antwoord. "Integendeel, het zal mij afleiding bezorgen."
"Een mooi compliment voor mij," gaf de baron eenigszins scherp ten
antwoord, "die mij nog al uitsloof om u te occupeeren. Ik kan dus
wel heengaan."
"Blijf, Freisheim," zeide de Prins met iets gebiedends, maar tevens
ook iets verzoekends in zijne stem, en, als speet hem dat korte woord,
voegde hij er bij: "Altijd dezelfde driftkop. Wanneer zult gij toch
eens leeren uwe drift te betoomen!"
"Ik ben ook geen afstammeling van den grooten Zwijger," antwoordde
deze. "Het ligt in uw geslacht, Uwe Hoogheid! om over zijn drift te
heerschen. Ik admireer u, imiteeren kan ik u niet."
"_Mij_ imiteeren?" zeide de Prins met een treurigen glimlach. "Doch
daar is de knaap. Kom nader, Pieter!"
Pieter kwam bedeesd nader. De pracht, die er in de kamer heerschte,
de tegenwoordigheid van den page, ja zelfs die van den Prins, nu hij
wist dat hij de Prins was, maakten hem verlegen.
"Ik heb van Karel gehoord, dat het een vijand van je was, dien je
gered hebt."
"Vijand, Uwe Hoogheid? Dat heeft Karel u verkeerd overgebracht. Wij
jongens hebben geen vijanden."
"Ik meen toch dat het dezelfde was, uit wiens handen mijn goeverneur
de heer van Zuijlestein je eens heeft verlost."
Pieter werd rood als vuur. "Uit zijne handen verlost," dat was eene
beleediging voor den Hollandschen knaap. Hij vergat, voor wien hij
stond, en zeide op driftigen toon:
"Uit zijn handen? Dat is een leugen, Uwe Hoogheid!" Doch zich
bedenkende, voegde hij er kalmer bij: "Men heeft u verkeerd onderricht,
Uwe Hoogheid! Hij had twee andere jongens bij zich en tegen de
overmacht kan de beste het niet uithouden."
Freisheim, die achter Willems stoel was gaan staan, fluisterde den
Prins op satirieken toon toe:
"Ook al een driftkop, Uwe Hoogheid! Ik ben dus de eenige niet!"
De Prins zag glimlachend tot hem op en dreigde hem met den vinger. Zich
toen tot Pieter wendende, ging hij voort:
"Je schijnt reeds sedert lang in vijandschap te leven met dien
knaap. Wat is daar de oorzaak van?"
Pieter vertelde het den Prins, en eindigde:
"Uwe Hoogheid ziet dus wel, dat de schuld niet aan mij ligt. Intusschen
moest ik mij verdedigen."
"Wel zeker. Maar hoe raakte de knaap in het ijs?"
"Toen Jan mij zag, begon hij mij te sarren, voor allerlei leelijke
dingen uit te schelden, ja, met vuil te werpen. Dat kon ik niet langer
velen, ik werd driftig, hief mijn haak op en reed op hem aan. Jan,
wel wetende, dat ik vlugger rijder ben dan hij, begon beenen te
maken, maar ik kwam hem al nader en nader, terwijl ik al driftiger en
driftiger werd. Inderdaad, Uwe Hoogheid! als onze lieve Heer het niet
had verhoed, dan had ik hem mogelijk doodgeslagen; want dat sarren
kan ik niet velen."
"Dat is nog een soort erger dan ik, dien Uwe Hoogheid zoo dikwijls
om mijne drift beknort," fluisterde Freisheim weder.
"Foei, Pieter," zeide de Prins, "het is zeer zondig, om zoo aan
zijn toorn toe te geven. Je zoudt op die wijs een moordenaar hebben
kunnen worden."
"Ik weet het, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter beschaamd. "Maar wat
deed Jan mij ook te sarren? Intusschen hoop ik, nooit weer driftig
te worden."
"Dat is een goed voornemen, Pieter. Doch ga voort."
"Om mij te ontgaan, was er geen middel meer. Ik kwam hem al op de
hielen en lichtte reeds den stok met ijzeren haak op, om dien het
volgend oogenblik op zijn hoofd te doen nederdalen; toen Jan, geen
andere kans op redding ziende, eensklaps zwenkte en in snelle vaart
de molenvliet trachtte over te komen: waar hij zeker was, dat ik hem
niet zou volgen. Want wie--hoe driftig hij ook is--waagt zich op dit
oogenblik al op het ijs van een molenvliet? Daar ik op zijn wending
niet verdacht was, schoot ik nog een eind voort, en toen ik mijn
zwaai nam, zag ik hem op het midden van de sloot de handen wanhopig
ten hemel heffen en in hetzelfde oogenblik in de diepte verzinken. 't
Was alsof mij koud water over de leden stroomde: al mijn bloed scheen
eensklaps naar mijn hart terug te keeren. Mijn drift was bekoeld:
ik gaf een gil en bleef stokstijf staan. Maar ik bedacht mij niet
lang. Ik strikte mijn schaatsen los, trok mijn wambuis uit--en Uwe
Hoogheid zag, hoe het mij gelukte den knaap te redden."
"En waarom heb je je zoo spoedig weggemaakt? Waarom wachtte je niet
totdat de geredde was bijgekomen?"
"Omdat," stotterde Pieter, terwijl hij verlegen op zijn vingers beet,
"omdat... ik bang was, dat Jan mij zou bedanken."
"En stelde je er dan geen belang in, of de geredde weer in het leven
was gekomen?" vraagde de Prins.
"Zóó lang had hij niet in het water gelegen, dat hij al dood
kon zijn, of hij moest er dood in gevallen zijn, en dat wist ik
beter (de Prins en de baron moesten om deze koddige opmerking
glimlachen). Daarenboven--ik had hem er uitgehaald en dat was mijn
plicht. Er waren menschen genoeg bij, om hem verder te behandelen."
"En je hebt dus niet eens naar hem vernomen?"
"Ik dacht slechts om droge kleeren aan te trekken en toen ik dit
gedaan had, ben ik eens naar zijne buurt gewandeld, en vernam, dat
hij levend thuis gebracht is en nu te bed ligt, zeker om de kou,
die hij gevat heeft, uit te jagen."
"En jij, Pieter! Heb jij dan geen kou gevat?"
"Uwe Hoogheid, dat is niet hetzelfde. Mijn beroep is timmerman en ik
moet in weer en wind, dikwijls in plasregens of sneeuwbuien, boven
op daken of schouwen klimmen; dat maakt mij gehard;--Jan daarentegen
is bij den goudsmid Verhoef, en staat meest aan den heeten smeltoven."
"Verhoef?" zeide de Prins. "Die naam komt mij bekend voor."
"Hij heet Hendrik Verhoef en woont op de _Vogelenmarkt_."
"Maar Jan zal je toch wel komen bedanken."
"Mijnentwege mag hij het laten, Uwe Hoogheid. Ik begeer geen dank
van hem, vooral niet voor die beuzeling. 't Is de moeite niet waard
om er van te spreken; ik zou hetzelfde voor een hond of een kat
gedaan hebben."
De jonge Prins glimlachte om deze taal.
"Je maakt al bitter weinig ophef van je daad, Pieter," zeide
hij. "Intusschen heb je getoond een goed hart te bezitten; ik wensch
je daarvoor te beloonen."
"Beloonen?--Uwe Hoogheid steekt den draak met mij. Daarenboven,"
voegde hij er wel ietwat trotsch bij, "ik begeer geen loon."
"Laat mij je dan een gedachtenis geven," zeide de Prins, terwijl
hij een ring van zijn vinger trok. Thans kan ik nog weinig voor
je doen. Maar mocht ik eens in staat zijn, je van dienst te wezen,
dan kun je mij dezen ring toonen en aanspraak maken op mijne hulp."
De knaap nam het kleinood aan, kuste dat en zeide:
"Dien ring zal ik altijd op mijn borst dragen, Uwe Hoogheid..."
Op dit oogenblik kwam Karel binnen.
"Zijne Edelheid de Raadpensionaris houdt voor de deur stil," zeide hij.
"Je kunt thans heengaan, Pieter," hervatte de Prins met ongeduld;
hij wenschte blijkbaar, dat De Witt den knaap hier niet zou ontmoeten.
Nauwelijks was Pieter vertrokken, of een bediende kondigde den nieuwen
bezoeker aan. Kort daarop trad deze binnen, thans in het zwart,
heel eenvoudig gekleed.
"Ik wenschte Uwe Hoogheid een oogenblik alleen te spreken," begon hij.
De page verwijderde zich; De Wit nam plaats op een stoel. De Prins
bleef zwijgend in den zijnen zitten.
"Uwe Hoogheid schijnt afgemat," begon de Raadpensionaris terwijl hij
zijn doordringend oog op Willem Hendrik van _Oranje_ vestigde.
"Vindt Uwe Edelheid dat?" vraagde de Prins ontwijkend.
"Uwe Hoogheid moest zich het genot van het schaatsenrijden niet
permitteeren. Het is te fatiguant voor Haar gestel."
"Dunkt Uwe Edelheid dat?" hernam de Prins onderworpen.
"Daarenboven past het Uwe Hoogheid weinig, zich met den grooten hoop
op het veldijs te amuseeren. Waartoe toch is anders de _Hofvijver_
alleen voor U en Uw gevolg?"
"Maar het ijs op den _Hofvijver_ is nog te zwak."
"Dan moet Uwe Hoogheid wachten tot het sterk is. Wanneer Uwe
grootmoeder, hare Hoogheid de Prinses-weduwe, van hare reis terugkomt,
zal zij zeer ontevreden zijn als zij hoort, wat Uwe Hoogheid gedaan
heeft."
"Dunkt Uwe Edelheid dat?" vervolgde de Prins op denzelfden onderworpen
toon.
"Ik kom U slechts waarschuwen," hernam De Witt. "Men heeft aan Uwe
komst op het veldijs zeer verkeerde bedoelingen toegedicht. Men heeft
gezegd, dat uwe Hoogheid het gedaan heeft, om zich in de gunst van
het volk te dringen en verdeeldheid te zaaien. Mijne meesters, de
Heeren Staten-Generaal, zouden dat wel eens euvel kunnen opnemen."
"Die goede Heeren Staten!" hervatte de Prins schijnbaar
onnoozel. "En zouden Hunne Hoogmogenden zich willen occupeeren met
het schaatsenrijden van een elfjarigen knaap? Het zou waarlijk te
veel eer voor mij zijn, mijnheer De Witt. Ik begrijp niet, wat voor
belang zij er bij kunnen hebben, of ik op den _Hofvijver_ of op het
veldijs mij met schaatsenrijden vermaak."
"Ook heeft Uwe Hoogheid geld onder het volk uitgedeeld en men heeft
seditieuze woorden geuit, en over U gejuicht."
De Prins kleurde even, doch hernam: "Uwe berichtgevers hebben Uwe
Edelheid verkeerd onderricht, mijnheer de Witt."
"Uwe Hoogheid heeft toch geld uitgedeeld?"
"Ik heb een geldstuk gegeven, aan twee mannen, die een drenkeling
tot zijn bewustzijn hadden teruggebracht. Zij zouden hem naar huis
brengen. Indien men zulks geld uitdeelen wil noemen, dan is Uwe
Edelheid goed onderricht."
"De knaap, die mij daar in de gang tegenkwam, is door u ontboden,"
hernam De Witt streng. "Geeft dat pas?"
"Ik wist niet, dat ik daaraan verkeerd deed," antwoordde de Prins
nog steeds op ootmoedigen toon. "Uwe Edelheid herinnert mij daardoor
aan een belofte, hem gedaan. Mocht die knaap ooit hulp of protectie
noodig hebben, zoo zij hij in de welwillendheid van Uwe Edelheid
aanbevolen. Hij waagde zijn leven, om een drenkeling te redden."
"Hoe is zijn naam?"
"Pieter Pietersz, een zoon van den pruikenmaker Pieter Dirksz in
de _Spuistraat_."
"Wij zullen zien," antwoordde De Witt, terwijl hij den naam van
den aanbevolene in het zakboekje schreef, dat hij altijd bij
zich had, en waarin ook de nauwkeurige berekeningen stonden van
de vermoedelijke uitgaven en inkomsten van den Staat. Terwijl hij
echter den naam schreef, mompelde hij: "Dat is een vuile aanhanger
van de Oranjepartij."
"En nu," vervolgde hij luide tot den Prins, "raad ik Uwer Hoogheid,
in Haar eigen belang, om zoo iets niet meer te doen. Uwe Hoogheid
herinnere zich, dat de Heeren Staten zulke dingen niet bedaard zouden
kunnen aanzien, en dat Uwe voogden zich deswege niet zouden kunnen
verantwoorden."
Met deze woorden verliet de Raadpensionaris den jongen Prins, in de
volle zekerheid, dat deze niet meer zulke demonstratiën zou verwekken
en ten eenenmale gerust, dat die onnoozele onderworpen knaap niet
anders was dan een werktuig, dat hij slechts buiten Engelschen invloed
behoefde te houden, om het naar zijn welgevallen te besturen.
Had Johan de Witt door de deur der kamer kunnen heenzien, of was
hij het vertrek weder binnengetreden, hij zou het zoo licht niet
gerekend hebben, dien knaap te beheerschen. Nauwelijks toch was
de Raadpensionaris vertrokken en de deur achter hem gesloten, of
diezelfde bedaarde, onderworpen knaap sprong van zijn stoel op;
twee groote tranen ontwelden aan zijn oogen, hij balde krampachtig
de vuisten, en terwijl hij zenuwachtig het vertrek op en nederliep,
en voor het portret van zijn overgrootvader Willem den Eerste, bleef
stilstaan; riep hij uit:
"Groote God! Moet de afstammeling van den grondlegger der vrijheid
dezer landen, van den redder des vaderlands, zich zóó laten trappen! O,
indien gij op mij nederzaagt, gij, die goed en bloed hebt opgeofferd
voor dit goede land.... Gij.... neen, frons uwe wenkbrauwen niet. Ik
zal dulden, ik zal zwijgen; maar ik zal ook nooit de spreuk van ons
huis vergeten [17]. Het groote doel, waarnaar ik streef, zal ik met
Gods hulp toch eenmaal bereiken door geduld, moed en lijdzaamheid. Oui,
je maintiendrai!"
Op dit oogenblik werd de kamer geopend. Snel wischte de Prins de tranen
weg, even snel trad hij aan het raam als wilde hij de Raadpensionaris
nakijken.
"Het schijnt, dat de heer De Witt Uwe Hoogheid van hare vermoeienis
van hedenmorgen genezen heeft," zeide de binnenkomende page min of
meer spottend.
"Men heeft er behoefte aan, Freisheim, hen na te oogen, die het goed
met ons meenen," antwoordde de Prins bedaard.
"Hij het goed met Uwe Hoogheid meenen?" hernam de page met een
ongeloovig schouderophalen.
"Beter dan gij misschien denkt, Freisheim. Hij is mij vriendelijk
komen waarschuwen en ik ben er hem dankbaar voor. Doch nu zoudt gij
mij genoegen doen, uwe lectuur van straks voort te zetten. Wij waren
gebleven aan de woorden: Zij bewonderden hem van ganscher harte."
"Uwe Hoogheid heeft een singulier geheugen," hervatte de page, die
met zijn nagel een streep had gehaald, waar hij bij het binnentreden
van Pieter was gebleven. Op een wenk van den Prins zette hij zijn
lectuur voort.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
Een dure slaapkameraad.
Wij slaan bijna zestien maanden over en begeven ons in het laatst
van de maand April van het jaar 1663 nogmaals naar de woning van den
pruikenmaker Pieter Dirksz. Als wij den winkel binnentreden, vinden wij
er slechts één jongen. En als wij dien jongen aandachtig beschouwen,
schijnt hij somber en gedrukt te zijn. Er is dan ook groote reden van
droefheid in het huis van Pieter Dirksz, en die reden is de oorzaak,
dat wij ook in de kamer achter den winkel niemand vinden. Wij doen dus
de deur aan de linkerzijde open, treden de gang in en gaan de trap op,
die ons op een donker portaal brengt, waar wij behalve de zoldertrap
twee deuren vinden, van welke de eene tot de voor-, de andere tot
de achterkamer toegang schenkt. Wij doen laatstgenoemde open en
bevinden ons in een tamelijk ruim vertrek, waar wij in een ledikant
met vierkanten hemel, van hetwelk de voorgordijnen zijn weggeschoven,
vader Dirksz vinden liggen. Gij zoudt hem bijna niet meer kennen,
den pruikenmaker, zoo zijn die wangen ingevallen, zoo hol staan
die oogen, zoo bleek is dat gelaat. Sedert den vorigen herfst had
de goede man geen gezond uur meer gehad. Een zware gevatte koude,
die hem op de longen was geslagen, had hem eerst eenigen tijd in
huis gehouden; toen echter alle gewone huismiddeltjes, waarvan onze
voorouders machtig veel hielden, niets baatten, had men den dokter
gehaald. Maar ook de kunst van dezen had niets kunnen uitrichten; de
goede Dirksz verzwakte al meer en meer, en eindelijk kon de geneesheer
het niet meer verbergen, dat onze pruikenmaker de longtering had en
dat de dagen zijns levens geteld waren.
Daar waren zij dan allen om zijn bed geschaard, zijne kinderen. Aan het
hoofdeinde zat de trouwe Martha, die, sedert het huwelijk harer zuster
met den kleedermaker Govert Knipschaar, het huishouden haars vaders
had opgehouden en hem in zijne ziekte trouw verpleegd en opgepast
had. Tegenover haar, aan het voeteneinde van het ledikant, zat Marie,
die men had laten halen, omdat vader zoo naar was. Karel, Jacob, Evert
en Pieter stonden voor het bed van den stervende geschaard. Deze was
nog helder van geest, en ofschoon hij wel wist, dat hij spoedig zou
heengaan, getroost in de beschikkingen van den Hemelschen Vader, die
best weet wat goed is voor Zijne menschenkinderen; ja, hij verlangde
zelfs naar den dood, die hem zou bevrijden van de vreeselijke
benauwdheden, welke zich al meer en meer vermenigvuldigden, en hem
zou brengen bij zijn Verlosser en Zaligmaker, die ook voor hem aan
het kruis op Golgotha was gestorven. Hij gevoelde, dat het uur van
zijn verscheiden nabij was en had daarom zijne kinderen om zich heen
verzameld, om hun nog eenige vaderlijke lessen mede te deelen en
afscheid van hen te nemen.
Ik behoef u dan ook niet te zeggen, dat allen diep bedroefd waren en
in tranen wegsmolten. Zij beloofden hunnen stervenden vader, dat zij
zijne lessen nimmer zouden vergeten, dat zij steeds God den Heer voor
oogen houden en elkander zouden liefhebben tot aan hunnen dood.
"Ik sterf gerust," ging vader Dirksz voort; "want ik ga naar mijn
Verlosser en Middelaar, den Heer Jezus Christus. Bij Hem zal ik Uwe
lieve moeder terugvinden,--ik hoop u allen daar eens te zien."
Op dit oogenblik werd de kamerdeur geopend; allen wendden hun blik
naar dien kant en zagen niemand anders dan oom Klaas, die, na eene
afwezigheid van bijna twee jaren, met den vice-admiraal De Ruyter,
den 19den uit de _Middellandsche zee_ te _Texel_ was binnengeloopen en
zich, zoodra hij verlof kon bekomen, had heengespoed, om zijn broeder
te bezoeken. Weinig had de man gedacht, dat hij den geliefde in zulk
een toestand zou terugvinden.
"Ach, oom!" riep Pieter uit, die het eerst op hem toeliep. "Vader is
zoo erg ziek. Hij zal het niet lang meer maken."
"Wat zeg je, Pieter?" riep de zeeman verschrikt uit, terwijl hij
zich naar het bed van den stervende begaf, waar Martha hem hare
plaats inruimde.
"Het is zoo, Klaas," antwoordde de kranke. "Mijne uren zijn geteld,
en ik dank den Heer van leven en dood, dat ik je nog vóór mijn sterven
mag zien. Ik durfde het niet hopen."
"Mijn arme broeder! mijn arme Pieter!" riep oom Klaas uit. "Moest
ik daarom hier komen, om je te zien sterven! Het was alsof ik er een
voorgevoel van had. Ik wist maar niet, hoe spoedig ik herwaarts zou
stevenen; ik verlangde zoo om je te zien.--Maar," ging hij tot Marie
voort, "verhaal mij eens, hoe dat alles zich heeft toegedragen."
Marie voldeed hieraan, en toen oom Klaas hoorde, dat zij gehuwd was,
kon hij toch niet laten, er een paar rijmpjes van Cats bij te brengen.
"Wel kind!" zeide hij. "Al getrouwd! Ja, jonge jaren willen paren,
zegt vader Cats, en je hebt goed gedaan ook; want geen beter gemak,
dan eigen dak."
Toen men hem alles van de ziekte van vader Dirksz verhaald had,
vatte hij de hand zijns broeders. Tranen stonden in zijne oogen.
"Beste Pieter," zeide hij. "Je zult het wel ondervonden hebben, wat
onze vrome Cats zegt: hoe zwaarder lot, hoe nader God! En dat zal je
zeker verkwikt hebben op je ziekbed."
"Dat heeft het mij, Klaas," antwoordde de stervende. "En de Heer heeft
mij groote zegeningen op mijn ziekbed geschonken. Een daarvan is,
dat ik je nog vóór mijn sterven mag zien, dat jij mij de oogen zult
toedrukken en na mijn dood de vriend en de raadsman mijner kinderen
zult zijn."
"Dat beloof ik je, Pieter," antwoordde oom Klaas. "Je kunt daarop je
hoofd gerust nederleggen."
"Ik heb nog een bede aan je, Klaas!" vervolgde de stervende. "Je weet,
hoe mijn Pieter reeds voor twee jaren naar zee wilde gaan."
"En hoe je daar tegen waart, en ik het ook afried."
"En hoe wij afspraken, om de zaak op zijn beloop te laten," hernam
de zieke, "en te zien of de jongen bij zijn plan bleef."
"Juist, Pieter, en is de jongen nog altijd in het oude zog blijven
varen?"
"Ja. Ik wil hem dan ook gaarne zijn zin geven."
"Zoo, Pieter! Daar doe je wijs aan. Wat zal ik zeggen: hadden wij allen
één zin, wij liepen allen één weg. De knaap zal dus zeeman worden?"
"Met Gods hulp, ja. Maar, beste Klaas! Je weet best, wat voor
verleiding er op zee is. Wil je den knaap tot vader strekken?"
"Of ik dat wil? Dat behoef je niet te vragen. Ik beloof het je." En
dit zeggende, drukte de ronde zeeman de hand van zijn broeder.
De komst van oom Klaas gaf een geheele verandering in de
gemoedsgesteldheid van de kinderen des stervenden. Ieder ging weder aan
zijn werk, terwijl oom Klaas, die verzekerd had dat vader nog wel niet
zoo spoedig zou sterven, aan het bed bleef zitten en, wat de kranke
er tegen inbracht en hoe ook de kinderen er tegen protesteerden,
dien nacht bij zijn broeder bleef waken. Martha wilde zoo gaarne
bij hem opblijven; maar oom had haar naar bed gejaagd en beloofd,
haar te zullen roepen, als er dadelijk gevaar van sterven was.
In den morgenstond van den volgenden dag stierf Pieter Dirksz, en
liet zijne kinderen als weezen achter. Ik zal u hunne droefheid niet
schetsen; het was een heele troost voor hen, dat oom Klaas bij hen
was. Hij gaf hun den noodigen raad, hoe zij te handelen hadden met
de begrafenis, en wat hun verder te doen stond om de zaken van hun
overleden vader te regelen, volgens de toenmalige wetten. Intusschen
moet ik u nog een enkel woord van de begrafenis mededeelen. Toen
vader Dirksz overleden was, zond oom Klaas den winkeljongen naar den
gildeknecht, die den doode aan al de broeders van het pruikenmakersgild
aanzeide. Vervolgens werd den leden van het gild, die volgens den
rooster dragen moesten, door gemelden gildeknecht aangezegd, om met
lamfers aan hunne hoeden en rouwmantels om, op den dag der begrafenis
op het daartoe bepaalde uur te verschijnen ten sterfhuize, ten einde
den overledene te dragen; welke rouwmantels, een eigendom van het
gild, hun door den knecht aan huis bezorgd en later bij hen afgehaald
werden. De andere leden van het gild, die twee aan twee achter het
lijk zouden gaan, moesten in hunne gewone kleeding, in hunne wijde en
lange mantels op hetzelfde uur komen. Vóór het lijk uit ging een lid
van het aansprekers- of biddersgild, dat sedert 1626 tot op tien leden
verminderd was, welke door den Magistraat moesten beëedigd worden. De
aanspreker of bidder ging eerst, op hem volgde de knecht van het
gild met het beeld van den schutspatroon op een vaandel, daarop de
lijkkist met een lakensch rouwkleed (pelt) bedekt, welks slippen door
den deken en de drie hoofdlieden werden vastgehouden, terwijl de kist
zelf door de reeds genoemde leden van het gild werd gedragen. Vlak
daarachter volgden: eerst Karel en Jacob, toen Marie's man met
Evert en eindelijk oom Klaas met Pieter, alle zes met lamfers aan
de hoeden en rouwmantels om, welke hun door het biddersgild verhuurd
waren. Achter hen aan traden twee aan twee de leden van het gild. Zoo
trok de stoet de _Spuistraat_, _Vlamingstraat_ en _Schoolstraat_ door,
tot aan de Groote kerk, waar de kist van Pieter Dirksz in een graf,
dat in het daarom gelegen kerkhof gedolven was, werd nedergelaten,
en de stoet naar huis terugkeerde. Hier hadden Marie en Martha
intusschen gezorgd voor het noodige. Brood, vleesch, kaas, worst,
bier, brandewijn, alles stond in overvloed voor het "begrafenismaal"
gereed. Men zou gemeend hebben, als men dien opgetorenden schotel met
brood zag, dat deze mannen van verre plaatsen gekomen waren en nog
heel wat te reizen hadden, of dat die wandeling van de Spuistraat
naar de Groote kerk hun hongerige magen bezorgd had. Maar dat was
toen en nog lang daarna de gewoonte, en hoe meer brood en vleesch en
kaas en worst en bier en brandewijn er gebruikt werd, hoe meer men
daarmede den overledene eer bewees,--een treurig overblijfsel van
de Germaansche lijkfeesten. Het gebeurde dan ook dikwijls, dat zulk
een begrafenismaal vrij wat vroolijker afliep dan menige bruiloft, en
dat er bij den afloop menig vriend van den overledene naar huis ging,
die zoo lang drankoffers aan den afgestorvene geplengd had, tot hij
eindelijk, mooi boven zijn bier en zwaaiend langs de straten, blij was,
als hij zonder vallen en horten en stooten zijn woning bereikt had. Men
had dan ook begrafenisbier, begrafeniskaas en dergelijke. Gelukkig
dat die "begrafenismalen" in de steden althans [18] zijn afgeschaft.
Daar men gedurende de dagen tusschen het overlijden en de begrafenis
toch niet altijd over vader Dirksz kon spreken, zoo had Pieter oom
Klaas verzocht, te verhalen, wat hem alzoo gedurende zijne laatste
reis gebeurd was, en de goede man voldeed hieraan volgaarne, te meer,
daar ook de anderen hem zulks vraagden. Ik zal u intusschen dat verhaal
niet in zijn geheel mededeelen, maar er liever enkele bijzonderheden
van aanstippen.