Den 13den Juni, met het aanbreken van den dag, raakten de beide vloten

slaags. Maar noodlottig was voor ons de uitslag van dit gevecht. Op

last der Staten, die gaarne aan al de gewesten genoegen wilden geven,

had Wassenaar de vloot in niet minder dan zeven eskaders verdeeld,

en dit verzwakte natuurlijk de eenheid in werking, zoodat de meeste

eskaders op zich zelf handelden. Daarbij kwam, dat, reeds te vijf uren

in den morgen, Kortenaar sneuvelde en diens stuurman, die het bevel

overnam, zich lafhartig buiten het gevecht hield. Wassenaar echter

kweet zich kloekmoedig, doch ongelukkig vloog hij met zijn schip

in de lucht. Hierop heesch de trouwelooze stuurman van Kortenaar de

admiraalsvlag in top en nam de vlucht. De anderen, niet wetende of

Evertsen dan wel Tromp het opperbevel had, volgden hem en spoedig was

het wijken algemeen. Slechts aan den moed van de opperbevelhebbers en

enkele kapiteins hadden wij het te danken, dat ons verlies niet meer

dan zestien schepen bedroeg. Vooral Tromp, die met eenige weinigen de

achterhoede uitmaakte, weerde den vijand het langst af en bracht het

grootste deel der vloot behouden binnen _Texel_, waar de afgevaardigden

der Staten zich bevonden, die, reeds van de nederlaag verwittigd,

zich derwaarts hadden begeven, om orde op de zaken te stellen. De

moedige Johan de Witt, die zich onder hen bevond, was te _Petten_

in een visschersboot gegaan en naar onze vluchtende schepen gevaren,

ten einde hen te bewegen, het gevecht te hervatten. Hij ging op

het achterste dier schepen over en was daarop gebleven (ook toen

het aan den grond raakte en in gevaar kwam om genomen te worden)

tot hij het binnen _Texel_ had gebracht. Jan Evertsen had met een

tiental andere vaartuigen behouden de _Maas_ bereikt. Voor Wassenaar

werd door de Staten in het koor der Groote kerk te 's-_Gravenhage_ en

voor Kortenaar door de Admiraliteit van de _Maas_ in de Groote kerk te

_Rotterdam_ een praalgraf opgericht. Sommige der Scheepsbevelhebbers

werden om hun in dien strijd gehouden gedrag met den dood andere met

eerloosheid en verbanning gestraft.

In het voorbijgaan moet ik u nog doen opmerken, dat vele kapiteins

zich slecht gedragen hadden, niet uit lafhartigheid, maar omdat zij

der Oranjezaak waren toegedaan. Zeker een heel verkeerde manier om

den Prins dienst te bewijzen. Ja, er waren er ook nog, die bij de

versterking der gehavende vloot weigerden in dienst te gaan, anders

dan onder 's Prinsen vlag; terwijl op het schip van Tromp de matrozen

geen anker wilden winden dan in 's Prinsen naam.

Intusschen ging men met den meesten ijver voort aan het herstellen

der geledene schade. Nu moest men een vlootvoogd kiezen, en daar men,

na den ongelukkigen zeeslag tusschen Wassenaar en York, vooral aan

Tromp het behoud der vloot te danken had, daar de liefde, die het

scheepsvolk voor zijn vader had gekoesterd, op hem was overgegaan, zag

men zijne Prinsgezindheid over het hoofd en gaf hem het opperbevel,

onder voorwaarde, dat het slechts in naam bij hem zou berusten, en

in de daad bij drie gevolmachtigden der Algemeene Staten, Huijgens

wegens _Gelderland_, Johan de Witt wegens _Holland_ en Boreel wegens

_Zeeland_. Tromp snelde naar de vloot, bevelhebbers en matrozen waren

in hun schik en de vloot lag gereed om uit te zeilen. Dit was juist

op het tijdstip van De Ruyters terugkomst te _Delfzijl_. Gaan wij nu

ook derwaarts en zien wij, wat daar voorviel.

Wij vinden boven op de kampanje onzen Pieter en Jonker Engel, ieder

op een rol touwwerk gezeten, met elkander aan het praten. Het was

Donderdag den 6den Augustus 1665, ongeveer zes uren, dus twee uren na

hunne aankomst te _Delfzijl_. Het was heerlijk weder en de Augustuszon

scheen zoo liefelijk op het dek, dat de beide vrienden er zich lekker

in koesterden.

"Dat is ander weer dan wij op zee hebben gehad, Engel," begon

Pieter. "Zoo'n akeligen kouden mist, en dan--men kon geen hand voor

oogen zien. Ieder oogenblik dacht ik, dat wij op de een of andere

ondiepte zouden stooten."

"Ja, als uw oom niet aan het roer had gestaan, Pieter! Dan had er

gevaar kunnen zijn," zeide Engel.

"Alsof uw vader zich rustig en stil in zijn kampanje hield, niet

waar? Waarlijk hij mag nu wel wat rust genieten, de goede man."

"Rust? Ach, wanneer zal vader dat woord eens anders dan bij naam

kennen? Hij zit nu reeds zijn brieven te schrijven aan de Heeren

Staten-Generaal, waarin hij hun verslag geeft van hetgeen wij in

_Afrika_ en _Amerika_ verricht hebben. Verder brieven aan de Heeren

Raden der Admiraliteit te _Amsterdam_, aan de Heeren Staten van

_Groningen_ en _Ommelanden_, en aan die van _Friesland_."

"Eilacy! Dat zal hij toch wel door den schrijver laten verrichten."

"Natuurlijk. Maar hij moet ze hem toch voorzeggen en daarbij het

scheepsjournaal raadplegen," hernam Jonker Engel. "Kijk eens, Piet,"

vervolgde hij, terwijl hij naar den wal wees. "Daar komt waarlijk

reeds bezoek aan ons boord. Vader merkt het al en laat de statietrap

uitzetten."

"Dat is een deftig heer, die met zijn gouden gegallonneerden rok,"

zeide Pieter. "Misschien wel een lid der Staten-Generaal."

"Kan het ook de Raadpensionaris wezen?" vraagde Jonker Engel. "Hij

schijnt ten minste de hoogste van den troep."

"De Raadpensionaris?" riep Pieter lachende uit. "Neen, dien ken ik

wel. Ik heb hem te 's-_Gravenhage_ menigmaal gezien. Die ziet er veel

eenvoudiger uit."

"Waarschijnlijk is het dan de kommandant van _Delfzijl_," hervatte

Jonker Engel.

En waarlijk had Jonker Engel het geraden; want het was de heer Schay,

bevelhebber van _Delfzijl_, die met eenig gezelschap aan De Ruyters

boord kwam, om hem met zijne behouden terugkomst te begroeten.

"Nu komen zij vader nog storen," hervatte Jonker Engel, toen de heeren

de kampanje binnen waren.

"Het is toch een teeken van groote belangstelling in den

Vice-admiraal," vond Pieter.

"Dat is het. Maar vader heeft nu zijn tijd wel noodig. Intusschen

zal hij den schrijver wel reeds de noodige instructiën gegeven

hebben. Kijk eens, Pieter! daar komen nog andere lieden aan. Het

lijken wel kooplieden en gegoede burgers."

"Daar is ook een boer bij," riep Pieter uit. "Zij komen regelrecht

op ons schip af."

En zoo was het ook. Ja, toen de aankomst van De Ruyter bekend werd,

stond het eenige dagen letterlijk niet stil van bezoekers, uit

steden en dorpen, edel en onedel, allen wilden den geliefden man

hunne blijdschap betuigen; en niet alleen mannen maar ook vrouwen,

ja "menigte van deftige en eerlijke vrouwen vielen De Ruyter om den

hals en kusten hem naar 's lands wijze, alsof ze hun vader of broeder,

uit gevaar des doods ontkomen, bewellekoomden."

Gaarne zou ik hier langer met u vertoeven, doch wij moeten voortgaan.

De Staten-Generaal hadden niet zoodra de tijding van De Ruyters

behouden terugkomst vernomen, of zij besloten, op voordracht van

_Amsterdam_, hem in plaats van den gesneuvelden Wassenaar-Obdam te

benoemen tot Luitenant-admiraal van _Holland_ en _West-Friesland_

en hem het opperbevel over de vloot, die te _Texel_ zeilreê lag,

op te dragen. Dezen lastbrief ontving onze De Ruyter den 13den

Augustus. Den vorigen dag was er heel wat op de vloot te doen

geweest. Het scheepsvolk namelijk, dat door zulk een lange reis de

zee moede was geworden, wilde aan land en naar huis. Kort daarop

kwamen er drie Heeren gevolmachtigden van de Staten-Generaal te

_Delfzijl_, om het volk te monsteren, en zeiden den schepelingen

aan, dat zij de schepen naar _Texel_ of het _Vlie_ moesten brengen,

met belofte dat men dan ieder naar de zijnen zou laten vertrekken,

doch dat men ze, op maandelijksche gage, tot nader orde en tromslag

in dienst hield. Op de Amsterdamsche schepen toonde zich het volk vrij

gewillig, maar op het schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche en

Noordhollandsche schepen sloeg men aan het muiten, en wel op aanstoken

van een Delvenaar, den matroos Jan Janszoon de Werelt van het schip

"Louise", die op verscheidene schepen had uitgestrooid, dat men hen

naar _Texel_ op de oorlogsvloot zou brengen en die hun had gevraagd,

of zij er niet voor bedankten om doodgeschoten of gevangengenomen

te worden; want het gerucht had zich verbreid, dat de Nederlandsche

krijgsgevangenen in _Engeland_ zeer slecht werden behandeld. Op het

schip van Van der Zaan en op de Rotterdamsche schepen werd het volk

tot bedaren gebracht. Maar van de Noordhollandsche schepen liep

genoegzaam de geheele bemanning weg. De muiter echter werd in een

sloep achterhaald, gevangengenomen, en te _Rotterdam_ opgehangen.

Het was op Vrijdag den 14den Augustus, dat de drie gevolmachtigden

bij den nieuwbenoemden Luitenant-admiraal aan boord kwamen, om hem

geluk te wenschen met die benoeming.

"Zal je vader het Luitenant-admiraalschap aannemen?" vraagde Pieter aan

Jonker Engel, die bij hem kwam, terwijl hij zich bij het roer bevond.

"Daar twijfel ik niet aan," gaf Engel ten antwoord.

"Hij zal toch wel naar huis verlangen, na een afwezigheid van vijftien

maanden."

"Dat kun je denken, Pieter," hernam Engel. "Maar dat weet je: waar

plicht gebiedt, daar zwijgen bij vader alle andere roepstemmen."

"En waar het vaderland zijn diensten vraagt, is de Luitenant-admiraal

De Ruyter nooit achterlijk gebleven," voegde oom Klaas er bij. "Een

braaf man en een trouwe kerel, uw vader."

"Dat is hij, Klaas Dirksz," zeide Jonker Engel, "en ik reken mij

gelukkig zulk een vader te hebben."

"'t Zal mij veel kosten, hier te blijven, terwijl onze Admiraal naar

_Texel_ gaat," hernam oom Klaas.

"Dat zal wel niet noodig zijn, stuurman," hervatte Jonker Engel. "Als

de Scheepsraad, die zoo straks bijeenkomt, het goed vindt, zal ieder,

die wil, met vader kunnen meegaan."

"Dan ben ik een der eersten," riep Dirksz uit, terwijl zijn gelaat

verhelderde. "Met mijn Luitenant-admiraal ga ik ter overwinning of

in den dood."

"En ik ga ook mee," zeide Pieter. "Ten minste als jij niet hier

blijft, Engel."

"Hoe komt je dat in de gedachten, Pieter? Denk je, dat vader alleen

zal vertrekken en mij achterlaten?"

"En zullen wij spoedig gaan?" vraagde Pieter.

"Nog heden. Doch daar komen de kapiteins al aan boord. De zitting

van den scheepsraad zal wel niet lang duren."

Acht en dertig vrijwilligers, zoo bevelhebbers als matrozen, gaven

zich aan om met den geliefden Admiraal opnieuw het leven te wagen

voor het Vaderland. Onder hen bevonden zich, behalve Pieter en oom

Klaas, ook de Vice-admiraal Van Nes, Graaf Johan Belgicus van Hoorne,

Jonker Reinoud van Koeverden en de schrijver van het schip van De Wild,

later secretaris bij De Ruyter. Van boord varende, deden al de schepen

saluutschoten; te _Delfzijl_ waren al de soldaten ter eere van den

Luitenant-admiraal onder de wapenen en loste men het geschut. Met

twee trekschuiten vertrokken zij naar _Groningen_ en van daar over

_Dokkum_ naar _Leeuwarden_, _Franeker_ en _Harlingen_; terwijl zij den

nacht doorreisden, zoodat zij reeds den volgenden dag na den middag

in laatstgenoemde stad waren. In al de steden, welke zij doorvoeren,

werden zij door een grooten toeloop van volk en met uitbundig gejuich

begroet en, zooveel de snelheid hunner reis het toeliet, door de

vroedschap onthaald. Nog denzelfden avond gingen zij onder zeil naar

_Texel_, waar zij den volgenden dag aankwamen, De Ruyter den eed in

handen van de gevolmachtigden der Staten-Generaal aflegde en het

volk zich op de twee fregatten begaf, die men voor hen te _Texel_

had laten liggen. Door tegenwind teruggehouden, kwam men eerst in den

ochtendstond van den 18den op de vloot, aan boord van het schip "de

Liefde", waar de Luitenant-admiraal door de gevolmachtigden der Heeren

Staten Johan de Witt, Huijgens en Boreel hartelijk verwelkomd werd.

Daar was intusschen op die vloot wat voorgevallen. Nauwelijks toch

had Tromp de benoeming van De Ruyter tot opperbevelhebber vernomen,

of hij gevoelde zich, niet ten onrechte, diep gekrenkt en zwaar

beleedigd. Men had hem immers het opperbevel over 's lands vloot

opgedragen en hij had haar in orde gebracht. Hoe kon men hem dan zoo

wederrechtelijk dat bevel ontnemen?--Terstond diende hij zijn ontslag

in, ten minste voor dezen tocht; maar op aanhouden der Staten-Generaal

en hunne gemachtigden liet hij zich overhalen op de vloot te blijven

en ontving den nieuwen opperbevelhebber zeer beleefd op zijn schip.

Het heeft u misschien verwonderd, dat de Raadpensionaris zelf op

de vloot was, en inderdaad, gij zijt de eenigen niet. Er waren ten

jare 1665 velen hier te lande, wien het verwonderde, en die het De

Witt afrieden met alle kracht van redeneering; die hem onder het oog

brachten, hoe hij zich aan het gevaar van stormen en de kogels der

vijanden blootstelde, zonder te bedenken, wat er aan hem zou verloren

worden. Maar hij antwoordde: "dat de behoudenis van zijn persoon en

zijn geluk aan het behoud van den Staat hing, en dat de goede of kwade

uitkomst van een zeeslag beiden zou behouden of verderven. Daarom

was hij op de vloot gegaan, om de dapperen aan te moedigen en de te

voortvarenden te matigen."

En dat hij met hart en ziel het heil van 's Lands vloot zocht, dat

had men op den 14den Augustus gezien, toen hij bewees, dat men, niet

zooals de meest ervaren zeelieden tot hiertoe gemeend hadden, slechts

met tien streken van het kompas [25] het gat van Texel kon uitvaren,

maar, zooals hij door nauwkeurig mathematisch onderzoek gevonden had,

met acht-en-twintig. De oudste en knapste loodsen lachten hem over

die bewering in het gezicht uit. Maar De Witt stoorde zich daaraan

niet. Hij zelf ging aan het roer staan van "de Delfland", terwijl

de Heer Van Haaren "Het huis te Swieten" voor zijne rekening nam. En

zoo bracht de schrandere man, tot verbazing van allen, de vloot nog

dienzelfden dag in zee.

De Ruyter bleef niet op het schip "de Liefde", maar begaf zich nog

denzelfden dag met de drie gevolmachtigden op het schip "de Delfland",

waarheen ook Klaas en Pieter hem vergezelden. De vloot, vooral door

de zorg van De Witt binnen acht weken weer in zee gebracht, bestond

nu uit drie-en-negentig oorlogsfregatten, voorzien van 4337 stukken

geschut en bemand met 19635 koppen. Zij was verdeeld in vier eskaders,

elk onder een Luitenant-admiraal, en wel onder De Ruyter, Cornelis

Evertsen, Cornelis Tromp en Tjerk Hiddes de Vries.

Veel echter richtte deze vloot dit jaar niet uit; een zware storm

noodzaakte haar, om zwaar beschadigd naar hare havens terug te keeren.

Nog hadden wij in het zelfde jaar een tweede oorlogsverklaring

gekregen, en wel van Barend van Galen, den oorlogzuchtigen bisschop

van _Munster_, die nog een ouden wrok tegen den Staat gevoelde, en door

_Engeland_ was opgezet en met geld werd ondersteund. Alles was hier aan

de zeemacht opgeofferd, zoodat het met de landmacht ellendig gesteld

was. Barend van Galen veroorzaakte ons veel schade; gelukkig echter

werd de vrede met hem den 18den April van het volgend jaar gesloten.

ELFDE HOOFDSTUK.

Wat er met den Prins op het buurtmaal voorviel en wat de

Raadpensionaris daarover zeide.

In den tijd, waarvan wij spreken, waren de buurtvereenigingen nog

in vollen bloei. Buurtvereenigingen of buurten waren genootschappen,

ontstaan door vrije overeenkomst van in elkanders nabijheid gelegene

stadsgedeelten of wijken, wier bewoners zich verbonden tot onderlinge

goede verstandhouding, het verleenen van wederkeerige hulp en het

handhaven der orde binnen de buurt. De bepalingen daartoe, vervat

in een "brief" of "kaart," werden meestal aan de goedkeuring van den

Magistraat onderworpen en hadden slechts dan verbindende kracht. De

stad 's-_Gravenhage_ was toenmaals verdeeld in 71 buurten, waarvan de

_Hofbuurt_ (_Binnen-_, _Buitenhof_ en _Hofsingel_) en de _Illustre

Parelbuurt_ (_Voorhof_ en _Vijverberg_) de voornaamste in rang

waren. Sommige dier buurten waren nog gescheiden in twee gedeelten. Zoo

bevatten de _Hofbuurt_ en _Parelbuurt_ twee vereenigingen: die voor

Heeren-burgers en die voor Burger-burgers; zoo hadden enkele buurten,

b. v. het _Voorhout_, eene vereeniging voor gehuwde mannen en een

voor ongehuwden, _Jonkmansbuurt_ genaamd. Aan het hoofd van elke

buurt stond een bestuur, "officier en regenten der Buurt" geheeten,

hetwelk was samengesteld uit een deken (ook wel "President van de

Buyrte" genoemd), twee, vier of zes Hoofdlieden (die ook den naam

van "vredemakers" droegen) en één Secretaris (die in de _Hofbuurt_

den titel van griffier voerde). Zelfs hadden sommige buurten, onder

andere de _Hoogstraat_, haren advocaat. De deelneming als lid der

buurt was vrijwillig; evenwel moest men bewoner van de buurt zijn,

en werd er bij stemming over het toetreden tot het lidmaatschap

geballoteerd. Wie niet goed van gedrag was, geen goeden naam had,

als onaangenaam in den omgang bekend stond, of om andere redenen

geen genoegzaam aantal stemmen kreeg, mocht geen lid worden. Ook kon

men van dat Lidmaatschap vervallen worden verklaard, tot straffe

voor het niet voldoen aan de vastgestelde wetten, keuren, boeten

of ordonnantiën. Elk lid nam op zich te betalen een wekelijksche

of maandelijksche contributie, die verschillend was naar de buurten

[26], f 3 bij het koopen en evenveel bij het verkoopen van een huis,

en een vastgesteld geld bij huwelijken, geboorten of begrafenis. Het

doel dezer buurtvereenigingen was onderlinge hulp en bevordering der

vriendschap; ook het handhaven van vrede en rust in de buurt. Wanneer

twee buren twist hadden, begaven zij zich naar de Hoofdlieden, die

trachten hen met elkander te verzoenen. Verkozen zij daarnaar niet

te luisteren en brachten zij de zaak voor het gerecht, dan betaalden

zij eene boete van drie gulden. Wie zijn vrouw "smeet ofte sloeg,

dat daar een straatgerucht uit voortquam" verbeurde een vette ham

of ten minste f 3 (in andere buurten f 1.50), voor het "kyven met

anderen in de buyrt" 12 stuivers, schelden 6 stuivers, bedreiging

f 1.50, slaan f 3; kwam men bij brand niet op, dan verbeurde men

24 stuivers. Al die boeten gingen bij de inkomsten, en van al die

ontvangsten werden jaarlijks maaltijden aangericht, waaraan al de leden

der buurt met hunne vrouwen deelnamen. Somtijds hield men om de twee

of drie jaren een maaltijd, waarbij de bewoners van andere buurten

genoodigd werden. De maaltijden duurden gewoonlijk drie, wel eens

vier dagen. Bij sterfgevallen waren de buren verplicht als dragers te

assisteeren, waarvoor de betrekkingen van den doode een zekere somme

gelds naar believen aan den buurt-secretaris ter hand stelden. Deze

betaalde daarvan den dragers f 1 of meer en stortte het overige in

de kas. Ook bij brand moesten de buurtlieden opkomen ter blussching,

waarvan echter zij, die aan het stadhuis verbonden waren of tot de

schutterij behoorden, waren vrijgesteld. De afgetredene hoofdlieden

waren brandmeesters. Nog had de buurt een knecht, die zorgen moest voor

het aanzeggen der dooden, het oproepen der dragers en het uitdeelen

en ophalen der buurtpenningen, die dezen aan huis werden bezorgd [27].

Wij willen dan eens den _Nieuwen Doelen_ binnentreden en ons naar

dezelfde zaal begeven, die wij in een vroeger werkje [28] reeds eenmaal

zijn ingetreden. Het is de 24ste November van het jaar 1665, de tweede

dag van den ditmaal gevierd wordenden maaltijd. Het is dit jaar een

luisterrijk festijn; veel kostbaarder dan gewoonlijk. En geen wonder;

want een paar hooggeplaatste personages, ook leden der buurt, zullen

de maaltijden bijwonen: Prins Willem Hendrik en de Raadpensionaris

Johan de Witt met zijne echtgenoote Wendela, de dochter van den

Amsterdamschen burgemeester Bicker. De Witt heeft dan ook, in plaats

van de f 15.60 die hij als lid der buurt moest betalen, niet minder

dan 19 Dukatons (f 59,85) gegeven: terwijl de Prins, behalve een nog

veel aanzienlijker gift, door zijn kok verscheidene schotels heeft

laten gereedmaken, welke hij naar den _Doelen_ heeft gezonden. "Door

zijn kok?" hoor ik u vragen. Welzeker, de vijftienjarige knaap houdt er

reeds een heele hofhouding op na. Behalve zijn goeverneur Zuijlestein,

zijn schrijver en Raad Wildertz, zijn kamerdienaar Karel Pietersz

en de andere bedienden, bekleedt de Heer van Heenvliet bij hem den

post van opperstalmeester, Boreel dien van hofmeester, Bromley, een

Engelschman, en Buat, die vroeger reeds als page bij zijn doorluchtigen

vader Willem II in dienst is geweest, die van edellieden van zijn

huis. De baron Van Freisheim is sedert den 27sten April als vendrig

in dienst van den Staat. Hoeveel de Prins steeds van dezen hield,

getuigen nog zijne aan den jongen baron gerichte brieven, waarin zijne

Hoogheid den lossen Freisheim menige vriendelijke vermaning geeft.

Maar keeren wij tot de zaal van den _Nieuwen Doelen_ terug, die sedert

1648 steeds voor deze gelegenheden gebruikt wordt, in plaats van de

Casteleneye van _Holland_, welke vóór dien tijd tot dat doel werd

ingericht. Ook heeft men in de _Hofbuurt_ voor ditmaal het gebruik

afgeschaft, dat ook in de andere buurten bestaat: namelijk, dat ieder

genoodigde zijn eigen servet, mes en lepel moest medebrengen. Wij

treden de zaal binnen op het oogenblik, dat de gasten boven komen,

die reeds vroeg in de benedenzalen vergaderd zijn geweest; alwaar

de mannen onder het "drinken van toeback", die in looden potten

aanwezig is, en de vrouwen bij het gebruik van een glaasje "malvezy

ofte spaensen wijn" en kandeel en een aangenaam buurpraatje, sedert

tien uren den tijd hebben gesleten.

De zaal is verlicht met tallooze waskaarsen en schoon versierd

met de kleuren van het Huis van _Oranje_. In het midden staat de

tafel, waarop een rijkdom van schotels: heerlijke ossenrolenden,

speenvarkens, kalfsschijven en vette hammen als vleeschspijzen;--hazen,

konijnen en een reebout als wild;--kalkoenen, hoenders, duiven,

als gevogelte;--zee- en riviervisch en vooral "oysters" [29], zoo

versch als gebraden, als waterproduct;--gort, erwten en boonen, op

verschillende wijzen toebereid, salade en radijs als veldvruchten

voorkomen. Verder het dessert, bestaande uit peren, appelen, noten,

druiven [30] en mispelen, en uit een menigte taarten en gebakken, als:

"Spaens banquet," "ordinair banquet van appelen" en "taartenbanquet,"

"marsepeynen," "gestoffeerde poddings", "pasteyen", "eyerkoeken"

en heerlijke confituren. Gij ziet, dat er genoeg te eten is, en te

drinken ook; want die lange fluiten zijn voor verschillende Fransche

wijnen, voor "Spaensen" en "Rhijnschen" wijn, en die kroezen voor

"Haagsch, Dorts, Bergs of Hamburgs" bier. Om de tafel heen staan

stoelen met zachte kussens, en de tafel zelf is met een helder wit

tafellaken gedekt; de schotels en borden zijn van tin.

"Zijne Hoogheid toeft vandaag lang," begon de advocaat Moleschot, de

aftredende deken van dat jaar. "Zij zal, hoop ik, toch wel deelnemen

aan ons festijn."

"Voorzeker," zeide Cimon van Middelgeest, een der hoofdlieden. "Ik

weet zeker, dat Zijne Hoogheid zal komen."

"Maar de Raadpensionaris zal heden niet paraisseeren," verzekerde

Johan Houttuijn, een ander hoofdman.

"Waarom niet?" vraagde Middelgeest.

"Hij is geïndisposeerd geworden," antwoordde Houttuijn.

"Geïndisposeerd?" riep Henricus Hondius uit. "Het zal hem gisteren

zeker niet gecoiffeerd hebben, dat wij ons Prinsje wat veel gefêteerd

hebben."

"De Raadpensionaris is er de man niet naar, om zich daarvoor absent

te houden," bracht Van Limborch in het midden. "Hij weet zeer goed,

dat de _Hofbuurt_ verscheidene leden telt, die der Staatspartij

zijn toegedaan."

"Meer toch nog den Prins," hernam Hondius. "Bij de meesten is het

nog Oranjeboven."

"Ieder, die het wel met den Lande meent, zal respect hebben voor

den Oranjestam," hervatte Limborch. "Maar niemand, welke partij hij

ook zij toegedaan, zal den Raadpensionaris minachten, wiens mérite

grooter is dan die van eenig man in de Republiek."

"En dan die oorlog met Engeland?" vraagde Hondius.

"Daar heeft toch zijne Edelheid de Raadpensionaris in trouwe geen

schuld aan," antwoordde Limborch.

"Geen politiek op ons buurtmaal, heeren!" maande een ander hoofdman,

Lintelo van der Ehse aan. "Gij weet zeer goed, dat die onder goede

buren niet te pas komt, vooral niet bij een gelegenheid, welke dient

tot verbroedering."

De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering · 第 9 / 15 段