in zee geloopen, keerde de Vice-admiraal De Ruyter den 30sten Juni
daarop naar _Texel_ terug, werwaarts hij ettelijke Nederlandsche
schepen begeleid had. Eerst den 17den Juli vertrok hij met zeventien
bodems naar de _Middellandsche zee_, om de Turken voor het nemen
onzer schepen te tuchtigen en de zee, zooveel mogelijk, van roovers
schoon te vegen. Ik zal u niet verhalen, hoe De Ruyter ook hier
aan zijn last voldeed, en hoe zelfs de Turken hem groote eer en
vriendschap bewezen.--Eene aardigheid echter wil ik u vertellen, die
plaats vond, terwijl De Ruyter voor de haven van _Farina_ (eenige
mijlen noordwestelijk van het oude _Karthago_) lag, in welke hij
zeven Turksche zeeschuimers gejaagd had. Terwijl de Vice-admiraal
met den koning van _Tunis_, Mahomet Pacha en den bassa Dublet Lie
Hadsje Mustapha aan het onderhandelen was over de inwisseling en
loskooping van de bij de Turken gevangene Christenslaven, terwijl
hen de Turken van eenige versche proviand voorzagen, kreeg hij van
den schout-bij-nacht van _Algiers_, Suliman Bassa Reys den volgenden
bluffenden brief:
"Mijnheer!
"Hoewel ik U, wegens den godsdienst, geheel tegen ben, evenwel
hoop ik, dat gij mijn verzoek zult toestaan. Gij hebt mij tot
driemalen vervolgd bij _Maltha_, bij _Sicilië_, en nu bij de
haven van _Farina_, waarin gij mij gejaagd hebt. Ik nam telkens
de vlucht, niet bij gebrek aan moed, maar door ongelijkheid van
macht; want ik heb slechts een bark tegen uw zeekasteel. Daarom
doe mij de eer, en zend tegen mij, als Schout-bij-nacht van
_Algiers_, uwen Hollandschen Schout-bij-nacht, om schip tegen
schip mijn fortuin en het geluk van den oorlog te beproeven,
en mij te weren als een soldaat. Word ik overwonnen, ik zal uw
slaaf zijn. Win ik, het zal mij eere zijn. Geef hiertoe verlof,
en indien ik dan niet uitkom, zoo ben ik als de lafste vrouw
van _Holland_. Mijnheer, zijt gegroet van mij
Uwen dienaar."
De Ruyter antwoordde op dit schrijven, dat zijn Schout-bij-nacht Van
der Zaan, met zijn schip op plaats en tijd, die de Turk zou goedvinden,
den tweekamp zou aanvaarden; terwijl hij beloofde, dat noch hij noch
één der Hollandsche kapiteins genoemden Schout-bij-nacht eenige de
minste hulp zou toebrengen. Den admiraal van _Tunis_ verzocht hij,
kampvechter in dat zonderlinge gevecht te zijn.
Maar nu bleek het, welk een bluffer de Turk was. Van der Zaan kwam wel
ter bestemder plaats, maar wachtte tevergeefs op den grootspreker,
die den moed niet had om de haven uit te komen, maar zich bij zijne
makkers onder de veilige hoede der kasteelen verschool.
Na den moedwil der zeeroovers beteugeld en onzen naam weder geducht
gemaakt te hebben onder de Turksche vrijbuiters, na verdragen met
_Tunis_, _Algiers_ en _Tripoli_ te hebben gesloten, na tal van arme
Christenslaven uit de ketenen der Turken verlost te hebben, keerde
De Ruyter, zooals wij gezien hebben, in het laatst van April 1663 in
het vaderland terug om toch eenmaal eenigen tijd rust te genieten te
midden der zijnen; want hij bleef dat geheele jaar en een gedeelte
van het volgende aan land.
Keeren wij thans tot onzen Pieter terug. Gij hebt gezien hoe zijn
vader volkomen verzoend was met zijne idée om zeeman te worden, en
ik ben u dienaangaande eenige opheldering schuldig. Gij moet weten,
dat de Prins van _Oranje_, die den koenen knaap zeer genegen was,
den pruikenmaker daarover gesproken had, daarbij tevens de verzekering
voegende, dat hij Pieter aan den Raadpensionaris had aanbevolen en dit,
als de jongen oppaste, nog wel eens zou herhalen, zoodat zijn fortuin
gemaakt scheen. Intusschen was vader Dirksz altijd bij zijne meening
gebleven, dat de knaap nog te jong was. Oom Klaas nu, aan wien na
's vaders dood de zorg voor den wees in het bijzonder was opgedragen,
en die verlof gevraagd en gekregen had om, zoolang zijn schip buiten
dienst was, thuis te blijven, had een ander plan met den knaap. Hij
wist hem te _Rotterdam_ op de scheepstimmerwerf der Admiraliteit te
plaatsen, opdat Pieter dan als timmerman op het schip in dienst zou
komen, hetgeen hem van vele onaangenaamheden zou verlossen, die den
bootsmansmaat op het oorlogsschip wachtten en niet zou beletten,
dat ook hij, wanneer er gevochten moest worden, zich zou kunnen
onderscheiden en op bevordering rekenen.
Pieter kwam alzoo op de werf van de Admiraliteit, en, daar hij bij
baas Balkenende reeds aardige vorderingen in het timmeren gemaakt had,
zoo kon men hem daar zeer goed gebruiken en verdiende hij een tamelijk
daggeld. Van dit geld betaalde hij zijn kosthuis en voorzag hij zich
van de noodige kleeding. Zoolang de zomer duurde, begaf hij zich alle
Zaterdagavonden, nadat het werk afgeloopen was en hij zijn weekgeld
had ontvangen, naar 's-_Gravenhage_, waar oom Klaas nog altijd in
zijns broeders huis logeerde. Dat was dan een recht feest voor hem,
en vooral voor Martha, die altijd zorgde, iets lekkers voor hem gereed
te maken. Meestal voer hij slechts tot _Delft_ mede en wandelde den
Delftschen weg op naar _Den Haag_. Zondagsavonds echter moest hij weder
op weg; als het weer goed was, brachten hem oom Klaas, Jacob en Evert
gewoonlijk tot _Rijswijk_, soms wel tot _Delft_ en dan ging Pieter in
de schuit of, als hij er lust in had, wandelde hij tot _Rotterdam_
want onze knaap was heel zuinig en vond het te duur, om altijd te
varen. Toen echter het najaar aankwam, moest Pieter in _Rotterdam_
blijven en dan was het hem wel wat eenzaam en treurig. Spoedig
evenwel gewende hij daaraan, en ging hij als het weder goed was,
Zaterdagsavonds buiten de poort een kroes bier drinken in de eene of
andere herberg, waar hij dan meestal kennissen aantrof. Des Zondags
ging hij gewoonlijk tweemaal ter kerk en wandelde na de middagpreek nog
eens langs de _Maas_, waar hij zich vermaakte met de schepen te zien
liggen. Gewoonlijk bracht hij dan den avond in de herberg "de Trouwe
Harder" [19] door, waar hij echter zorg droeg, weinig te verteren.
Op zekeren avond zat onze Pieter weder in "de Trouwe Harder" zijn glas
bier te drinken, toen hij zich onverwachts op den schouder voelde
tikken. Hij keek om, en terstond herkende hij zijn ouden makker en
vroegeren vijand, Jan IJzer. Ik heb mijne lezers omtrent dezen knaap
in de onzekerheid gelaten en het spijt mij, dat ik dit gedaan heb. Maar
het kwam zoo in mijn verhaal te pas, en ik wil de fout herstellen.--Wij
hebben gezien, hoe onze Pieter dacht over het redden van zijn vijand,
en ik behoef u niet te zeggen, dat hij geen moeite deed, om verder
iets van den door hem geredde te weten te komen.--Nu moet ik u zeggen,
dat Jan IJzer, hoe slecht van hart hij ook was, toch behoefte gevoelde,
om Pieter zijn dank te betuigen; want hij begreep maar al te wel, dat
hij zonder diens hulp verloren ware geweest. Zoodra hij dus beter was,
ging hij naar Pieter toe; maar deze ontving hem zoo koel, dat de oude
vijandschap in het hart van Jan herleefde. Zeker was het verkeerd in
den knaap, zoo onverzoenlijk te zijn; maar wanneer men bedenkt, hoe
Jan hem had behandeld, toen hij daar hulpeloos in den tuin van baas
Gerritsz lag en daarbij in het oog houdt, hoe hij, toen Jan in gevaar
was, zijn leven niet te kostbaar geacht had om zijn vijand te redden;
dan kan men het onzen Pieter niet kwalijk nemen, dat hij zich zoo
onverschillig omtrent den goudsmidsjongen gedroeg. Bij hem bestond
geen haat,--hij mocht den knaap niet en liet hem links liggen. Maar
bij Jan, die, had Pieter hem anders ontvangen, zeker zijn vriend
ware geworden, bracht die onverschilligheid een ander gevoel te weeg:
dat van onverzoenlijke vijandschap.
Jan, wien het goudsmeden niet meer beviel, en die het met meester
Verhoef niet best kon vinden, had eenige weken geleden, stil _Den Haag_
verlaten en was naar _Rotterdam_ vertrokken: iets wat Pieter, die zich
niets aan Jan gelegen liet liggen, in het geheel niet wist. Hij was
dus zeer verwonderd, toen hij hem daar zoo onverwacht in een vreemde
stad terugzag.
"Jij hier Jan?" zeide hij verwonderd. "Ik dacht, dat je nog hoog en
droog in _Den Haag_ zat."
"Ik wenschte, dat dit zoo ware," zeide Jan op treurigen toon.
"Welnu, wat belet je dan, weder naar _Den Haag_ te gaan?" hernam
Pieter koel.
Jan begon te schreien en zette zich naast Pieter neder.
"Ik weet wel," begon hij, "dat je mijn vriend niet zijt. Als ik hier
iemand anders had, zou ik mij niet tot jou gewend hebben. Maar ik
ben hier vreemd en heb niemand, die eenig belang in mij stelt. Daarom
dacht ik zoo, toen ik je deze herberg binnen zag gaan: Pieter Pietersz
is toch een Haagsche jongen net als jij en zal zijn stadgenoot niet
in den nood laten."
"Maar wat moet dit alles beteekenen?" vraagde Pieter die niet begreep
waar de knaap heen wilde.
"Dat zal ik je zeggen," antwoordde Jan, "en ik wil je oprecht alles
bekennen. Weet dan, dat ik stil uit vaders huis ben weggeloopen."
"Maar dat is heel ondeugend van je, Jan!" hervatte Pieter. "En waarom
heb je dat gedaan?"
"Omdat ik het bij dien knorrepot van een Verhoef niet langer kon
uithouden en vader van geen anderen baas wilde hooren. Zoo nam ik,
nu een week geleden, den pas onder de voeten, en met mijn weekgeld in
den zak, stapte ik stilletjes over _Delft_ hier naar toe. Ik dacht
gemakkelijk bij den een of anderen baas werk te zullen vinden, maar
mijne hoop werd bitter teleurgesteld. Ik kreeg geen werk, teerde mijn
geld op, en trachtte wat te verdienen met pakjes te dragen voor de
heeren, die met de schuit aankwamen. Maar de Rotterdamsche jongens, die
niet verkozen, dat een vreemde het geld verdiende, waarop zij meenden
recht te hebben, beloofden mij een pak slaag, als ik het waagde mij
weder aan een der schuiten te vertoonen, en tegen de overmacht kon
ik slecht op. Zoo heb ik alles verkocht wat ik nog van eenige waarde
bij mij had, en nu, sedert gistermiddag heb ik geen stukje gegeten."
"Je hebt zeer verkeerd gedaan, Jan," hervatte Pieter, "met van je
vader weg te loopen. Maar ik wil geen zedepreek houden; wat gedaan is,
is gedaan. Intusschen kan het hersteld worden. Je moet weer naar je
vader terug en hem om vergiffenis vragen."
"Maar hij zal mij niet weer in huis willen nemen."
"Hij zal wel. Maar dan moet je evenals de verloren zoon uit de
gelijkenis, met berouw bij hem komen."
"Ik wil dit doen, Pieter. Morgen reeds zal ik naar hem toegaan. Maar ik
kan toch van nacht niet op straat blijven. O! ik weet geen raad! Als er
zich maar iemand over mij erbarmde. Nog geen half uur geleden, was ik
zoo wanhopig, dat ik in de _Maas_ wilde springen. Maar ik dacht: laat
mij de stad nog eens ingaan. Misschien ontmoet ik de eene of andere
medelijdende ziel, die zich mijner aantrekt. O, als je mij van avond
slechts wat eten wilt geven en mij van nacht bij je wilt laten slapen,
dan ga ik morgen naar vader terug, en ik zal er je altijd dankbaar
voor zijn, dat je mij van den rand des afgronds hebt teruggebracht. Ik
zal mijn leven beteren, en trachten een braaf mensch te worden."
Pieter dacht een oogenblik na. Hij had er niet veel zin in, zijn bed
met den knaap te deelen. Maar hem aan zijn lot over te laten, dat
kon toch ook niet, daartegen verzette zich zijn goed hart. Nu kwam
het wel in hem op, Jan voor dien nacht in een logement te besteden;
maar dat kostte geld en onze Pieter was heel zuinig. Hij besloot dus
maar, om Jan mede te nemen naar zijn kosthuis.
"Hoor eens,"' zeide hij. "Kan ik er stellig op rekenen, dat je morgen
naar je vader terugkeert?"
"Zoo zeker als ik hier voor je sta," antwoordde de andere.
"Welnu, ga dan met mij mede; dan zal ik de vrouw uit mijn kosthuis
verzoeken, je wat eten te geven en dan slaap je van nacht bij mij."
Jan had hem wel de handen willen kussen van blijdschap, en onze
scheepstimmerman, tevreden over zich zelf om de goede daad, die hij
ging verrichten, liet den waard een glas bier voor zijn gast geven;
niet lang daarna stapten zij naar huis.
Hoe verwonderd was onze Pieter, toen hij, den volgenden morgen wakker
wordende, zijn slaapkameraad van zijne zijde miste.
"Hij zal niet hebben kunnen slapen van angst bij de gedachte aan
de ontmoeting met zijn vader," dacht hij, schoof het bed-gordijn
wat weg en keek in zijn kamertje rond. Maar wie hij zag, Jan
niet. Waarschijnlijk is hij naar beneden om een noodzakelijke behoefte
te verrichten, zeide hij en ging weer liggen. Maar hij kon den slaap
niet meer vatten en stond dus op. Hoe verschrikt was hij echter, toen
hij zijn wambuis en zijn hozen miste, die hij den vorigen avond op den
stoel voor zijn bed had nedergelegd. Hij schrikte; want in den broekzak
bevond zich zijn volle weekgeld, en de gedachte kwam eensklaps in hem
op: "Hoe, indien Jan mij eens bedrogen, mij bestolen had!" Maar de
knaap was zoo bedroefd geweest en had hem zoo plechtig beloofd, naar
huis terug te zullen keeren. Had hij ook gisteren avond zijne kleeren
ergens anders gelegd? Maar hoe hij zocht--en het kamertje was klein,
dus behoefde hij niet lang te zoeken--nergens vond hij de vermiste
zaken. Hij werd nu ernstig ongerust en riep zijne huiswaardin, aan wie
hij vraagde, of zij ook iets wist van den knaap, dien hij den vorigen
avond had medegebracht. Deze antwoordde hem, dat die reeds voor dag
en dauw vertrokken was. Hij had een pakje onder den arm gehad en haar
gezegd, dat hij met de eerste schuit naar 's-_Gravenhage_ wilde en
dat hij maar heel stil was opgestaan, om zijn vriend niet wakker te
maken; want de Zondag was de eenige dag, dat deze eens kon uitslapen,
op de andere dagen moest hij toch altijd zoo vroeg naar zijn werk. Hij
had haar ook wél verzocht, hem zijne hartelijke groete te doen.
Twee groote tranen sprongen den armen Pieter uit de oogen.
"Ik ben bedrogen, vrouw Martensz!" zeide hij, "schandelijk bedrogen
en bestolen. De schurk heeft mijn hozen en mijn wambuis, ja, nog wat
meer is, mijn volle weekgeld meegenomen. O, dat ik ook zoo dom was,
aan zijne mooie praatjes geloof te slaan!"
En hij vertelde aan zijne huiswaardin, wie Jan was, wat er reeds
vroeger met hem gebeurd was, en hoe hij hem den vorigen avond in
"de Trouwe Harder" ontmoet had.
Vrouw Martensz schudde het hoofd.
"Ieder braaf mensch zou in jouw geval hetzelfde gedaan hebben," zeide
zij op goedigen toon. "Wie zou ook op zulk een boosheid verdacht
zijn! Gelukkig, dat hij je Zondagsche wambuis en boksen niet heeft
kunnen meepakken. 't Is al heel singulier; anders leg ik het altijd
Zaterdagsavonds voor je gereed. Nu je iemand bij je hadt, dacht ik,
moest ik maar tot van morgen wachten."
"Dat is nog een geluk bij een ongeluk, vrouw Martensz." hervatte
Pieter. "Maar wat maller is, nu zal ik je van de week mijn kostgeld
niet kunnen betalen; want wat ik heb opgespaard, zal ik wel aan een
nieuw werkpak moeten besteden."
"Dat is niets, mijn jongen," antwoordde vrouw Martensz. "Dat zal wel
terecht komen. Je behoeft daar geen haast mee te maken. Maar ik zal
mijn man eens roepen, en dan kunnen wij samen bespreken, wat wij aan
de zaak zullen doen en of het niet goed zou zijn, den diefstal bij
den Schout aan te geven."
"Waarschijnlijk zal dat niet veel helpen, vrouw Martensz,"
hernam Pieter. "De dief zal wel met zijn buit de stad verlaten
hebben. Daarenboven, ik zou niet gaarne de oorzaak zijn, dat hij op
het schavot en in het rasphuis kwam."
"_Jij_ moet het weten, Pieter!" hernam de vrouw. "'t Is jouw zaak. Maar
als het mij te doen stond, dan wist ik wel, dat ik het zoo niet zou
laten afloopen. Al kon ik mijn goed en mijn geld niet terugkrijgen,
de schelm zou er zoo gemakkelijk niet afkomen."
Wat ook baas Martensz en zijne vrouw zeiden, Pieter wilde er niet
van hooren om de zaak aan te geven: liever getroostte hij zich in
zijn verlies, dan dat hij den knaap die hem zoo bedrogen had, voor
zijn leven ongelukkig wilde maken.
NEGENDE HOOFDSTUK
Waarin wij een ouden kennis ontmoeten, die het ver gebracht heeft in
de wereld.
Zoo stuurman, is dat nu je neef Pieter, van wien je mij gesproken hebt
en die mij zelfs door Zijne Hoogheid den Prins zoozeer is aanbevolen?"
"Om Uwe Edelheid te dienen, Vice-admiraal," antwoordde de
aangesprokene. "En ik hoop, dat Zijne Hoogheid met hare aanbeveling
eer moge inleggen."
"Dat willen wij verwachten, stuurman. Hoe oud ben je,
Pieter?" vervolgde de Vice-admiraal tot den jongeling.
"Aanstaanden twaalfden Augustus wordt ik, als het God belieft,
achttien jaar," antwoordde deze.
"En je bent een knap timmerman?" vervolgde de Vice-admiraal. "Welnu,
als zoodanig kun je van nut zijn, terwijl je voor het overige dan
gewonen dienst zult verrichten."
"En zoo ik hoop met trouw en ijver, Vice-admiraal," hernam Pieter. "Ik
zal mijn best doen, uwe tevredenheid te verwerven en steeds trachten,
Uwe Edelheid na te streven, zij het dan maar in de verte."
"Dat is braaf gedacht," vervolgde de Vice-admiraal. "En dan kun
je tevens een voorbeeld nemen aan je braven oom. Maar vooral, mijn
jongen! bij al wat je ontmoet, het oog naar boven, den blik geslagen op
den Heer, in wiens hand ons leven, onze adem en ons lot berust. Dan zul
je altijd kalm en bedaard blijven te midden van den woedenden storm,
onder het gefluit, van den dichtsten kogelregen."
Mijne lezers zullen wel reeds begrepen hebben wie de drie personen
waren, tusschen welke het boven aangehaalde gesprek den achtsten April
1664 plaats had op het schip "de Spiegel" dat met vijf andere schepen
en een vaartuig met proviand door de Admiraliteit van _Amsterdam_
was uitgerust tot een nieuwen tocht naar de _Middellandsche zee_. De
Admiraliteit van _Rotterdam_ had de "Prinses Louise", gekommandeerd
door den schout-bij-nacht Van Nes, met twee andere schepen daarbij
gevoegd, en van het Noorder-kwartier waren er insgelijks drie
vaartuigen bij de vloot, waarvan het schip "het Noorder-quartier"
door den Vice-admiraal Meppel werd gevoerd.
Het waren de Vice-admiraal De Ruyter, Klaas Dirksz en Pieter
Pietersz. Intusschen zien wij daar nog een knaap naast De Ruyter
staan, wiens fijn lakensche kleeding zijn aanzienlijken stand en
goede afkomst verraden. Hij is nog geen vijftien jaren, maar fiks uit
de kluiten gewassen, en als wij hem goed aanzien, dan schijnt het
ons toe, dat er in dat gelaat veel gelijkenis ligt met dat van den
Vice-admiraal. En geen wonder; want die vijftienjarige knaap, die daar
stilzwijgend maar met blijkbaar welgevallen onzen Pieter aanstaart,
is niemand anders dan de eenige zoon van den grooten zeeheld: het is
Jonker Engel de Ruyter, die voor de eerste maal ter zee zal varen, om
onder het oog van zijn beroemden vader "het soldaat- en zeemanschap
te leeren." Hij heeft tijdens het bezoek, dat stuurman Dirksz ten
huize van den Vice-admiraal bracht, reeds zooveel van onzen Pieter
gehoord, dat hij al verlangend was, om hem te zien. 't Zal u dus ook
niet verwonderen, dat beiden spoedig goede maatjes zijn; want al is
Jonker Engel van adel, hij heeft de deugd der nederigheid van zijn
edelen vader geërfd, en een karakter als dat van Pieter kan niet
anders dan den vurigen en fikschen knaap innemen.
Den volgenden dag voer De Ruyter met zijne zeven schepen naar het
_Vlie_, vanwaar hij eerst den achtsten Mei in zee liep en den
21sten dier maand te _Cadix_ aankwam, om zich met het smaldeel
van den Vice-admiraal Meppel en den Schout-bij-nacht Van Nes te
vereenigen. Hierop verdeelde hij de vloot in twee smaldeelen of
eskaders van welke hij het eerste als opperhoofd en Admiraal der
vloot aanvoerde; terwijl de kommandeur De Wild als Vice-admiraal
en de kapitein Willem van der Zaan als Schout-bij-nacht onder hem
kommandeerden: het tweede eskader stond onder den Vice-admiraal
Meppel als tweeden Admiraal, den Schout-bij-nacht Aart van Nes als
Vice-admiraal en den kapitein Deendert Haaxwaard als Schout-bij-nacht.
Den tweeden Juni, terwijl de vloot naar _Malaga_ stevende, bevond onze
De Ruyter zich in het geheel niet wel. Hij werd aangetast door een
zware bloeddiarrhée, die niet minder dan drie volle weken duurde en
hem zoozeer verzwakte, dat de dokter voor zijn leven vreesde. Welk een
treurige toestand voor den armen Engel. Maar hoe gelukkig voor hem,
dat hij bij den geliefden vader was, hem kon oppassen en verzorgen. Ook
Pieter had verlof gevraagd, Engel van tijd tot tijd af te wisselen
en ook hem was deze zorg een groot genoegen. Meestal waakte hij 's
nachts, terwijl Engel des daags voor de kranke zorgde, en hij leerde
veel, zeer veel voor zijn volgend leven van den vromen Admiraal, die
in al zijn lijden zooveel Christelijke onderwerping en zulk een kalme
berusting in Gods wil betoonde, ja, die zijne eigene smarten vergat,
om toch maar werkzaam te zijn voor de belangen van 's lands vloot en
op alle voorvallende zaken orde te stellen.
't Was dan ook een vreugde op "de Spiegel," toen de geliefde Admiraal
voor het eerst op het dek kwam en ieder om het zeerst hem geluk
wenschte met zijn herstelling, ja, op al de schepen vierde men feest
en bad men den Heer in den Hemel om een lang en gelukkig leven voor
den geliefden vlootvoogd.
Wij zullen hen op dezen tocht niet volgen. Liever begeven wij ons naar
het vaderland terug, ten einde te zien, wat daar intusschen gebeurde;
te zijner tijd komen wij van zelf op de vloot van Michiel Adriaanz. de
Ruyter terug.
Ik heb op Bladz. 84 gesproken van den Frieschen Stadhouder Willem
Frederik, die met Albertina Agnes, 's Prinsen tante, gehuwd was. Deze
Willem Frederik zou in 1655 tot Veldmaarschalk van den Staat benoemd
zijn, indien men niet nog bijtijds ontdekt had, dat hij met een klerk
[20] van De Witt heulde, die hem de geheime stukken zijns meesters
overbracht, hetgeen de graaf in ongenade deed vallen bij de Hollandsche
partij, die niet alleen de benoeming niet liet doorgaan, maar zelfs het
veldmaarschalksambt vernietigde. Intusschen bleef de graaf bevelhebber
van de troepen van den Staat en bewees dien als zoodanig gewichtige
diensten. Jammer, dat een treurig ongeval onverwachts een einde
aan zijn leven maakte. Het was op Zondag, den 24sten October 1664,
terwijl Albertina Agnes naar de kerk was, dat de Prins, bezig met de
toebereidselen om zich naar de grenzen van _Westphalen_ te begeven,
een zadelpistool, dat hij wilde medenemen, onderzocht. Het pistool
weigerde, en de Prins, die wilde zien waar het aan haperde, trok er
den stempel uit en keek in den tromp. Op het zelfde oogenblik echter
ging op het onverwachts het pistool af, de kogel trof den Vorst in
de kin, en kwam aan de zijde van den neus vlak onder het oog uit. De
ongelukkige Prins stortte achterover en werd door de toegeschotene
bedienden opgeholpen en te bed gebracht. Vreeselijk had de kogel
zijn gebit verwoest: de beide kakebeenen waren verbrijzeld, zoodat
de gewonde noch spreken noch eten kon. Men deed wat mogelijk was:
men dacht zelfs een werktuig uit, waardoor men bouillon in de maag
poogde te brengen. Maar alles was vruchteloos: felle koortsen, die
den Prins aantastten en in de wond sloegen, sleepten hem, reeds den
zevenden dag na de verwonding, ten grave. Tot het laatste oogenblik
bleef hij bij zijn volle kennis. Een dag vóór zijn dood beval hij
zijne gemalin en zijn drietal kinderen den Staten van _Friesland_
schriftelijk aan. Hij werd opgevolgd door zijn eenigen zoon Hendrik
Kasimir II, een kind van ruim zeven en een halfjaar [21], nog
minderjarig en onder voogdijschap zijner moeder.
Het had weinig gescheeld, of de dood van den doorluchtigen Prins
had dien van een ander vorst uit het huis van Nassau ten gevolge
gehad. Prins Joan Maurits namelijk, die bij de begrafenis van zijn
neef was tegenwoordig geweest, keerde met een aanzienlijken stoet
huiswaarts. Te _Franeker_ gekomen, brak eensklaps de wipbrug, terwijl
de Prins er op was; deze viel met vijf anderen in het water. De
laatsten werden terstond gered; niet zoo spoedig de Prins, die onder
zijn paard lag. Nauwelijks echter was hij aan wal, of hij viel op de
knieën om God te danken voor de wonderlijke bewaring, hem ten deel
gevallen. De omstanders, denkende dat hij de beenen had gebroken,
snelden toe om hem op te helpen, spoedig echter bemerkten zij hunne
dwaling. De Prins, eenigermate aan het borstbeen gekneusd, herstelde
gelukkig binnen korten tijd.
Maar andere gebeurtenissen hadden er in 1664 plaats gehad. Karel II
van _Engeland_, ingenomen tegen de Loevesteinsche partij in _Holland_,
die zijn neef Willem Hendrik uit alle waardigheden hield, naijverig
op den invloed dien wij in het Noorden hadden gekregen en op den
bloei van onzen handel, die verre den Engelschen overtrof, Karel II
had zich daden veroorloofd, welke op niets anders konden uitloopen
dan op een vernieuwden oorlog met _Engeland_. In het voorjaar van
1664 was Robert Holmes met een Smaldeel afgezonden en had, op last
der Engelsch-Afrikaansche maatschappij, het eiland _Goeree_, nabij
kaap _Verd_ gelegen, vermeesterd, elf Nederlandsche schepen vóór
_George d'Elmina_ weggenomen, _Cabo-Corso_ beschoten en veroverd,
en in _Amerika_ onze volkplantingen _Nieuw-Nederland_, _Tabago_
en _Sint-Eustatius_ bemachtigd.