slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. Op
last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven,
had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders verdeeld,
en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste
eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, dat, reeds te vijf uren
in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel
overnam, zich lafhartig buiten het gevecht hield. Wassenaar echter
kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip
in de lucht. Hierop heesch de trouwelooze stuurman van Kortenaar de
admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of
Evertsen dan wel Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was
het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en
enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer
dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige weinigen de
achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het
grootste deel der vloot behouden binnen _Texel_, waar de afgevaardigden
der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd,
zich derwaarts hadden begeven, om orde op de zaken te stellen. De
moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was te _Petten_
in een visschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren,
ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging op
het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen
het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen te worden)
tot hij het binnen _Texel_ had gebracht. Jan Evertsen had met een
tiental andere vaartuigen behouden de _Maas_ bereikt. Voor Wassenaar
werd door de Staten in het koor der Groote kerk te 's-_Gravenhage_ en
voor Kortenaar door de Admiraliteit van de _Maas_ in de Groote kerk te
_Rotterdam_ een praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers
werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere met
eerloosheid en verbanning gestraft.
In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins
zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar omdat zij
der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om
den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er ook nog, die bij de
versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders
dan onder 's Prinsen vlag; terwijl op het schip van Tromp de matrozen
geen anker wilden winden dan in 's Prinsen naam.
Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen
der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, en daar men,
na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan
Tromp het behoud der vloot te danken had, daar de liefde, die het
scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag
men zijne Prinsgezindheid over het hoofd en gaf hem het opperbevel,
onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en
in de daad bij drie gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens
wegens _Gelderland_, Johan de Witt wegens _Holland_ en Boreel wegens
_Zeeland_. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren
in hun schik en de vloot lag gereed om uit te zeilen. Dit was juist
op het tijdstip van De Ruyters terugkomst te _Delfzijl_. Gaan wij nu
ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel.
Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder
op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. Het was
Donderdag den 6den Augustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na
hunne aankomst te _Delfzijl_. Het was heerlijk weder en de Augustuszon
scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker
in koesterden.
"Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel," begon
Pieter. "Zoo'n akeligen kouden mist, en dan--men kon geen hand voor
oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere
ondiepte zouden stooten."
"Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er
gevaar kunnen zijn," zeide Engel.
"Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet
waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede man."
"Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam
kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de Heeren
Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij in
_Afrika_ en _Amerika_ verricht hebben. Verder brieven aan de Heeren
Raden der Admiraliteit te _Amsterdam_, aan de Heeren Staten van
_Groningen_ en _Ommelanden_, en aan die van _Friesland_."
"Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten."
"Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het
scheepsjournaal raadplegen," hernam Jonker Engel. "Kijk eens, Piet,"
vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. "Daar komt waarlijk
reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en laat de statietrap
uitzetten."
"Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok,"
zeide Pieter. "Misschien wel een lid der Staten-Generaal."
"Kan het ook de Raadpensionaris wezen?" vraagde Jonker Engel. "Hij
schijnt ten minste de hoogste van den troep."
"De Raadpensionaris?" riep Pieter lachende uit. "Neen, dien ken ik
wel. Ik heb hem te 's-_Gravenhage_ menigmaal gezien. Die ziet er veel
eenvoudiger uit."
"Waarschijnlijk is het dan de kommandant van _Delfzijl_," hervatte
Jonker Engel.
En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay,
bevelhebber van _Delfzijl_, die met eenig gezelschap aan De Ruyters
boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten.
"Nu komen zij vader nog storen," hervatte Jonker Engel, toen de heeren
de kampanje binnen waren.
"Het is toch een teeken van groote belangstelling in den
Vice-admiraal," vond Pieter.
"Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen
zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven
hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het
lijken wel kooplieden en gegoede burgers."
"Daar is ook een boer bij," riep Pieter uit. "Zij komen regelrecht
op ons schip af."
En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd,
stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, uit
steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man
hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar ook vrouwen,
ja "menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den
hals en kusten hem naar 's lands wijze, alsof ze hun vader of broeder,
uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden."
Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan.
De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters
behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht van
_Amsterdam_, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te
benoemen tot Luitenant-admiraal van _Holland_ en _West-Friesland_
en hem het opperbevel over de vloot, die te _Texel_ zeilreê lag,
op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13den
Augustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen
geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange reis de
zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop
kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal te
_Delfzijl_, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen
aan, dat zij de schepen naar _Texel_ of het _Vlie_ moesten brengen,
met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken,
doch dat men ze, op maandelijksche gage, tot nader orde en tromslag
in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij
gewillig, maar op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en
Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken
van een Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip
"Louise", die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men hen
naar _Texel_ op de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd,
of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen
te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche
krijgsgevangenen in _Engeland_ zeer slecht werden behandeld. Op het
schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk
tot bedaren gebracht. Maar van de Noordhollandsche schepen liep
genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een
sloep achterhaald, gevangengenomen, en te _Rotterdam_ opgehangen.
Het was op Vrijdag den 14den Augustus, dat de drie gevolmachtigden
bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem
geluk te wenschen met die benoeming.
"Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?" vraagde Pieter aan
Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij het roer bevond.
"Daar twijfel ik niet aan," gaf Engel ten antwoord.
"Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien
maanden."
"Dat kun je denken, Pieter," hernam Engel. "Maar dat weet je: waar
plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen."
"En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal
De Ruyter nooit achterlijk gebleven," voegde oom Klaas er bij. "Een
braaf man en een trouwe kerel, uw vader."
"Dat is hij, Klaas Dirksz," zeide Jonker Engel, "en ik reken mij
gelukkig zulk een vader te hebben."
"'t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naar
_Texel_ gaat," hernam oom Klaas.
"Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman," hervatte Jonker Engel. "Als
de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed vindt, zal ieder,
die wil, met vader kunnen meegaan."
"Dan ben ik een der eersten," riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat
verhelderde. "Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning of
in den dood."
"En ik ga ook mee," zeide Pieter. "Ten minste als jij niet hier
blijft, Engel."
"Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen
zal vertrekken en mij achterlaten?"
"En zullen wij spoedig gaan?" vraagde Pieter.
"Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting
van den scheepsraad zal wel niet lang duren."
Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven
zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven te wagen
voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom
Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan Belgicus van Hoorne,
Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild,
later secretaris bij De Ruyter. Van boord varende, deden al de schepen
saluutschoten; te _Delfzijl_ waren al de soldaten ter eere van den
Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met
twee trekschuiten vertrokken zij naar _Groningen_ en van daar over
_Dokkum_ naar _Leeuwarden_, _Franeker_ en _Harlingen_; terwijl zij den
nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag
in laatstgenoemde stad waren. In al de steden, welke zij doorvoeren,
werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich
begroet en, zooveel de snelheid hunner reis het toeliet, door de
vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naar
_Texel_, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in
handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en het
volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen te _Texel_
had laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den
ochtendstond van den 18den op de vloot, aan boord van het schip "de
Liefde", waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren
Staten Johan de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd.
Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch
had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber vernomen,
of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar
beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over 's lands vloot
opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo
wederrechtelijk dat bevel ontnemen?--Terstond diende hij zijn ontslag
in, ten minste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal
en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te blijven
en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip.
Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op
de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er waren ten
jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De
Witt afrieden met alle kracht van redeneering; die hem onder het oog
brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der
vijanden blootstelde, zonder te bedenken, wat er aan hem zou verloren
worden. Maar hij antwoordde: "dat de behoudenis van zijn persoon en
zijn geluk aan het behoud van den Staat hing, en dat de goede of kwade
uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom
was hij op de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te
voortvarenden te matigen."
En dat hij met hart en ziel het heil van 's Lands vloot zocht, dat
had men op den 14den Augustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet
zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts
met tien streken van het kompas [25] het gat van Texel kon uitvaren,
maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had,
met acht-en-twintig. De oudste en knapste loodsen lachten hem over
die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan
niet. Hij zelf ging aan het roer staan van "de Delfland", terwijl
de Heer Van Haaren "Het huis te Swieten" voor zijne rekening nam. En
zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog
dienzelfden dag in zee.
De Ruyter bleef niet op het schip "de Liefde", maar begaf zich nog
denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip "de Delfland",
waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door
de zorg van De Witt binnen acht weken weer in zee gebracht, bestond
nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken
geschut en bemand met 19635 koppen. Zij was verdeeld in vier eskaders,
elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis
Evertsen, Cornelis Tromp en Tjerk Hiddes de Vries.
Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm
noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug te keeren.
Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring
gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen bisschop
van _Munster_, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en door
_Engeland_ was opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan
de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig gesteld
was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter
werd de vrede met hem den 18den April van het volgend jaar gesloten.
ELFDE HOOFDSTUK.
Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de
Raadpensionaris daarover zeide.
In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog
in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen,
ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene
stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge
goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het
handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat
in een "brief" of "kaart," werden meestal aan de goedkeuring van den
Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De
stad 's-_Gravenhage_ was toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan de
_Hofbuurt_ (_Binnen-_, _Buitenhof_ en _Hofsingel_) en de _Illustre
Parelbuurt_ (_Voorhof_ en _Vijverberg_) de voornaamste in rang
waren. Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo
bevatten de _Hofbuurt_ en _Parelbuurt_ twee vereenigingen: die voor
Heeren-burgers en die voor Burger-burgers; zoo hadden enkele buurten,
b. v. het _Voorhout_, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een
voor ongehuwden, _Jonkmansbuurt_ genaamd. Aan het hoofd van elke
buurt stond een bestuur, "officier en regenten der Buurt" geheeten,
hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel "President van de
Buyrte" genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam
van "vredemakers" droegen) en één Secretaris (die in de _Hofbuurt_
den titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder
andere de _Hoogstraat_, haren advocaat. De deelneming als lid der
buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn,
en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap
geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had,
als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen
geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon
men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe
voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten
of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche
of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten
[26], f 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis,
en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het
doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der
vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer
twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die
trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet
te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden
zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw "smeet ofte sloeg,
dat daar een straatgerucht uit voortquam" verbeurde een vette ham
of ten minste f 3 (in andere buurten f 1.50), voor het "kyven met
anderen in de buyrt" 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging
f 1.50, slaan f 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men
24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die
ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden
der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee
of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten
genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens
vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te
assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme
gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze
betaalde daarvan den dragers f 1 of meer en stortte het overige in
de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching,
waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de
schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden
waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor
het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen
en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd [27].
Wij willen dan eens den _Nieuwen Doelen_ binnentreden en ons naar
dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje [28] reeds eenmaal
zijn ingetreden. Het is de 24ste November van het jaar 1665, de tweede
dag van den ditmaal gevierd wordenden maaltijd. Het is dit jaar een
luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder;
want een paar hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen
de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris
Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den
Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, in plaats
van de f 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder
dan 19 Dukatons (f 59,85) gegeven: terwijl de Prins, behalve een nog
veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft
laten gereedmaken, welke hij naar den _Doelen_ heeft gezonden. "Door
zijn kok?" hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er
reeds een heele hofhouding op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein,
zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz
en de andere bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den
post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een
Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen
vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden van zijn
huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27sten April als vendrig
in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield,
getuigen nog zijne aan den jongen baron gerichte brieven, waarin zijne
Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft.
Maar keeren wij tot de zaal van den _Nieuwen Doelen_ terug, die sedert
1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de
Casteleneye van _Holland_, welke vóór dien tijd tot dat doel werd
ingericht. Ook heeft men in de _Hofbuurt_ voor ditmaal het gebruik
afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder
genoodigde zijn eigen servet, mes en lepel moest medebrengen. Wij
treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen,
die reeds vroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar
de mannen onder het "drinken van toeback", die in looden potten
aanwezig is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje "malvezy
ofte spaensen wijn" en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert
tien uren den tijd hebben gesleten.
De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd
met de kleuren van het Huis van _Oranje_. In het midden staat de
tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden,
speenvarkens, kalfsschijven en vette hammen als vleeschspijzen;--hazen,
konijnen en een reebout als wild;--kalkoenen, hoenders, duiven,
als gevogelte;--zee- en riviervisch en vooral "oysters" [29], zoo
versch als gebraden, als waterproduct;--gort, erwten en boonen, op
verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als veldvruchten
voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten,
druiven [30] en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als:
"Spaens banquet," "ordinair banquet van appelen" en "taartenbanquet,"
"marsepeynen," "gestoffeerde poddings", "pasteyen", "eyerkoeken"
en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten is, en te
drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche
wijnen, voor "Spaensen" en "Rhijnschen" wijn, en die kroezen voor
"Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs" bier. Om de tafel heen staan
stoelen met zachte kussens, en de tafel zelf is met een helder wit
tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin.
"Zijne Hoogheid toeft vandaag lang," begon de advocaat Moleschot, de
aftredende deken van dat jaar. "Zij zal, hoop ik, toch wel deelnemen
aan ons festijn."
"Voorzeker," zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. "Ik
weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen."
"Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren," verzekerde
Johan Houttuijn, een ander hoofdman.
"Waarom niet?" vraagde Middelgeest.
"Hij is geïndisposeerd geworden," antwoordde Houttuijn.
"Geïndisposeerd?" riep Henricus Hondius uit. "Het zal hem gisteren
zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat veel gefêteerd
hebben."
"De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent
te houden," bracht Van Limborch in het midden. "Hij weet zeer goed,
dat de _Hofbuurt_ verscheidene leden telt, die der Staatspartij
zijn toegedaan."
"Meer toch nog den Prins," hernam Hondius. "Bij de meesten is het
nog Oranjeboven."
"Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor
den Oranjestam," hervatte Limborch. "Maar niemand, welke partij hij
ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite
grooter is dan die van eenig man in de Republiek."
"En dan die oorlog met Engeland?" vraagde Hondius.
"Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen
schuld aan," antwoordde Limborch.
"Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!" maande een ander hoofdman,
Lintelo van der Ehse aan. "Gij weet zeer goed, dat die onder goede
buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient
tot verbroedering."