rollen eener karos. Het zal Zijne Hoogheid zijn.--Wij zullen komen,"
vervolgde hij tot den buurtknecht, die kwam zeggen, dat de koetsen
van Zijne Hoogheid in het gezicht waren. En terstond begaf hij zich
met de vier hoofdlieden naar beneden, om den Prins te ontvangen. De
burgers en hunne dames stelden zich intusschen in een dubbele rij,
die van de deur tot de zitplaats van den Prins liep, en het duurde
niet lang, of de hooge personage kwam met zijn gevolg binnen. Het
was nog altijd dezelfde bleeke, ziekelijke knaap, en het scheen,
dat hij nu nog bleeker zag in dat roode fluweelen wambuis, waarover
een mantel van dezelfde kleur en stoffage was geslagen, met gouden
galons geboord, en welken hij, zoodra hij de zaal binnentrad, aan
zijn kamerdienaar Karel overreikte. Sterk stak de witte satijnen
broek, boven de kuiten met rood satijnen strikken vastgeknoopt,
daarbij af; terwijl de rooskleurige zijden kousen en hooggehakte met
roode strikken voorziene schoenen zijn toilet voltooiden. Achter hem
kwamen Zuijlestein, Heenvliet, Boreel, Buat en Bromley. Vriendelijk
groette de Prins naar beide zijden, terwijl hij zich naar den hoogen
met groen laken bekleeden leuningstoel begaf, die aan de rechterhand
van den President voor hem was gereed gezet. Zoodra hij was gezeten,
namen ook de andere gasten plaats zonder onderscheid van rang of stand;
want, behalve de plaats van den President of Deken, bestond er geene
vooraanzitting hoegenaamd.
Wij stappen over het eerste gedeelte van den maaltijd heen, en zien
intusschen de tribune boven de deur zich vullen met muzikanten,
die onder het dessert eenige stukken zullen spelen en na den afloop
den danslustigen gelegenheid geven tot het uitvoeren der vroolijke
"sarabandes" of der sierlijke "courantes", dansen, uit het danslustige
_Frankrijk_ overgebracht en toen algemeen in zwang.
Toen het eerste gedeelte van den maaltijd was afgeloopen, verlieten
de gasten de zaal, om den bedienden gelegenheid te geven de tafel
voor het dessert in orde te brengen, om zich eens te verluchten
en eenige oogenblikken te laten tusschen het eerste en het tweede
gedeelte van den maaltijd. Reeds van den tijd der Graven toch was
het bij onze voorouders de gewoonte, den maaltijd met een dessert te
besluiten. De mannen namen weder hunne pijpen ter hand en stopten die
uit de looden "toebackspotten"; na 1679 gebruikten de dames dan hare
"vrouwtjestoeback, geseyd thee" en na 1693 hare "caffée" of koffie.
Nauwelijks waren de pijpen opgestoken, of de mannen verzamelden
zich, naar het voorbeeld der vrouwen, in kleine troepen, en de
Prins zag zich omringd van verscheidene heethoofden zijner partij:
Sickinga van Warfsum, Cimon van Middelgeest, Henricus Hondius en
anderen. Zij trachtten den Prins in een politiek gesprek te mengen;
maar deze, wel bemerkende welken weg zij op wilden, was begonnen te
spreken over de heerlijke oesters, die hij had gegeten, en over de
jachthonden, die hij op het _Huis ten Bosch_ had en van welke hij
een menigte anekdoten wist mede te deelen. Intusschen waren de deken
en de hoofdlieden bezig met het opnemen der stemmen voor een nieuwen
deken, in plaats van den Advocaat Moleschot, waarvan de uitslag vóór
het dessert aan de buurtvergadering zou worden kenbaar gemaakt.
Zoodra de gasten weder waren gezeten, stond de Advocaat Moleschot op
en deelde aan de vergadering mede, dat Zijne Hoogheid Prins Willem
Hendrik met algemeene stemmen tot President of deken was benoemd.
"Ik twijfel er geenszins aan," vervolgde de deken, terwijl hij zich
tot den Prins wendde, "of Uwe Hoogheid zal zich die benoeming laten
welgevallen en haar beschouwen als een blijk van de innige affectie
der _Hofbuurt_ tot het Doorluchtige huis, waarvan Uwe Hoogheid de
afstammeling is."
"Ik ben gevoelig, mijnheer Moleschot," antwoordde de Prins, terwijl
hij van zijn zetel oprees, "ik ben gevoelig voor de eer, mij door
mijne geaffectioneerde vrienden van de _Hofbuurt_ bewezen, en ik zie
geene oorzake om niet aan de roeping te beantwoorden, die tot mij
komt door uwen mond. Ik neem dus de benoeming aan."
Een algemeen gejuich volgde op deze woorden.
"Ik ben u dankbaar voor uwe goede affectie te mijwaarts, goede
vrienden," hernam de Prins, "en, daar wij het privilegie hebben, een
stadhouder [31] te benoemen, zoo installeer ik als zoodanig onzen
geëstimeerden vriend, den Advocaat Moleschot, dien ik verzoek, ook
voor hedenavond mijne plaats te vervullen."
Deze rede werd weder gevolgd door toejuiching.
Daarop nam Moleschot het woord.
"Ik mag de eer dezer benoeming niet weigeren," zeide hij, "en begin,
met u allen te inviteeren, uwe glazen te vullen, en te drinken:
de prosperiteit van onzen nieuwen President!"
Alle aanwezigen stonden op en dronken op Zijne Hoogheid, met den
uitroep: "Leve de Prins van Oranje!" Te gelijker tijd hoorde men aan
eene zijde der tafel het deuntje aanheffen:
"Al is ons Prinsje nog zoo klein,
Alével zal hij stadhouder zijn."
waarop de gezichten van hen, die ter Staatspartij waren toegedaan,
betrokken.
De prins intusschen wenkte met de hand.
"Goede vrienden," zeide hij. "Ik dank U voor uwe singuliere
affectie. Wat echter die bijzondere uiting uwer sentimenten betreft,
gij vergeet, dat wij hier als goede buurtvrienden bijeen zijn. Ook
kunt gij het niet meenen, dat gij liever een vijftienjarigen knaap aan
het roer van den Staat zoudt zien, dan den waardigen en bekwamen man,
die al zijne krachten wijdt aan de prosperiteit van het Vaderland. Ik
verzoek U dus, als President, uwe glazen nogmaals te vullen en die
met mij te ledigen op het heil van Mijnheer de Witt."
"Goed gedaan, Willem," fluisterde Zuijlenstein den Prins in het oor,
terwijl niemand der aanwezigen durfde nalaten, den dronk met geestdrift
te beantwoorden.
"En ik drink op de nobele sentimenten van onzen President!" riep Van
Limborch uit, en ook deze dronk verwekte algemeene goedkeuring.
Reeds vroeg in den avond vertrok de Prins, daartoe als reden opgevende
zijne zwakke gezondheid. Met hem vertrokken ook Zuijlestein, Boreel,
Heenvliet en Buat, terwijl onze lustige burgers nog uren lang bij
elkander bleven en zich met verschillende spelen onledig hielden. Of
zij ook kaart speelden, durf ik u niet verzekeren; wel zijn kaartspelen
in andere buurten reeds in 1658 in rekening gebracht; in de _Hofbuurt_
echter komen zij eerst in 1712 voor. Den volgenden dag liet de Prins
zich voor den maaltijd verschoonen: hij lag met zware hoofdpijn te bed.
Toch had hij zich nog dien morgen naar het huis van den Raadpensionaris
begeven, ten einde naar diens gezondheid te vernemen. Hij trof Johan
de Witt geheel gekleed.
Toen de Prins binnentrad, was de Raadpensionaris niet alleen in het
vertrek. Een man, wiens kleeding zijn hoogen stand verried, doch wiens
gelaat goedhartigheid en eenvoudige rondheid aanduidde, was bij zijne
intrede opgestaan van den stoel, waarop hij gezeten had. Terwijl De
Witt den Prins een stoel aanbood, wees hij met de vlakke hand naar
dien persoon, en zeide met al de hoffelijkheid, hem eigen:
"Ik heb de eer, Uwer Hoogheid hier onzen veelbeminden en
hooggerevereerden vriend, den Luitenant-admiraal Michiel Adriaanszoon
de Ruyter [32] voor te stellen."
"Ha, Mijnheer de Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den ronden
Zeeuw de magere hand reikte, die deze met warmte aangreep. "Het is
mij een singulier genoegen, Uwe Edelheid te rencontreeren. Ik durfde
dat niet verwachten."
"Uwe Hoogheid is wel goed, dat Zij zulke goede gedachten van mijn
persoon heeft," antwoordde de Luitenant-admiraal bescheiden.
"Uwe Edelheid zal dan toch eindelijk eens rust nemen," hervatte de
Prins. "Nu, gij moogt die ook wel hebben. Met u is het wel: wie goed
dient, dient nooit genoeg."
"Waar de Heeren Staten of het Vaderland mij roepen," hernam De Ruyter,
"moet devoir boven gemak gaan. Zoolang God mij het leven behoudt,
hoop ik den lande nuttig te zijn."
"Braaf gesproken," hervatte de Prins. "O, mijnheer De Ruyter," voegde
hij er met een nauw merkbaren zucht bij, "men moet zich wel gelukkig
gevoelen, als men zoo nuttig kan zijn als gij. Maar," vervolgde hij,
zich tot den Raadpensionaris wendende, "ik zou zoodoende de oorzake
mijner komst vergeten. Mijnheer De Witt! wij misten Uwe Edelheid
gisteren op het buurtmaal. Men zeide mij, dat gij geïndisponeerd
waart. Intusschen reken ik mij gelukkig te zien, dat Uwe Edelheid
weder geheel gekleed is. Waarschijnlijk is dus de indispositie geheel
en al geweken."
"Uwe Hoogheid is wel goed," antwoordde de Raadpensionaris, "zooveel
attentie voor mijn persoon te toonen, en ik acht mij gelukkig, haar
te kunnen verzekeren, dat de kleine indispositie weder geheel en al
voorbij is. Ik stond juist op het punt, om naar het Binnenhof te gaan."
"Al weder aan de besognes, mijnheer de Raadpensionaris," zeide de
Prins. "Uwe Edelheid doet te veel. Zij zal zich nog in den grond
werken."
"Geen nood," hervatte De Witt glimlachend. "Ik heb een ijzersterk
gestel."
"Gelukkig, wie dat heeft," zuchtte de Prins, hoestend. "Ik zou wel
wenschen in uwe plaats te zijn."
"Hoe meent Uwe Hoogheid dat?" vraagde De Witt min of meer scherp.
"Dat ik het gestel van Uwe Edelheid hadde, en dat de arbeid mij niet
zoo fatigueerde."
"En heeft Uwe Hoogheid zich gisteravond nog al geamuseerd?" vraagde
de Raadpensionaris.
"Voor zooverre iemand, die altijd met hoofdpijn en hoest geplaagd is,
zich amuseeren kan. Onze vrienden van de _Hofbuurt_ hebben mij wel
tot hunnen President gelieven te benoemen."
"Dat weet ik," hervatte De Witt. "En ik ben Uwer Hoogheid grooten
dank verschuldigd voor den dronk, dien Zij op mijn welzijn heeft
willen instellen."
"Uwe Edelheid weet dus reeds...."
"Ik weet," hernam De Witt met nadruk, "dat Uwe Hoogheid verstandiger
is dan de leden Harer partij, die gaarne ons arm land tot een tooneel
van volkstumult en burgeroorlog zouden willen maken. Geloof mij,
Prins! zij zijn Uwe ware vrienden niet."
"Ik zal Uwe Edelheid niet langer ophouden," zeide de Prins. "Haar
tijd is te kostbaar. Mag ik U een plaats in mijn karos aanbieden?"
"Volgaarne, ofschoon het mijn gewoonte niet is om naar mijn bureau te
rijden. Men mag echter wel zien, hoezeer Johan de Witt de vriend is van
den Prins van _Oranje_.--Tot van middag, mijnheer De Ruyter," vervolgde
hij tot den Luitenant-admiraal. "Uwe Edelheid zal mij wel excuseeren."
"Waar de besognes en het interest van het Land uwe tegenwoordigheid
vereischen, mijnheer de Raadpensionaris," gaf De Ruyter ten antwoord,
"heeft niemand recht U op te houden. Dus tot van middag."
"Adieu, mijnheer De Ruyter," zeide de Prins, terwijl hij den
Luitenant-admiraal vriendelijk groette. "Ik hoop de eer te genieten,
een bezoek van U te ontvangen."
"Uwe Hoogheid heeft vóór het dessert een langdurig gesprek gehad
met den Heer Sickinga," begon De Witt weder, toen zij in de karos
zaten. "Heeft die U ook iets medegedeeld ten aanzien van de zaken
in _Friesland_?"
"In trouwe, wij hebben het zeer druk gehad," antwoordde de Prins. "De
Heer Sickinga beviel mij buitengemeen. Ik had hem vroeger nooit
ontmoet."
"En hij vertelde U....?" zeide De Witt, terwijl hij den Prins met
zijnen uitvorschenden en doorborenden blik aanzag.
"O, mijnheer de Raadpensionaris," gaf de Prins op onnoozelen toon
ten antwoord, "hij vertelde mij zulke aardige stukken van zijne
jachthonden.... Doch hier zijn wij er. Ik rijd door naar het _Huis
ten Bosch_, om eens naar de mijne te zien. Uw dienaar, mijnheer de
Raadpensionaris!"
De Witt steeg uit de karos en werd vervangen door den Heer van
Zuijlestein, die naar het _Huis ten Bosch_ zou mederijden.
"Niet te doorgronden, een raadsel is die knaap, ook voor mij!" bromde
de Raadpensionaris tusschen de tanden. "Intusschen--hij is nu reeds in
zijn zestiende jaar, en 't zal niet lang meer duren, of hij kan mij
gevaarlijk worden. Daar is maar één middel om dat te verhoeden. Hij
moet worden onttrokken aan de infidentie zijner partij en vooral aan
die van de Engelschen. En dát vóór hij mij boven het hoofd wast. Wij
zullen daar eens rijpelijk en ernstig over denken."
Met deze woorden trad hij de deur van zijn kabinet binnen, om opnieuw
aan zijne vele besognes te gaan, en--aan zeven secretarissen tegelijk,
zeven verschillende brieven te dicteeren.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Hoe Johan de Witt zijn plan volvoerde.
Wij slaan een tijdvak van ruim vier maanden over en begeven ons op
den 2den April 1666 nogmaals naar het vertrek van den Prins op het
_Binnenhof_, waar wij hem reeds eenmaal [33] hebben aangetroffen. Ik
behoef mijnen lezers niet te zeggen, dat er op de vuurplaat onder den
hoogen schoorsteen een fiksch vuur van turf en hout was aangelegd, en
dat Zijne Hoogheid in den grooten leunstoel daarbij zat. Bij den haard
zaten tevens Zuijlestein en de hofmeester Boreel. Op het oogenblik
waarvan wij spreken, diende de kamerdienaar den Heer Van Heenvliet,
den vader van 's Prinsen stalmeester en een hevig voorstander der
Oranjepartij, aan, die werd binnengelaten en door den Prins verzocht,
zich bij den haard te schikken.
"Ik had reeds vroeger bij Uwe Hoogheid willen komen, om naar Hare
gezondheid te vernemen," begon de grijsaard. "Ik vond het echter
geraden, te wachten tot Uwe Hoogheid zich van de vermoeienissen der
reis hersteld had."
"Ik dank U zeer, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, "voor
Uwe attentie, en ik durf u verzekeren, dat mijne reis mij zeer goed
bekomen is en niet anders dan aangename impressies kan nalaten."
"Men heeft U te _Amsterdam_ luisterrijk ontvangen, naar ik hoor,"
hernam Heenvliet.
"Ik zal _Amsterdam_ roemen," gaf de Prins ten antwoord. "De vroedschap
heeft een groot festijn te mijner eere aangericht."
"En het volk, hoor ik, heeft luide geroepen om Uwer Hoogheids
bevordering, en U zelfs met veel gejuich uitgeleide gedaan," ging
Heenvliet voort.
"Zoo, mijnheer Van Heenvliet," antwoordde de Prins, met het onnoozelste
gezicht ter wereld. "Ik kon niet recht verstaan wat zij riepen. Maar
de maaltijd was overheerlijk. Inderdaad ik wist niet, dat zij in de
grootste koopstad van het land zulke uitmuntende koks hadden. Ik
dacht altijd, dat die goede Amsterdamsche kooplieden zich slechts
bezighielden met hun handel."
"En met de staatkunde," voegde Heenvliet er stekelig bij. "En hoe
heeft Uwe Hoogheid het te _Rotterdam_ gehad?"
"Daar ben ik door den burgemeester Ewout van der Horst vorstelijk
onthaald. Een uitmuntend mensch, die Van der Horst."
"Ik ken hem. Hij is een trouw aanhanger uwer zaak."
"Dat heb ik gemerkt," antwoordde de Prins weder heel onnoozel,
"want dat maal heeft hem nog al wat gekost. Er waren heerlijke
oesterpartijen."
"Ook daar zijt gij door het volk met veel gejuich begroet."
"O, ja, de Rotterdamsche menschen schijnen heel vriendelijk te
zijn. Toch zou ik niet graag hier in _Den Haag_ altijd zooveel volk
om mijn karos zien."
"Geen wonder, Uwe Hoogheid," gaf Heenvliet ten antwoord. "Maar het
volk hier ziet Uwe Hoogheid dagelijks. Daarom is het toch evenzeer
Uwe partij toegedaan en wenscht niet minder Uwe bevordering. Ook
hooggeplaatste personen verlangen die. Zelfs uw oom, de Keurvorst
van _Brandenburg_, heeft U aan de Staten-Generaal tot de hooge
krijgsambten aanbevolen."
"En de Heeren Staten hebben daarop geantwoord, dat de Keurvorst zich
liever met zijne eigene zaken moest bemoeien en zich niet in die van
anderen moest steken."
"En dan," merkte Zuijlestein aan. "En dan, om te bewijzen, hoe weinig
zij om den Keurvorst geven, hebben zij den Prins van _Tarente_
tot overste der ruiterij, den Heer Van Noordwijk tot overste van
het geschut, den graaf Van Hoorne tot sergeant-majoor en den Heer
Pain-et-vin tot luitenant-kolonel gemaakt."
"Daar heeft _Zeeland_ dan ook dapper tegen geijverd," hernam Heenvliet.
"En wat heeft het _Zeeland_ geholpen?" vraagde Zuijlestein. "Het
antwoord, dat _Holland_ gegeven heeft, bewijst genoegzaam zijn onwil."
"Omdat _Holland_ mij niet wil bevorderen, alvorens ik den ouderdom
van achttien jaren zal bereikt hebben," zeide de Prins op scherpen
toon. "Zij hebben gelijk, de Heeren Staten," vervolgde hij schijnbaar
luchthartig. "Wat zou een knaap als ik, ziekelijk en tenger, in het
krijgswezen doen?"
"En dan uwe voorouders Prins!" riep Heenvliet uit. "Heeft men hun
ooit de hun toekomende ambten onthouden? Maar Uwe Hoogheid zelf moet
zich laten kennen, en een oproeping...."
"Vergeef mij, mijnheer Van Heenvliet, dat ik U verzoeken moet, zulke
taal niet in mijne presentie te voeren. Mijne vrienden mogen voor mij
doen wat zij willen--ik _wil_ van hunne handelingen niets weten. Ik
verlang geen promotie dan langs den rechtmatigen weg. Maar, zeg mij,
hebt gij sinds gisteren uw zoon ook gesproken?"
"Ik zag hem sedert drie dagen niet, Uwe Hoogheid," antwoordde
Heenvliet. "Had hij mij wat belangrijks mede te deelen?"
"Zeker. Gij moet weten, mijnheer Van Heenvliet, dat ik een paar
dagen geleden twee schoone Friesche paarden heb aangekocht. Het
zijn prachtige beesten. Gij moet ze eens zien.--Gij zijt immers ook
een kenner?"
De Heer Van Heenvliet zuchtte; hij kon niet begrijpen, hoe de Prins
op dat oogenblik over paarden kon spreken, en wilde juist antwoorden,
toen de ritmeester Buat de kamer binnentrad, zich tot den Prins wendde,
en met een geheimzinnig gelaat en op half fluisterenden toon zeide:
"Weet Uwe Hoogheid reeds, dat de Raadpensionaris dezen morgen op het
Hof van _Brandwijk_ [34] is geweest en een langdurige conferentie
heeft gehad met Mevrouw de Prinses-weduwe?"
"Met de Prinses-weduwe!" riepen de drie Heeren, die bij het vuur zaten,
te gelijk.
"Zooals ik u zeide," antwoordde de ritmeester. "En wat meer is,
alvorens naar de vergadering der Staten te gaan, is Zijne Edelheid
nogmaals aan het Hof van _Brandwijk_ aangereden, en heeft ruim een
kwartier bij Hare Hoogheid doorgebracht."
"En nu twijfelde Uwe Hoogheid nog aan Hare promotie!" riep Heenvliet
uit. "Begrijpt Zij dan niet, dat de Raadpensionaris niet langer durft
weerstand bieden aan den aandrang Harer vrienden, die hoe langer hoe
luider wordt?"
"De Heer De Witt zal wel moeten toegeven," zeide Boreel, die tot nog
toe gezwegen had. "Als Zijne Hoogheid maar eerst Generaal der ruiterij
is, zal Zij wel spoedig Veldmaarschalk zijn."
"En dan"--hervatte Heenvliet triomfeerend. "Dan zal de Raadpensionaris
spoedig vallen en dan--dan maken wij vrede met _Engeland_.... en...."
"Maar gij hebt mij nog niet gezegd, mijnheer Van Heenvliet, wanneer
gij mijn Friesche paarden zoudt komen zien," hernam de Prins bedaard.
"Als het Uwe Hoogheid schikte, morgen om elf uur," antwoordde de
Heer Van Heenvliet, terwijl hij zijn prachtig gouden met diamanten
bezette horloge uit den zak haalde. "Maar Uwe Hoogheid zal mij thans
excuseeren, dat ik Haar quitteer. Ik heb nog dringende zaken te doen."
"Ik dank U voor uw bezoek, mijnheer Van Heenvliet," zeide de
Prins. "Vergeet vooral niet, morgen om elf uur, mijne paarden te
komen zien. Ik zal zorgen ook in den stal te zijn. Denk er aan,
dat ik hoogen prijs stel op uw opinie."
De Heer Van Heenvliet boog en verliet het vertrek.
"Hij moet zeker naar de "Oude Zwaen," dat hij zoo'n haast maakt,"
zeide Boreel glimlachend. "Daar zal hem wel de een of andere vriend
met het verkeerbord wachten."
"Zoudt gij het denken?" vraagde de Prins.
"Voorzeker, Uwe Hoogheid," zeide Buat. "De Heer Van Heenvliet is een
der trouwste bezoekers van de "Oude Zwaen." Men kan hem daar alle
dagen vinden."
"Ziedaar het voorrecht van hen, die in het _Noordeinde_ wonen,"
zeide de Prins. "Zij bespieden niet alleen de gangen van de personen,
die op het Hof van _Brandwijk_ komen, maar weten ook, wie de "Oude
Zwaen" bezoeken."
"Met uw verlof, Uwe Hoogheid," hernam Boreel. "Onze goede vriend
Buat is zelf een trouw bezoeker van genoemde herberg. Zeker heeft
hij Heenvliet daar dikwerf ontmoet."
"En wat zegt gij van dat herhaalde bezoek bij hare Hoogheid, de
Prinses-weduwe?" vraagde Zuijlestein.
"Wat zal ik er van zeggen, Zuijlestein," antwoordde de Prins. "Wat
de Heer De Witt voor mij gedaan heeft, is zelden tot mijn voordeel
geweest. Ik durf mij nog niet vleien."
"De Raadpensionaris is voorzichtig," merkte Boreel aan. "Hij zal
begrijpen, dat het tijd is, voor de noodzakelijkheid te bukken."
"Het zou zeker een verstandige trek van hem zijn," hervatte Buat. "En
mocht Uwe Hoogheid een aanstelling erlangen, dan beveel ik mij in
Hare gunst aan, om door hare voorspraak bevorderd te worden en weder
in actieven dienst [35] te treden."
"Beste Buat," zeide de Prins. "Laat ons toch de huid niet verkoopen,
alvorens de beer geschoten is."
Zoudt gij niet denken, mijne lezers, dat de Prins zeer onverschillig
was omtrent zijne bevordering?--En toch--wanneer gij in dat hart
hadt kunnen lezen, dat vol scheen van maaltijden en paarden en
onvatbaar voor elke opwekking tot iets groots, dan hadt gij daar
meer eerzucht in gezien, dan zelfs Heenvliet misschien wel zou
gewenscht hebben,--een eerzucht die zich niet alleen uitstrekte
tot het kapitein-generaalschap, maar ook tot het stadhouderschap,
hetwelk zijne vaderen met zooveel lof bekleed hadden.
Wij willen het viertal niet verder in hunne gesprekken volgen, en
keeren omtrent twee uren later in het vertrek van den Prins terug,
waar wij hen allen, behalve Boreel, terugvinden. Op het oogenblik,
waarvan ik spreek, dient de kamerdienaar den Raadpensionaris aan.
"Goede tijding, Willem!" fluisterde Zuijlestein, terwijl hij den
Prins de hand reikte. "Ik wensch u geluk met uwe benoeming."
"Ik ben verheugd, dat ik een der eersten zal zijn, die de goede
tijding verneem," zeide Buat.
Op dit oogenblik kwam de Raadpensionaris het vertrek binnen. De
prins stond op en ging hem te gemoet. Beiden plaatsten zich tegenover
elkander op de stoelen, door Zuijlestein en Buat nedergezet.
"Ik heb mij gehaast," begon de Raadpensionaris, "U zelf het eerst
de heuglijke tijding mede te deelen van de favorabele resolutie,
welke de Heeren Staten wel hebben gelieven te nemen ten aanzien van
het verzoek van Uwer Hoogheids grootmoeder, de Prinses-weduwe."
's Prinsen gelaat klaarde op: hij voelde een zenuwachtige trilling
door zijn geheele lichaam. De beide Heeren bleven in gespannen aandacht
bij den schoorsteen staan.
"Een verzoek van mijne geachte grootmoeder," zeide de Prins. "Wat
hield dat verzoek in, als ik vragen mag?"
De Raadpensionaris haalde eenige toegevouwen papieren uit zijn zak,
legde die op de tafel neder en nam er beurtelings een van op.
"Hare Hoogheid de Prinses-weduwe heeft op heden, den tweeden van
Grasmaand, aan mijne Souvereinen, de Edel-Groot-Mogende Heeren Staten
over _Holland_ en _West-Friesland_, het verzoek herhaald, reeds in
1660 door Hare Hoogheid en door wijlen Uwe moeder Mevrouw de Prinsesse
Royaal gedaan, dat Uwer Hoogheid het geluk mocht te beurt vallen, onder
staatsdirectie en conduite [36] te mogen verkrijgen die onderwijzing,
door welke zij de rechten en de maximen [37] dezer Republiek grondig
zou leeren begrijpen en erkennen en daardoor bekwaam mocht gemaakt
worden, om ten eenigen tijde, des noodig, den Staat te dienen."
Terwijl De Witt deze woorden uitte, was de Prins beurtelings rood en
bleek geworden. Om zich niet te verraden, had hij den zakdoek voor
den mond gehouden en worstelde thans met een hevige hoestbui.
"En heeft mijne grootmoeder _dat_ verzoek herhaald?" vraagde hij met
een van aandoening trillende stem aan De Witt.
"Wie anders dan zij?" vraagde De Witt, terwijl geen spier in zijn
gelaat de vreugd deed blijken, die er in zijn hart huisvestte. Ook
de Prins had zich hersteld; want met kalmte wendde hij zich tot Buat
en zeide:
"Wees zoo goed, te zorgen, dat mijn karos straks voorkome. Ik moet
naar het _Noordeinde_ om Harer Hoogheid mijnen dank te betuigen."
"Voorzeker," antwoordde De Witt. "Maar niet minder dankbaar zal
Uwe Hoogheid aan mijne Souvereinen, de Heeren Staten, zijn voor de
goedgunstige wijze, waarop zij dat verzoek hebben opgenomen [38]. Hunne
Edel-Groot-Mogenden hebben tot geautoriseerden en gecommitteerden tot
Uwer Hoogheids opvoeding benoemd de Heeren: Wichold van der Does,
uit de Ridderschap, Adriaan van Blijenburg, Heer van _Naaldwijk_,
Oud-burgemeester en Raad van de stad _Dordrecht_, Gillis Valkenier,
Burgemeester en Raad van _Amsterdam_, Nanning Foreest, Raad en Meester
van de rekenkamer der domeinen en Raad en Vroedschap te _Alkmaar_
en--mijn persoon...."
"Ook Uwe Edelheid?" hernam de Prins op een toon, die weinig twijfel
liet aan den onaangenamen indruk, welken deze tijding op hem maakte.
"Ook mij. Is dat Uwer Hoogheid ongevallig?"
"Integendeel. De lijst dier onbekende Heeren was mij onaangenaam. Uwe
Edelheid ken ik."
"En Hunne Edel-Groot-Mogenden hebben mij specialen last en bevel
gegeven om bij alle fortable [39] middelen onder Gods genadigen zegen
voornamelijk te behartigen en zorg te helpen dragen, dat Uwe Hoogheid
wel en grondig moge worden geïnstrueerd in de ware Christelijke
gereformeerde religie, mitsgaders in de goede en heilzame rechten,
privilegiën en maximen van dezen staat."
Hier hield De Witt op. Ook de Prins zweeg. Eindelijk vatte deze het
woord, en zeide:
"Alzoo hebben de Heeren Staten van _Holland_ mij, op vijftienjarigen
leeftijd, gemaakt tot...."
"Tot kind van den Staat," voleindigde De Witt, die wel zag, dat de
Prins niet bij machte was het woord te uiten.