunner schepen deels

gezonken of verbrand, deels genomen en in onze havens waren opgebracht.

Minder gelukkig voor ons was de tweedaagsche zeeslag van den 4den

en 5den Augustus daaraanvolgende, geleverd tusschen De Ruyter en

denzelfden Monk, hertog van _Albemarle_, die de Engelsche vloot in den

vierdaagschen zeeslag had aangevoerd. Reeds de eerstgenoemde zeestrijd

was bijgewoond door vier Fransche edelen, die op 's Lands vloot waren

gekomen om een zeeslag onder het beleid van zulke beroemde zeehoofden

bij te wonen: Armand de Grammont, Hertog van Guiche, Louis Grimaldi,

Prins van _Monaco_, en de beide markiezen La Ferté. Thans waren er ook

vier Fransche edelen als vrijwilligers op de vloot: de baron Busca

en de ridders van Lorraine, Coaslin en Cavoy. Door de persoonlijke

bemoeiingen van De Witt was de vloot binnen 19 dagen van de bekomen

schade hersteld en weder in staat, om zee te kiezen. De grijze Jan

Evertsen, die na den dood van zijn broeder zich opnieuw had begeven

in den dienst van het Vaderland, waarvoor zijn vader, een zijner

zonen en vier zijner broeders het leven hadden gelaten, gebood met

Tjerk Hiddesz de Vries, die Stellingwerf was opgevolgd, de voorhoede,

De Ruyter met Van Nes het centrum, en Tromp met Meppel de achterhoede.

Omstreeks elf uren voor den middag ontmoetten de beide vloten elkander

in volle zee tusschen _Duinkerken_ en _Noordvoorland_. De voorhoede

begon het gevecht en hield zich dapper; maar het eene ongeluk kwam

bij het andere. Vooreerst was de wind voor de Engelschen, en dan nog

was er zoo weinig wind, dat De Ruyter met zijn centrum de benarde

voorhoede onmogelijk kon te hulp komen; ten tweede werden reeds bij

de eerste schoten Jan Evertsen en Tjerk Hiddes, benevens de Friesche

admiraal Koenders doodelijk gekwetst. Toen nu ook tot overmaat van

ramp het schip van den Vice-admiraal Bankertsz zonk, die met moeite

zijn leven redde, werd het smaldeel geheel en al in wanorde gebracht en

verstrooid. Intusschen had Monk het centrum onder De Ruyter aangetast

en kwam hem ook de voorhoede onder Allen te hulp. Hachelijk was nu

de toestand der onzen. De voorhoede verstrooid, vele van De Ruyters

schepen reddeloos, en van de achterhoede onder Tromp en Meppel niets

te bespeuren. Onze zeeheld echter hield het gevecht tot den avond

vol; doch, daar hij zag, dat zijn geringe vloot niet meer bestand

was om aan de overmacht van den vijand het hoofd te bieden, begon

hij langzaam te wijken, hopende, dat Tromp zich gedurende den nacht

met hem zou vereenigen.

Maar toen de volgende morgen aanbrak, zag de held wel overal vijanden,

maar geen Tromp.

"Sein den Luitenant-admiraal Meppel aan boord," zeide hij tot Klaas

Dirksz, die zijn post aan het roer niet had verlaten, ofschoon

de kogels om zijne ooren floten. Onze Pieter bevond zich met de

timmerlieden beneden, om zooveel mogelijk ieder lek, dat er geschoten

werd, te herstellen. De stuurman gaf het roer aan twee matrozen over

en seinde den Vice-admiraal: doch op hetzelfde oogenblik tuimelde

hij, door een Engelschen kogel doodelijk getroffen, door het luik

naar beneden en kwam genoegzaam voor Pieters voeten te land.

"Hemelsche Vader!" riep Pieter, terwijl hij zich op de knieën bij

zijn geliefden oom neerwierp. "Oom! Oom!"

"Ik sterf," zeide de stuurman met een flauwe stem. "De Engelschman

heeft mij doodelijk gekwetst."

"Gij zult niet sterven, oom!" zeide Pieter.

"Vlei je niet, mijn beste jongen," hernam Klaas Dirksz gebroken. "Tegen

den dood is geen kruid gewassen. Ik voel hem reeds in mijne

aderen. Vaarwel, Pieter! groet den Admiraal van mij. Zeg aan De

Ruyter..."

Hier kon de stuurman niet meer spreken; vreeselijk draaiden zijne oogen

in hunne kassen. Pieter poogde het bloed, dat uit de wond vloeide,

te stelpen; maar het scheen den stervende te benauwen, die na een

hevige stuiptrekking den laatsten adem uitblies.

"Dood! Arme oom Klaas, dood!" riep Pieter uit, terwijl hij zich als

wanhopig op het lijk wierp.

"Pieter!" klonk eensklaps een stem naast hem. "Is de stuurman dood?"

"Hij is dood, Jonker Engel. De kogel heeft hem te goed getroffen en

de val heeft het overige gedaan. Hoe is het boven gesteld?"

"Ellendig. Nooit heb ik mijn vader zóó gezien. De Luitenant-admiraal

Van Nes is bij ons aan boord gekomen; vader wilde met hem

raadplegen. "Wat zullen wij doen, mijn goede Van Nes," riep hij uit,

toen de Luitenant-admiraal bij hem in de kampanje trad, "wat zullen

wij doen? De andere schepen zijn anderhalve mijl van ons en loopen

zoo hard zij kunnen, zonder acht te geven op onze seinschoten. Zie,

welk een overmacht ons te loef, te lij, van voren en van achteren

omringt, en wij--wij zijn slechts met zeven of acht schepen bijeen. Wat

zullen wij doen?" "Wat wij moeten doen," antwoordde Van Nes, "tegen de

overmacht kunnen wij het niet uithouden; het best is, ons al wijkende

te verweren."--"Gij hebt gelijk, Van Nes," antwoordde vader. "Daar

is geen andere uitkomst over. Ach! wat overkomt ons! Ik wou maar,

dat ik dood was!"

"Zei uw vader dat?" zeide Pieter, terwijl hem de tranen uit de oogen

sprongen. "En wat zeide de Luitenant-admiraal?"

"Ik wou het ook wel," antwoordde Van Nes, "maar men sterft niet,

wanneer men wil. Ik ga naar mijn boord terug en zal u trouw blijven

tot mijn laatsten ademtocht." Dit zeggende, stonden mijn vader en hij

op, en--nauwelijks waren zij de kampanje uit, of ziet, daar vloog

een Engelsche kogel naar binnen en schoot de beide plaatsen weg,

waar zij gezeten hadden!"

"Wonderbaar behoud!" riep Pieter uit. "En is Tromp nog niet in het

gezicht?"

"Nergens te zien," hernam Jonker Engel. "Maar ik moet weer naar

boven. Mijn vader zond mij herwaarts, om naar zijn trouwen stuurman

te zien."

"Zeg hem, dat de gesneuvelde met zijn naam op de lippen is gestorven

en met brekende oogen mij zijn laatsten groet voor den geliefden

Admiraal heeft gegeven."

"Ik zal het doen. En ga jij ook weer aan het werk. Er is hier genoeg

te vinden."

De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering · 第 11 / 15 段