Toen men hier te lande deze geweldenarij vernam, deed men daarover

zijn beklag aan het Britsche hof,--doch koning Karel hield zich,

alsof hij er niets van wist. Daar intusschen in _Engeland_ groote

krijgstoerustingen werden gemaakt, begreep men hier ook niet stil te

moeten zitten. Men zond dus den Schout-bij-nacht Cornelis Tromp met een

aanzienlijk smaldeel uit, om onze koopvaarders te beschermen. Kort

daarop werd een tweede vloot van dertig zware schepen in zee

gebracht met den Luitenant-admiraal Van Wassenaar aan het hoofd,

terwijl men aan De Ruyter bevel zond, in het geheim naar de door

de Britten vermeesterde volkplantingen te stevenen. Maar hoe dit

bevel geheim te houden, het besluit, dat in de volle vergadering

der Algemeene Staten moest worden genomen? In deze vergadering

toch zaten leden, die zich niet zouden hebben ontzien, de zaak aan

den Engelschen gezant te verklappen. De sluwe Johan De Witt echter

wist raad. Toen men de resolutie had genomen om twaalf schepen uit

te rusten en naar _Guinea_ te zenden (hetgeen nog al een geruimen

tijd zou vereischen) wist De Witt die Heeren Staten, welke hij niet

vertrouwde, aan een venster te lokken en aan de praat te houden. In

dien tusschentijd namen de andere leden, die in het geheim waren,

de secrete resolutie ten aanzien van de afzending van De Ruyter,

en werd dit stuk als een aanhangsel bij het besluit gevoegd en door

den griffier der Staten eigenhandig daaronder geschreven, zonder

dat een der andere leden er iets van wist. Drie afschriften van het

stuk werden over de post gezonden en verder door drie "loopboden"

[22] naar _Cadix_, _Malaga_ en _Alicante_ gebracht, op hoop van den

Vice-admiraal op een dier plaatsen aan te treffen. Het stuk was in

een afzonderlijken omslag, in welken den Vice-admiraal werd bevolen,

inliggende verzegelde schriften niet te openen vóór hij alleen was;

terwijl zijnen bevelhebbers op bedreiging der hoogste ongenade van den

Staat werd verboden, iets van de ontvangst van den brief te openbaren.

't Was op den eersten September, dat De Ruyter voor _Malaga_ was

aangekomen, toen hij Klaas Dirksz bij zich riep.

"Stuurman!" zeide hij, "Zet de kleine boot uit en roei aan land. Er

zijn zeker brieven voor ons; want aan het strand staan verscheidene

menschen, die ons teekenen schijnen te geven."

"Uw bevel zal geschieden, Vice-admiraal," antwoordde Klaas, die

terstond de noodige maatregelen nam, om daaraan te voldoen.

"Mag ik mee in de boot, vader?" vraagde Engel.

"Volgaarne," antwoordde de Admiraal, "en neem je vriend Pieter ook

mee. Intusschen zul je aan den wal niet veel zien; want de boot roeit

terstond met de brieven terug."

Eenige minuten later stak de boot van boord. Op hetzelfde oogenblik

voeren er van de andere schepen ook booten naar wal, om naar brieven

te vernemen; hetgeen De Ruyter natuurlijk niet belette, daar hij niet

wist, dat er een geheime resolutie bij was.

Aan wal gekomen, werd onze stuurman terstond omringd door eenige

kooplieden en schippers.

"Daar is een bijzondere post voor den Vice-admiraal aangekomen,"

zeide een hunner. "Een loopbode heeft dien gebracht. Tevens zijn hier

belangrijke tijdingen. Men spreekt van een oorlog tusschen _Engeland_

en de _Geüniëerde provinciën_."

"Wat meer is," voegde er een ander bij, "de Engelsche kooplieden

hier ter stede zeggen, dat hunne landslieden drie van de Oostindische

koopvaarders, die wij verwachten, genomen hebben."

"Gij kunt begrijpen, hoe dat alles ons in onrust brengt," vervolgde

de eerste spreker.

"Waar zijn de brieven voor den Vice-admiraal?" vraagde de

stuurman. "Indien het zulke gewichtige tijdingen zijn, zullen wij ze

hem gauw bezorgen."

Men roeide naar boord terug, en Klaas Dirksz overhandigde den Admiraal

de brieven. Nauwelijks had De Ruyter den omslag van den brief gedaan

en gelezen wat daarop stond, of hij begaf zich naar zijne kajuit

en las de geheime order, waarbij het bevel was gevoegd, dat hij die

aan geen zijner officieren mocht openbaren. Terwijl hij daarmede nog

bezig was, werd hij gestoord door het bericht, dat de Vice-admiraal

met al de kapiteins aan zijn boord was geroeid en verlangde hem te

spreken. De Admiraal deed de depêche terstond weder in den omslag,

en gaf bevel, de bezoekers binnen te laten. Ten hoogste verlegen,

wat hij moest antwoorden, wachtte hij de scheepshoofden af.

"Wat is er, Admiraal?" vraagde Meppel. "Wij zijn aan wal geweest en

hebben daar onrustbarende tijdingen vernomen."

"Ook mij zijn die verhaald," antwoordde De Ruyter. "Zij luiden zeer

oorlogzuchtig."

"Daar is een bijzondere post voor u gekomen, Admiraal!" hervatte

Meppel. "Gij hebt dien zeker reeds ontvangen en gelezen."

"Voorzeker," antwoordde De Ruyter, "de brief is van Hunne

Hoogmogenden."

"En meldt die niets van den oorlog?" hernam de Vice-admiraal.

"Geen enkel woord," antwoordde De Ruyter ontwijkend. "Alleen schijnt

het, dat er geschillen tusschen de Republiek en _Engeland_ zijn

gerezen, en dat men nog hoopt, die in der minne bij te leggen. Wat

de geruchten van oorlog aangaat, waarvan men in _Malaga_ vol schijnt

te zijn, wij weten te goed, hoe men op zulke losse tijdingen kan

rekenen. Intusschen gaan wij terstond op reis naar _Alicante_, om

het fluitschip van kapitein Enno Doedes af te halen.

Wij zullen de vloot niet op den voet volgen. Eerst op de hoogte van

de Canarische eilanden liet De Ruyter de scheepshoofden door de witte

vlag aan zijn boord seinen en deelde hij hun de geheime resolutie

mede. Behouden kwamen onze schepen voor het kleine eiland _Goeree_ aan.

Beoosten dat eiland omgezeild zijnde, werden den 24sten October eenige

booten, met den Schout-bij-nacht Van der Zaan aan het hoofd, naar het

vasteland bij _Verd_ aan wal gezonden, om versch water te halen. Ook

van De Ruyters schip voer er een sloep naar land, gevoerd door Klaas

Dirksz en waarin zich Engel de Ruyter en onze Pieter bevonden. 't

Was voor hen beiden heel wat nieuws, die Afrikaansche streken te zien

en zij hadden er dan ook recht veel vermaak. Gelukkig, dat oom Klaas

zijn neef nog al wat toeliet en dat de zoon van den Admiraal een witten

voet bij hem had; anders hadden zij met de anderen mogen meesjouwen. Nu

smaakten zij alleen het pleizierige van een tochtje aan land.

"Zie eens," zeide Pieter, "daar komt een oude neger aan. Met dien

zullen wij een pretje hebben."

"Dat is goed," antwoordde Engel. "Maar wij zullen zijn negertaal niet

verstaan, en hij kent ons Hollandsch niet."

"Geen nood, dan zullen wij hem door teekens te kennen geven wat wij van

hem willen hebben. Zeg eens, oude zwartkop," hernam hij tot den neger,

die intusschen naderbij gekomen was. "Wat kom je hier uitrichten?"

"Ikke eens kijken kom naar de Ollandsche schip," antwoordde de neger

vrij vlot.

Al hadden zij een slag in het aangezicht gekregen, dan hadden zij niet

meer verbaasd kunnen staan, dan toen zij dien neger zoo onverwachts

hunne eigene taal hoorden spreken.

"Sakkerloot!" zeide Engel. "Wie heeft jou Hollandsch geleerd,

zwarte nikker?"

"Ikke Ollansch geleerd heeft in uwe land. Ikke als knaap, heel jong,

daarin geweest is, en veel geleerd heeft."

Op dit oogenblik kwam Van der Zaan bij hen, en vroeg hun:

"Wat moet gij van dien neger?"

"Die man spreekt Hollandsch, Schout-bij-nacht," gaf Engel ten antwoord.

"Mijnheer!" zeide de neger, terwijl hij zich eerbiedig voor Van der

Zaan boog. "Uwé zeker de Admiraal van deze vloote is."

"Je vergist je, goede man! Ik ben slechts Schout-bij-nacht. De

Admiraal der vloot is aan boord gebleven. Hij is op het schip, dat

je daar ziet."

"En hoe zijne naam is?" vervolgde de neger.

"Michiel Adriaanszoon de Ruyter," antwoordde Van der Zaan.

De neger begon te dansen.

"Michiel, Michiel!" riep hij uit. "Michiel de Ruyter!--Ikke nu vijf-

of zes en veertig jaar geleden een Michiel de Ruyter gekend heeft. Dat

te _Vlissingen_ was. Maar het niet dezelfde kan zijn. Die Michiel

maar bootsmansjongen was."

"En toch is dat diezelfde Vlissingsche bootsmansjongen, die nu Admiraal

van de vloot is."

"Uwé den armen neger voor den gek houdt," zeide de zwarte

ongeloovig. "Michiel toen bootsmansjongen was en nu Admiraal,--neen,

dat niet kan zijn! Jan Company niet zoo mal is, om maar te gelooven,

wat men hem wijs maakt."

"En toch is het waar, Jan Company," hervatte Van der Zaan. "Zie deze

knaap is zijn eenige zoon," hervatte hij, op Engel wijzende.

De neger beschouwde den jongen De Ruyter oplettend. Eensklaps helderde

zijn gelaat op.

"Ja," hervatte hij peinzend--"nu ikke het zie. Hij wel op zijn vader

lijkt, toen die jong was. O, mijnheer de Schout van de nacht, zou uwé

me wel aan boord van den heer Michiel willen brengen? O, ikke zooveel

van hem houd. Ikke met hem gevaren heb op dezelfde schip, en wij samen

zoo dikwijls gespeeld hebben. O, ikke hem nog zoo graag eens zou zien."

"Wel ga dan maar eens mee," hernam Van der Zaan. "Zijn eigen zoon

zal je aan boord brengen."

Zoo gezegd zoo gedaan. Jan Company voer met stuurman Dirkz mede naar

het schip "de Spiegel".

"Vader," zeide Engel tot den Admiraal, "wij hebben een neger

meegebracht, die u verlangt te spreken."

"Een neger?" vraagde De Ruyter. "En wat moet die van mij hebben?"

"Hij zegt, dat hij een oude kennis van u is," vervolgde Engel.

"Een neger? Een oude kennis? En spreekt hij Hollandsch?"

"Voorzeker, vader, anders hadden wij hem niet kunnen verstaan."

"En hoe heet hij?"

"Jan Company, en hij heeft als knaap met u ter zee gevaren en

gespeeld."

"Jan Company!" riep De Ruyter verwonderd uit. "Onmogelijk! Maar laat

hem hier komen."

Verbaasd keek de neger op, toen hij in de sierlijke kajuit van den

Admiraal kwam, maar nog meer verbaasd staarde hij eenige oogenblikken

den deftig gekleeden De Ruyter aan. Ook deze beschouwde den neger

aandachtig; eindelijk zeide hij:

"En je zegt, dat je Jan Company bent, dien ik als knaap in _Vlissingen_

heb leeren kennen?"

De neger antwoordde hem niet, maar trad op den zeeman toe, sloot hem

in zijn armen en riep uit:

"Ja, ja, het Michiel is, Michiel, mijn oude vriend! O, wat ikke blij

ben, dat ikke jou nog eens mag zien. Dat ikke jaren lang gewenscht

heeft! Maar ikke nooit gedacht had zóó."

"Mijn goede, goede Jan!" zeide De Ruyter, terwijl hij hem hartelijk

de hand drukte. "Wel ouder geworden, maar niets veranderd. En wat

doe je tegenwoordig voor den kost?"

"Ikke onderkoning is in de land," antwoordde Jan Company.

"Wel, dan heb je het waarlijk verder gebracht dan ik," zeide De Ruyter

lachend. "Ik zal dan wel gedwongen zijn, Uwe Majesteit tegen je te

zeggen. Wel, Uwe Majesteit, hoe heeft Uwe Doorluchtigheid het gemaakt,

sedert ik het genoegen niet gehad heb Haar te zien."

"O, jij nog altijd de oude guit van een Michiel bent," hervatte de

neger grinnikend, terwijl hij zijn witte tanden liet zien.

"Ja, Jan! een vos verliest wel zijn oude haren, maar niet zijn oude

streken, zou stuurman Dirksz zeggen. Maar ga zitten," hervatte hij

trouwhartig, "en laat ons elkander onder een glas Spaanschen wijn

onze lotgevallen vertellen."

Daar mijne lezers die van De Ruyter kennen en ik ze van Jan Company

niet weet, zal ik dat verhaal overslaan. Toen de Vice-admiraal

geëindigd had, zeide de neger:

"Michiel, Michiel! Wat je een groot man bent geworden. Wie dat ooit

hadde gedacht!--Weet je nog wel, je me in _Vlissingen_ met sneeuw

heeft gedoopt [23]?"

"Of ik dat nog weet?" hernam Michiel de Ruyter. "Dat zou ik

meenen. Toen je zoo schreeuwdet alsof je een mager speenvarken waart;

waardoor Tromp en Piet Hein er op afkwamen en mij braaf de les lazen."

"En toen je geklimd heeft op dien grooten toren," hernam Jan,

terwijl hij zijn tanden liet zien en in de handen wreef, "en met

steentjes smeet."

"En toen je dacht, dat het een vogeltje was, ha, ha!" riep De Ruyter

lachende uit. "Maar zeg mij eens, Jan!" vervolgde hij ernstiger. "Je

spraakt daar van dien sneeuwdoop. Heb je er wel eens aan gedacht,

dat je ook in de kerk gedoopt zijt?"

"Of ikke denk daaraan, Michiel!" hernam Jan Company. "Ikke nog altijd

een Christen ben. Ikke nog "'t Onze Vader" en "'k Geloof in God den

Vader" op mijn duimpje ken.--Maar," vervolgde hij min of meer treurig,

"mijn kinderen en anderen lachen mij uit als ikke spreek er van; en

daarom ikke maar bij mij zelf een Christen is en Onzen Lieven Heer

naar mijn kennis dien."

"Nu, dat is braaf van je, Jan," hervatte De Ruyter. "En zou je niet

liever mee naar _Vlissingen_ gaan en daar komen wonen?"

"Neen, Michiel! Ikke niet weer mee naar jou land ga. Ikke hier veel

armer woon dan in jou land, een hut heeft waarin ik haast niet rechtop

staan kan. Maar ikke liever blijf in mijn eigen land. Ikke al zestig

jaar is, en hier onderkoning. Ikke al dikwijls aan de Zeeuwen en

Ollanders veel diensten heb kunnen doen, dat altijd veel pleizier

deed aan mij. Maar ikke nooit gedacht had, jou nog eens levend terug

te zien!"

De Ruyter liet onzen Jan Company niet gaan, dan na hem rijkelijk

beschonken te hebben met al wat in dat land waarde heeft, en deed,

toen de oude vriend naar den wal terugvoer, tot diens eer eenige

kanonschoten lossen.

Den volgenden morgen zond De Ruyter 180 man met zes sloepen aan

wal en spoedig gaven zich de daar liggende Engelsche bezetting en

koopvaardijschepen over.

Op den vijfden November, terwijl men nog bezig was met water te

halen, ging De Ruyters sloep met kapitein Du Bois, Klaas Dirksz,

Joris Andringa, schrijver op De Wilds schip Engel de Ruyter, Pieter

Pietersz en eenige anderen nogmaals aan het vasteland van _Verd_,

om te visschen. Men gebruikte daartoe den zegen (groot vischnet) en

had een rijke vangst, waarover de negers zich zeer verwonderden. De

zwarten gingen achter den zegen staan en vingen de visschen in hunne

kleedjes en kleine schepnetjes of schoten ze met hunne pijlen.

"'k Woû, dat we eens naar de negorij gingen," zeide Engel tot

Pieter. "Ik vind dat visschen heel aardig, maar ik zou toch graag

ook eens de woningen der zwarten zien."

"Ik ook," antwoordde Pieter. "Weet je, wat we moesten doen? We

moesten er maar eens naar toe wandelen. Misschien vinden we er dien

ouden neger wel, die zoo'n vriend van je vader is. Hoe heet hij ook

weer?--Jan.... Jan Kampanje."

"Jan Company, meen je. Dat kon wel zijn. Maar om daar zoo op ons

eigen houtje naar toe te gaan, dat durf ik niet. Je zoudt nooit kunnen

weten. Die zwarten hebben zulke rare kuren. Ze konden wel eens iets

kwaads met ons in den zin hebben."

"Het zijn geen menscheneters, Engel," hernam Pieter. "Kom, wij moesten

het maar wagen."

"Jij bent een waaghals, Pieter," zeide Engel. "Ik doe het niet. Mijn

vader zou het mij nooit vergeven, als daar iets kwaads uit

voortkwam. Maar ga jij alleen."

"Alleen?--Neen, dan wacht ik maar tot de anderen gaan. Zij zullen

toch wel eens genoeg gevischt hebben."

Het duurde echter nog een heelen tijd alvorens dit het geval

was. Intusschen--aan alle dingen is een end, placht oom Klaas te

zeggen, en zoo was het hier ook. Na de vischvangst begaf men zich

naar de negorij of het dorp der zwarten. Dat bestond uit verscheidene

woningen in den vorm van bijenkorven, terwijl de ingangen zoo laag

waren, dat men er in moest kruipen. En als men er dan in was, dan

kon men er niet recht in opstaan, maar moest op matjes zitten. Ook

waren zij zoo zonderling omheind, dat, als men van het eene naar

het andere of naar een derde wilde komen, men als in een doolhof

verdwaalde. Gelukkig, dat die heiningen niet hoog waren, zoodat de

Hollanders er over heen konden stappen. Het wemelde er van kleine,

zwarte kinderen, die door de geheele negorij als jonge biggen in het

zand kropen, terwijl de negermoeders daarbij lagen, even lui en log

als zeugen. Al voortwandelende, bleven onze zeelieden op eens voor

een der woningen staan, die zich in niets van de andere onderscheidde.

"Wat zou daar te doen zijn?" zeide Engel, die zich altijd dicht bij

Pieter had gehouden.

"Misschien hebben ze een zwart kind op zijn naakte lijf getrapt,"

gaf Pieter ten antwoord, terwijl hij over een heining stapte, om gauw

bij de hand te zijn.

"Dat denk ik niet," hernam Engel, "want dan zou dat kleine, zwarte

mirakel wel schreeuwen."

"Ik zie het al," riep Pieter uit. "Het is de woning van Jan

Kampanje. Kijk, daar staat hij."

"Inderdaad, hij is het," hernam Engel.

En het was dan ook zoo. Jan Company, die in zijne woning zat, was,

zoodra hij de zeelieden zag aankomen, daaruit gekropen.

"Ikke heel blij ben, dat Uwé mij eene bezoek komt brengen. Isse

Mijnheer Michiel de Ruyter niet bij u?" zeide de neger.

"De Admiraal niet, maar wel zijn zoon," antwoordde Du Bois. "Waar is

Jonker Engel?" hernam hij, rondziende. "Ha, daar is hij. Kom eens hier,

Jonker," vervolgde hij tot den knaap. "Uws vaders vriend, Jan Company,

wenscht u te zien."

"Ikke de heeren niet durf vragen te komen in mijne huisje," hernam

de neger. "Die te klein is, om te ontvangen de Heeren. Maar zij met

mij moeten meegaan." En dit zeggende, geleidde hij de zeelieden

naar een palmboom, onder welks schaduw allen rondom in het gras

gingen zitten, terwijl Jan Company door zijne slaven of bedienden

negerbrood, van zeker gestampt zaad gebakken, palmwijn en zoete

melk liet aanbrengen. Ook zaten er verscheidene van de notabelen

der negorij, zoo mannen als vrouwen, mede aan en ging het er recht

vroolijk toe. Jan Company was onuitputtelijk in vertellingen van zijne

jeugd; ook toonde hij een uitmuntend geheugen te hebben, daar hij

nog de meeste Vlissingsche straten, kaden en bruggen bij naam wist

te noemen. Niet weinig vermeerderde de vroolijkheid, toen kapitein

Du Bois het brood, de kaas, den wijn en den brandewijn liet halen,

die men van boord had medegebracht en die den zwarten heeren en dames

recht goed schenen te smaken. Zoo bleef men bij elkander tot de avond

begon te vallen; toen maakte men zich gereed, weder naar boord te

varen. Jan Company vergezelde hen tot aan het strand en verzocht hun

nog vele groeten aan zijn ouden vriend De Ruyter te doen, hetgeen men

hem beloofde. Zeer tevreden over dat uitstapje, kwam men aan boord van

"de Spiegel" terug.

Van _Goeree_ stevende De Ruyter naar de rivier _Sierra Leona_, alwaar

hij de Engelsche koopwaren in beslag nam; van daar naar de _Goudkust_,

waar hij het kasteel _Witsen_ of _Tokkary_, door de Engelschen aan de

W. I. Compagnie ontnomen, heroverde en slechtte; en eindelijk naar

_St.-George d'Elmina_, waar hij de Britsche vesting _Kormantijn_

aantastte en nam. Nadat hij alzoo onze bezittingen in _Afrika_ van

den overmoed der Britten had verlost, stevende hij naar _Barbados_ in

_Amerika_, alwaar hij insgelijks den hem gegeven last volbracht en zich

ook van eenige Engelsche schepen meester maakte. Hier kreeg hij bevel,

om naar het vaderland terug te keeren. Daar hem ook kort daarop het

bericht gewerd, dat de oorlog tusschen _Engeland_ en de republiek was

uitgebarsten, vond hij het ongeraden, het _Kanaal_ door te stevenen,

zeilde dus achter _Ierland_ om en kreeg te _Bergen_ in _Noorwegen_

de tijding van een overwinning, door de Engelsche vloot op de onze

behaald, en die ik u in het volgende hoofdstuk zal vertellen. Hij

besloot dus niet in _Texel_ binnen te loopen, maar naar de _Eems_ te

zeilen. Doch ook dit zou weinig hebben gebaat, indien de Voorzienigheid

niet voor onzen held had gewaakt. De Engelschen toch loerden aan

alle kanten op den terugkeerenden Admiraal. Een zware mist belette

hun echter de onzen te zien; daarenboven veranderde de wind ieder

oogenblik, waardoor zij de Engelschen en dezen hen telkens miszeilden;

en zoo kwamen zij den zesden Augustus 1665 met negentien schepen,

waaronder vijf prijzen, behouden in de _Eems_ en binnen de haven van

_Delfzijl_ aan. "'t Is God alleen," riep de vrome Vice-admiraal uit,

toen men hem geluk wenschte met zijne wonderbare ontsnapping. "'t Is

God alleen, die ons buiten het gezicht van onze vijanden geleid heeft.

TIENDE HOOFDSTUK.

Waaruit blijkt, dat het hier niet altijd voor den wind ging.

Het wordt thans tijd, dat wij ruim een half jaar achteruitgaan,

en onzen lezers iets mededeelen van het gebeurde hier te lande in

dien tusschentijd.

Nauwelijks hadden de schepen, door De Ruyter genomen maar weder

vrijgelaten, de tijding in _Engeland_ gebracht van hetgeen er op de

kust van _Guinea_ gebeurd was, of de vloot des konings werd in zee

gezonden en honderden onzer koopvaarders genomen. Aan beide zijden,

zoowel in _Engeland_ als hier te lande, had men zich geducht ten

oorlog toegerust. De listige Karel II echter wachtte nog met de

oorlogsverklaring, totdat hij onzen handel een gevoeligen slag had

toegebracht. Daartoe gaf hij last aan den _Engelschen_ Schout-bij-nacht

Allen om de rijke Smyrnasche vloot, die op hare huisreis was,

te bemachtigen. Niet lang behoefde Allen op haar te wachten; want

weldra, op den 29sten December, verscheen zij, 30 koopvaarders sterk

en geleid door slechts drie oorlogsschepen onder kapitein Pieter van

Brakel. Geen wonder, dat de overmoedige Brit reeds waande meester te

zijn van die vloot. Doch hij had buiten den waard gerekend; want niet

alleen de drie oorlogsschepen vochten woedend als getergde leeuwen;

maar ook de koopvaarders verdedigden zich zoo dapper, dat er slechts

drie hunner den Engelschen in handen vielen. Van Brakel sneuvelde en

Jan Poelofsz van Hoorn, door vier Engelsche schepen omringd verdedigde

zich uren lang tegen de overmacht en verliet zijn schip niet, dan

toen het met een groot aantal van de daarop overgesprongen vijanden

in de diepte der zee zonk.

Zoodra men hier de tijding van deze schandelijke vredebreuk vernomen

had, bevalen de Staten onzen zeehoofden, insgelijks alle Britsche

schepen aan te vallen en op te brengen, terwijl Karel II nu het masker

afwierp en ons den oorlog verklaarde.

Ongelukkig heerschte in onze Republiek de oude verdeeldheid:

rampzalige naijver tusschen de verschillende provinciën: gevolg van

het gemis van een enkel opperhoofd--een Admiraal-generaal. Wel hadden

de admiraliteiten, op aansporing van den steeds onvermoeiden Johan

De Witt, krachtig medegewerkt tot den bouw en de uitrusting der

vloot; maar over het benoemen van een opperhoofd was men het niet

eens. _Zeeland_ kon maar niet verkroppen, dat, in den oorlog tegen

_Zweden_ aan De Witt de voorgang boven Jan Evertsen was geschonken,

en benoemde dezen tot Luitenant-admiraal, met het doel om hem, na

Wassenaar, het tweede bevel op 's lands vloot te doen voeren. Daarop

benoemde men in _Holland_ tot dezelfde waardigheid Kortenaar, De

Ruyter en Meppel, en in _Friesland_ Auke Stellingwerf. Nog werden

in _Holland_ Cornelis Tromp, Van Nes en Schram, en in _Zeeland_

Coenders tot den rang van Vice-admiraal verheven. Zoo waren er dus op

de vloot vier Luitenant-admiraals, terwijl er nog twee buitenslands

zich bevonden. Waarlijk, mijne jonge lezers, het had veel van uw

soldaatje spelen. Dan zijn er dikwerf vijf, zes of zeven officieren

bij vier, vijf of zes manschappen; want ieder wil gaarne officier zijn.

Den 23sten Mei liep onze vloot, bestaande uit 103 schepen met

5000 stukken geschut en 21000 man uit. Stilte en tegenwind echter

beletteden onzen Admiraal, onze kusten te verlaten en den vijand

op te zoeken. Eindelijk ontmoette men de Engelsche vloot onder 's

konings broeder, Jacobus [24], hertog van _York_ en Groot-admiraal

des rijks, en Prins Robert, zoon van den verdreven en gestorven koning

van _Bohemen_.

De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering · 第 8 / 15 段