"Het deed mij leed, dat Uwe Hoogheid mij niet thuis vond bij het

bezoek, dat Zij mij bij haar kortstondig verblijf te 's-_Gravenhage_

bracht."

"Mij smartte het niet minder, Uwe Edelheid niet thuis te treffen,"

antwoordde de Prins. "Indien mijn verblijf langer gecontinueerd had,

zou ik zeker mijn bezoek gerepeteerd hebben. Mijne grootmoeder had

echter bepaald, dat ik slechts drie uren zou vertoeven en wachtte

mij met den maaltijd."

"Ik dank Uwe Hoogheid wel voor hare goede intentie, en zou mij

geobligeerd hebben gerekend, haar terstond eene contravisite te

brengen, indien Uwe Hoogheid niets reeds zoo spoedig vertrokken ware."

"Ik kon niet anders. Uwe Edelheid weet, hoezeer mijne grootmoeder op

orde gesteld is en dat zij volstrekte gehoorzaamheid eischt."

"Zij is in haar recht, als uwe voogdes," gaf De Witt ten antwoord. "Uwe

Hoogheid is haar onbepaalde gehoorzaamheid verschuldigd. Intusschen

moet het u genoegen doen, uwe vacantie in zulk een heerlijk lustoord

als dit te passeeren. Uwe Hoogheid zal zich toch niet vervelen?"

"Vervelen, mijnheer de Raadpensionaris?" vraagde de Prins schier

verwonderd. "Mijne grootmoeder heeft eene schoone boekerij."

"Gij leest dan veel. En waarin bestaat alzoo uwe lectuur?"

"Ik ben op dit oogenblik aan het lezen van het schoone werk

van den Amsterdamschen burgemeesterszoon, den ridder Pieter

Cornelisz. Hooft...."

"Zijne Nederlandsche Historiën voorzeker?" viel De Witt hem in de

rede. "Een schoon werk in een keurigen, kernachtigen stijl."

"En merkwaardige gebeurtenissen," hernam de prins. "Overigens houden

wij, Zuijlestein en ik, ons bezig met het repeteeren van het vroeger

geleerde."

"En het lezen van de brieven, u door den Engelschen gezant ter hand

gesteld?" vervolgde De Witt ietwat scherp en onverwacht, om den Prins

in verwarring te brengen en hem zoo de bekentenis te ontwringen,

die hij van hem hoopte te hooren. Hij had echter buiten den waard

gerekend. Zonder te verbleeken of te blozen, zelfs zonder de oogen

neder te slaan en toch zonder zijne lippen met een logen te bezoedelen

(want dat zou Willem Hendrik nooit gedaan hebben) antwoordde de

Prins ongekunsteld:

"Uwe Edelheid vergist zich, wanneer zij denkt, dat ik de hulp van den

heer Van Zuijlestein noodig heb, om Engelsche brieven te lezen.--Ik

durf zeggen, dat ik de taal genoegzaam machtig ben, om ze alleen te

verstaan. Uwe Edelheid vergeet, dat mijne moeder een Engelsche was."

De Witt beet zich op de lippen. Wilde de Prins hem soms doen voelen,

dat zijne correspondentie met het Engelsche hof een natuurlijke zaak

was en dat dus al zijne staatkundige geslepenheid niet in staat zou

zijn, hem geheel en al aan dien invloed te onttrekken? Nog in twijfel,

wat de bedoeling van den knaap was, ging hij voort:

"En uwe grootmoeder is eene Duitsche Vorstin. Dus zal u de Hoogduitsche

taal toch ook wel eigen zijn."

"Ik vind, dat de Hoogduitsche taal voor ons gemakkelijk te verstaan,

maar moeilijk te schrijven is," antwoordde de Prins ontwijkend.

"En is uw koninklijke oom gezond?" hernam De Witt. "Schreef hij u

niets ten aanzien van mij?"

"Maar, mijnheer de Raadpensionaris!" hernam de Prins glimlachend. "Uwe

Edelheid vergeet, dat ik eerst tien jaar ben en dat mijn oom, de Koning

der drie Brittannische rijken, mij over geen staatkunde zal schrijven."

Alweder was De Witt, de schrandere De Witt, in verlegenheid. Dien knaap

kon hij niet doorgronden. Wat beteekende die bijvoeging van _Koning

der drie Brittannische rijken_, met zooveel kracht uitgesproken?--Nog

meer werd hij in de war gebracht, toen de Prins er schijnbaar met de

grootste onnoozelheid bijvoegde:

"Mijn nicht Marie [15], de dochter van den hertog van _York_, heeft

mij geschreven, dat haars vaders beide schoonste jachthonden gejongd

hebben. Ik zal mijn oom vragen, of hij mij een paar zal zenden,--ik

houd dol veel van jachthonden, mijnheer de Raadpensionaris."

"Zoo," antwoordde De Witt droogjes.

"En van de jacht ook. Mijn vader bezat een groote, uitgestrekte jacht

te _Dieren_."

"Dat weet ik," hervatte De Witt even droog.

"En hier te _Hondsholredijk_ is ook een schoone jacht, mijnheer

de Raadpensionaris.--Als ik groot ben, dan hoop ik hier dikwerf

te jagen...."

"En heeft Uwe Hoogheid nog andere brieven uit _Engeland_

ontvangen?" hervatte De Witt, die zich de gelegenheid niet wilde

laten ontnemen, om te weten met wie de Prins in correspondentie stond.

"Voorzeker. Ook nog eene van Marie's zuster, mijn nichtje Anna. Maar

zij schrijft nog niet correct.--Doch, om tot de jacht terug te keeren

(en als de Prins op dat punt kwam, werd hij welsprekend) heeft Uwe

Edelheid wel eens een leeuwenjacht bijgewoond?"

De vraag geschiedde, terwijl beiden stilstonden voor het hok van een

prachtigen Afrikaanschen leeuw. Zij was dus zeer natuurlijk. Maar

dommer, kinderachtiger vraag kon er niet bestaan, en zulks juist op

het oogenblik, dat de Raadpensionaris iets dacht te zullen hooren.

"Maar Uwe Hoogheid!" antwoordde De Witt. "Er zijn immers geen leeuwen

in de Geüniëerde Provinciën."

"Uwe Edelheid kon een reis gedaan hebben naar _Afrika_," hernam

de Prins.

"Ik naar _Afrika_? Uwe Hoogheid railleert."

"Uwe Edelheid vergeve het mijner kinderachtige domheid," hernam de

Prins. "Het kwam door het verlangen, dat ik koesterde om eens een

leeuwenjager te spreken. Het moet een fier en koninklijk dier zijn,

zoo'n dier in zijn natuurstaat."

"Eilacy, dat laat zich denken. Niet ten onrechte noemt men hem de

koning der dieren, de vorst van het woud."

"Geheel anders dan zoo gevangen te zitten en van den wil van een

ander af te hangen," hernam de Prins. "Als deze leeuw eens werd

losgelaten, zoudt gij dan niet denken, dat hij nog woester was dan

de nooit gekerkerde?"

"Ik denk het niet," hervatte De Witt. "Zulke leeuwen worden jong

gevangen."

"En zoudt gij dan denken, mijnheer de Raadpensionaris," vervolgde de

Prins, die zich door het oogenblik liet medeslepen, "dat een leeuw

geen leeuw blijft? Zoudt gij meenen, dat de jonge leeuw niet even

goed de ketens voelt, die hem binden, als de volwassene? Zoudt gij

het niet met mij eens zijn, dat de gevangene leeuw, als hij zijn

kerker ontkomt, nog woedender is dan de leeuw der bosschen, die de

vrijheid gewoon is en geen inkerkering te wreken heeft? Mij dunkt,

als ik mij eens in de plaats van zoo'n leeuw stelde en dan aan mijne

afkomst gedacht, ik zou, zoodra ik de gelegenheid voor mij schoon zag,

mijne traliën verbreken en schrikkelijk op mijne bewaarders aanvallen."

Met verbazing had De Witt naar den anders zoo stroeven en eenvoudigen

knaap geluisterd. Hij had die oogen zien flonkeren van een ongekend

vuur, een licht rood zich over dat anders zoo bleeke gelaat

zien verspreiden; hij had geestdrift gezien, waar anders ijskoude

onverschilligheid heerschte. Zou die knaap werkelijk gevoelen, dat hij

de gekerkerde jonge leeuw was en zou hij zich bewust zijn van zijne

afkomst en zijne rechten? Nog vreemder echter zag de Raadpensionaris

op, toen diezelfde knaap met al de eenvoudigheid, zijnen leeftijd

eigen, na een oogenblik gezwegen te hebben, voortging:

"'t Is zoo jammer, dat de leeuw altijd achter traliën moet zitten. Ik

wou, dat men hem zoo tam kon maken als een hond, dan zou ik Uwe

Edelheid vragen, om uit mijnen naam een verzoek aan de heeren Staten

te doen."

"En welk?" vraagde De Witt, verwachtende nu toch iets belangrijks te

vernemen, misschien wel een verzoek, dat den Prins door de brieven

uit _Engeland_ was ingegeven.

"Om voor mij een tam leeuwtje uit _Afrika_ te laten overkomen en mij

verlof te geven, het aan een koord op straat te mogen meenemen."

Nu wist de schrandere, de geslepen staatsman niet meer, wat hij van

dien knaap denken moest. Had hij zijns gelijke in politiek gevonden,

of liever, moest hij dien tienjarigen knaap als zijn meester in

geslepenheid erkennen? Of was alles slechts eenvoudigheid, en zocht

hij meer in 's Prinsen woorden, dan daarin lag? Hij wist het niet en

was verlegen, wat te antwoorden, toen de komst van Zuijlestein hem

uit die verlegenheid redde.

Ik wil het gesprek tusschen dezen en De Witt mijnen lezers niet

mededeelen, noch hen op hunne wandeling door de lanen van het park

vergezellen. Toen zij aan de gracht gekomen waren, die het vorstelijk

paleis omgaf, bleven zij eenige oogenblikken stilstaan, om te zien

naar het werkvolk van baas Balkenende, dat op een steiger stond en

bezig was, een nieuwe kroonlijst aan het hoofdgebouw te maken.

Terwijl zij daar zoo stonden te kijken, gaf de Prins onwillekeurig een

gil. Een der planken van de bovenste verdieping van den steiger schoot

uit, juist toen een knaap van ongeveer vijftien jaren er den voet

op had gezet. De arme jongen tuimelde en scheen reddeloos verloren;

want de hoogte, van welke hij viel, moest hem noodwendig doodelijk

zijn. Gij weet toch, hoe een vrijvallend lichaam bij elke seconde in

snelheid toeneemt, en al kwam de knaap dan ook in het water neder,

de tegenstand, dien dit element aan zulk een snelvallend lichaam

moest bieden, kon niet anders dan hem noodlottig zijn. Maar met eene

tegenwoordigheid van geest, die alledrie de aanschouwers verbaasde,

greep de knaap een der stijlen, klemde er zich terstond met beide

handen aan vast en klom, alsof er niets gebeurd was, naar boven,

waar hij doodbedaard aan het werk ging om een andere plank in plaats

van de uitgeschotene te leggen.

"Dat noem ik tegenwoordigheid van geest. Zoo iets heb ik in mijn

leven niet gezien," zeide De Witt.

"Daar steekt iets groots in dien knaap," meende Zuijlestein.

De Prins zeide niets; maar toen men zich weder op het paleis bevond

en de Raadpensionaris vertrokken was, ging hij naar den kant, waar

de steiger stond, en riep den knaap.

"Heb je je niet bezeerd?" was zijn eerste vraag.

De knaap, die den prins niet kende, maar toch wel begreep dat hij

niet zijns gelijke was, antwoordde op eerbiedigen toon:

"Ik had een leelijken val kunnen doen, jongeheer! Gelukkig, dat ik

den stijl kon bereiken; anders had ik mijn zwemkunst moeten gebruiken."

"En was je niet verschrikt?" vraagde de Prins.

"Verschrikt? Dat zou ik geweest zijn, als ik den stijl niet had

gezien. Maar toen ik voelde, dat de plank uitschoot, dacht ik dadelijk:

"Piet, maak dat je je aan het een of ander vasthoudt--anders is het met

je gedaan." En zoo kan ik niet zeggen, dat ik er erg van ontsteld ben."

"Je bent een fiksche knaap en kunt het ver brengen in de wereld. Hoe

heet je?"

"Ik heet Pieter Pietersz en ben de jongste zoon van den pruikenmaker

Pieter Dirksz uit de _Spuistraat_ te _'s-Gravenhage_".

"Welzoo! Ben jij een zoon van den pruikenmaker Dirksz? Dan ben je

een broeder van mijn kamerdienaar Karel."

"Van Uwen kamerdienaar...." riep Pieter uit, terwijl hij een lang

gezicht zette, en meer verschrikte dan toen hij gevallen was. "Dus

dan heb ik de eer met zijne Hoogheid den Prins van Oranje te spreken."

"Het is zoo," antwoordde de Prins vriendelijk. "Maar laat dat je niet

verschrikken. Ik ben immers geen wild beest."

"De Hemel beware mij, Uwe Hoogheid!" antwoordde

Pieter. "Maar--maar...."

"Hoor eens, Pieter," hervatte de Prins. "Zeg mij, kan ik iets voor

je doen? Je hebt getoond een onverschrokken knaap te zijn. Ik kan

wel niet veel, maar wat ik in mijne macht heb, staat je ten dienste.

"Ach, Uwe Hoogheid!" antwoordde Pieter. "Wat ik zoo gaarne wilde,

staat toch niet in Uwe macht."

"En wat is dat?" vroeg de Prins.

"Ik zou zoo gaarne zeeman willen worden, zooals mijn oom Klaas is;

maar vader wil het niet toestaan."

"Dat is een leelijk geval, Pieter. Ik weet, dat baas Dirksz stijf

op zijn stuk staat. Maar wat ik kan, zal ik doen. Ik zal er je broer

Karel over spreken."

"O, ik dank Uwe Hoogheid wel voor die gunst," riep Pieter uit.

"Vaarwel, Pieter," zeide de Prins, terwijl hij den krullenjongen

verliet, die 's avonds thuis kwam en zegevierend vertelde met wien

hij gesproken had. Van diens belofte echter zweeg hij wijselijk.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

Hoe een echt Hollandsche jongen zich wreekt.

Jan IJzer had het voornemen opgevat, om te gelegener tijd wraak te

nemen op Pieter, omdat hij dien als de oorzaak beschouwde van zijne

wegzending door baas Balkenende, en wij willen eens zien hoe hij dat

voornemen ten uitvoer bracht. Gij herinnert u, dat hij op een en ander

ambacht gekomen was. Spoedig had hij hier andere kennissen gekregen,

en zou men dus veronderstellen, dat hij Pieter Dirksz en al wat er

gebeurd was vergat. Maar neen--niet lang nadat Pieters voet hersteld

was, kwam hij hem tegen, en begon hem te schelden voor "klikspaan"

en al zulke leelijke woorden. Pieter die al te zeer wist, dat hij

onschuldig aan het hem aangetegen kwaad was, en dat hij, ondervraagd

zijnde, niets dan de waarheid had gesproken, antwoordde in het eerst

niet; maar toen Jan hem blijkbaar opwachtte, en niet ophield hem te

schelden, besloot Pieter hem eens de kracht zijner vuisten te laten

voelen en takelde hem zoo toe, dat hij met een blauw oog op den winkel

kwam. Toen zijne kameraads hem vraagden, waar hij dat gekregen had,

durfde hij voor de waarheid niet uitkomen, maar zeide, dat hij zich

had gestooten. Zijn geheele uitzicht echter toonde aan, dat hij

geplukhaard had. Om zich hierover te wreken, besloot hij Pieter des

avonds op te wachten en onverwachts te overvallen, welk plan hij met

een paar zijner kameraads ten uitvoer bracht en dat hem in het begin

van September gelukte. Pieter, het wel tegen een, maar niet tegen

drie kunnende uithouden, zou gewis het onderspit gedolven hebben,

indien hem niet bij geluk een voorbijganger ware te hulp gekomen,

die hem uit hunne handen had gered.

"Het was gelukkig, dat ik daar aankwam, knaap!" zeide de voorbijganger;

"anders had men je braaf toegetakeld."

"Ik dank Uwe Edelheid voor hare hulp," antwoordde Pieter. "Drie tegen

een, en dan zoo verraderlijk; daar is niemand tegen bestand. Laat

hen een voor een komen, dan sta ik ze." En dit zeggende, balde hij

de vuisten.

"Wie ben je, knaap, dat je zooveel moed in het lijf hebt?" vraagde

de onbekende.

"Ik heet Pieter Pietersz en mijn vader is pruikenmaker in de

_Spuistraat_."

"Aha! dan ben jij dat onverschrokken kereltje, dat op den huize te

_Hondsholredijk_ bijna van den stijger viel."

"Dezelfde. Doch hoe kan Uwe Edelheid dat weten?"

"Ik was met den heer Raadpensionaris en Zijne Hoogheid den Prins

getuige van je val en je koenheid."

"Zijne Hoogheid de Prins!" hernam Pieter. "O, ik had het geluk,

dien te spreken.

"Zijne Hoogheid was zeer over je tevreden," verzekerde de Heer Van

Zuijlestein; want mijne lezers zullen wel reeds geraden hebben, dat het

niemand anders was dan deze, "en sprak met veel ingenomenheid over je."

"Ik ben Zijner Hoogheid ten zeerste verplicht voor goede intentie,

hervatte Pieter, terwijl hij een buiging voor den Heer Van Zuijlestein

maakt, "en, als het niet te vrij is, zou ik u wel willen verzoeken,

Haar mijne gebiedenis te maken."

"Met genoegen, Pieter.--Vaarwel!" hervatte Zuijlestein, terwijl hij

zijn weg vervolgde.

Het jaar 1661 liep ten einde en nog had zich weinig vorst doen

gevoelen, toen eensklaps, kort vóór Kersttijd, de wind noordoostelijk

liep en zulk een felle koude aanbracht, dat binnen een paar dagen al

het water in en om _Den Haag_ met een dikke ijskorst bevloerd was. Nu

werden de schaatsen voor den dag gehaald; en de Haagsche jeugd,

dol op het echt Hollandsche ijsvermaak, had terstond de ijsschoenen

klaar, hier een riem hersteld, daar nieuwe banden ingeregen, elders

het in den zomer geroeste of in den vorigen winter bot geworden ijzer

laten slijpen, of hare spaarpenningen besteed om zich een paar nieuwe

vleugels aan te schaffen, welke, evenals die van Mercurius aan de

voeten gebonden, de snelheid van dien voet vertiendubbelden. Menigeen

was reeds met een nat pak te huis gekomen; want de dartele knapen,

verzot op het vermaak, konden niet wachten tot de wateren genoegzaam

bevloerd waren, maar waagden zich reeds op de spiegelgladde baan,

alvorens het ijs de behoorlijke dikte had verkregen om hen te

dragen. Gelukkig als zij er maar met een nat pak afkwamen en er niet

het leven bij inschoten. Nu is er van dit laatste in 's-_Gravenhage_,

ten minste bij eenige voorzichtigheid, weinig gevaar, en ik zal u

dat uitleggen. De polder, die zich aan den zuidoostelijken kant van

de residentiestad bevindt, is zeer laag gelegen, en nu wordt het land

reeds in het late najaar door het hooge water geheel ondergezet: zoodat

men zou meenen een uitgestrekt meer voor zich te zien [16]. Wanneer dit

water bevriest, schenkt het een uitgestrekt veld aan de liefhebbers

der kunst van schaatsenrijden en wordt daarom zeer druk bezocht. Nu

is daar ook weinig gevaar van verdrinken, want zakt men door het ijs,

dan valt men er tot de knieën, op het ergst in een sloot, tot den hals

toe in. Alleen op de diepere molenslooten, waar men--als de molens

gemalen hebben--dikwijls bomijs aantreft of--als het sterk gewaaid

heeft--zoogenaamde windwakken, kan men gevaar loopen van te verdrinken.

Het was de tweede Kerstdag. Prins Willem Hendrik, die een

aartsliefhebber van schaatsenrijden was en zich gaarne op den

Vijver voor het _Binnenhof_ met die kunst vermaakte, had zich met

zijn goeverneur, zijn page Jan Theodoor Baron van Freisheim, zijn

kamerdienaar en eenige lakeien naar het veldijs begeven, reeds zwart

van de menigte van schaatsenrijders; niet om de vlugge wendingen aan

te zien, maar om zelf zich met rijden te vermaken. Daar men het ijs

nog niet sterk genoeg rekende, om zich op den _Vijver_ te wagen, die,

meer besloten dan het open veld, nog niet te berijden was, bestond er

hier geen de minste zwarigheid. Zoodra dus Zijne Hoogheid met zijn

gevolg op het veldijs gekomen was, ging hij op een stoel zitten en

werden hem de keurige, fijne, met zilver en ivoor ingelegde Friesche

schaatsen aangebonden, welke hij van zijnen oom Willem Frederik,

Stadhouder over _Friesland_ en sedert 1650 ook over _Groningen_ en

_Drente_, ten geschenke had ontvangen. Deze Willem Frederik, Graaf

van _Nassau_ en de zoon van den Frieschen Stadhouder Ernst Casimir,

was sedert ruim vier jaren gehuwd met 's Prinsen tante Albertina Agnes,

zijns vaders zuster, en door dat huwelijk zijn oom geworden.

Eenvoudig maar sierlijk was de kleeding van den Prins. Zijn zwarte

aan één kant opgeslagen hoed met de golvende witte struisveder, die

door een diamanten knoop met kleine parelen omzet, was vastgemaakt,

zijn nauwsluitend fluweelen wambuis (zijn mantel had hij aan

zijn kamerdienaar overgegeven) uit welks poffen het wit satijnen

onderkleed zich liet zien, de zwart fluweelen hozen met zijden strikken

boven de kuiten vastgemaakt, deden zijne slanke gestalte te beter

uitkomen, terwijl hem de lichaamsbeweging van het schaatsenrijden

niet alleen eene losheid en bevalligheid scheen te geven, die hij

anders ten eenenmale miste, maar ook een blos op zijn ingevallen

kaken verspreidde, die bij de levendige oogen zoo goed stond.

"Freisheim!" zeide de Prins tot zijnen page, toen hij, na een geruimen

tijd gereden te hebben, eenige oogenblikken stil stond. "Wij moesten

eens om het zeerst naar gindschen molen rijden, hé?"

"Uwe Hoogheid zij indachtig, dat er gevaar bij dien rit is. De

molenslooten zijn dikwijls met wakken."

"Wij kunnen er over het veldijs naar toe," antwoordde de Prins. "Zie

maar, hoe ver de ijsspiegel zich uitstrekt."

"Dan is het mij goed," hervatte de page.

"Willem, wees toch voorzichtig!" vermaande Zuijlestein, die juist

bij hen kwam.

"Mag ik Uwe Hoogheid en mijnheer den baron vooruit rijden; dan kunnen

zij gerust voort en behoeven geen gevaar te vreezen?" vraagde Karel.

"Doe dat, Karel!" antwoordde de Prins. "Maar wat snel."

"Een goede, trouwe kerel, niet waar?" hervatte hij tot Freisheim,

terwijl hij den kamerdienaar naoogde. "Hij zou zijn leven voor

mij laten."

"Eilacy! Niet meer dan een staaltje van zijn devoir," antwoordde de

page. "Wij allen zouden dat doen, indien het noodig was."

"Ik hoop zulk een sacrifice nooit van u te behoeven, Freisheim,"

antwoordde de Prins. "Het zou mij weinig streelen, als iemand voor

mij zijn leven in de waagschaal stelde. Maar komaan! Karel is reeds

half weg. Een--twee--drie."

En met het laatste woord schoten beiden als een pijl uit een boog

voort, terwijl de lakeien moeite hadden hen bij te houden.

Eensklaps stond de Prins stil en liet den jongen baron alleen

rijden. Hij had een angstkreet gehoord van den kant der molensloot, en

spoede zich met andere schaatsenrijders derwaarts. Toen hij er aankwam,

was reeds een groote menigte volks verzameld, die om een wak stond

te kijken. Zoodra de Prins kwam, week men eerbiedig voor hem terug.

"Wat is daar te doen?" vraagde hij aan een der omstanders.

"Er ligt een knaap in het water, Uwe Hoogheid! Hij is op een wak

gekomen en er ingeschoten."

"En is er dan niemand om den drenkeling te helpen?" vraagde de Prins.

"Wie zou zich in de diepe sloot durven wagen, waar misschien drift

genoeg in is om iemand in een oogenblik twintig ellen onder het ijs

voort te sleepen? Één lijk is genoeg, Uwe Hoogheid."

Nog eer de Prins kon antwoorden, drong een andere knaap door de

menigte heen, gaf zijne schaatsen, die hij in de haast afgebonden,

en zijn wambuis, dat hij uitgetrokken had, aan een der omstanders,

en sprong zonder bedenken in het wak. Niemand durfde zich bewegen,

niemand sprak een enkel woord. Ook de Prins stond daar sprakeloos en

met ingehouden adem. Freisheim, die nog een eind voortgereden was,

voegde zich bij hem en zeide op vroolijken toon:

"Uwe Hoogheid schijnt van den rechten weg te zijn afgedwaald."

"Stil, Freisheim!" antwoordde de Prins stroef. "Het geldt hier twee

menschenlevens."

De toon, waarop de Prins deze woorden sprak, deed den page

zwijgen. Hij begreep, hoe ontijdig zijne scherts was geweest en

bleef ook onbeweeglijk staan. Zuijlestein kwam eenige oogenblikken

later aanrijden.

"Uwe Hoogheid moet niet stilstaan," zeide hij. "Zij is te bezweet--de

koude zou haar een ziekte op den hals halen."

"Een oogenblik, mijn waarde Zuijlestein," hervatte de Prins. "Er is

hier een ongeluk gebeurd."

Terwijl de Prins nog sprak, hoorde men een vreugdekreet: de moedige

duiker kwam boven en hield den drenkeling in den eenen arm, terwijl

hij met den anderen zwom.

"Help mij!" riep hij op vermoeiden toon uit en terstond waren er

twintig armen te gelijk gereed, van welke er eenige den drenkeling

naar zich toetrokken, terwijl andere den moedigen knaap uit het

water hielpen. In dien tusschentijd was ook Karel naderbij gekomen,

en nauwelijks zag hij den onverschrokken jongen menschenvriend,

of hij riep uit:

"Goede hemel! Pieter! heb je in het water gelegen....?"

"Is het je broer, Karel," zeide de Prins; maar deze vergat Zijne

Hoogheid en allen, die hem omringden, en snelde naar zijn broeder toe.

"Het is niets, Karel," antwoordde de knaap met zijne gewone

onverschrokkenheid. "Waar zijn mijn schaatsen en mijn wambuis? Ik ga

spoedig naar huis om mij te drogen; want ik ben zoo nat als een kat."

"Pieter Pietersz," zeide de Prins, toen de knaap hem wilde voorbijgaan,

"kom hedenmiddag om zes uur bij mij op het _Binnenhof_."

"Gij hier, Uwe Hoogheid!" riep Pieter en trad verschrikt een paar

stappen achteruit. "Vergeef mij, dat ik u zoo onbeleefd wilde

voorbijstuiven."

"Ga nu spoedig naar huis en onthoud wat ik je gezegd heb," hernam de

Prins. "Van middag om zes uur."

"Ik zal tegenwoordig zijn," antwoordde Pieter en stapte met groote

schreden naar den wal.

"Ga met hem mede, Karel," gebood de Prins, "en zeg aan je vader,

dat je broeder een medemensch gered heeft. Zorg, dat hij terstond

warme en droge kleeren aantrekt."

Dien namiddag ten zes uren trad Pieter bij den Prins binnen. Deze

was blijkbaar afgemat van de inspanning van dien morgen; hij zat

in een grooten leuningstoel en aan zijn bleek en lusteloos gelaat

was het duidelijk te zien, dat in hem de wil sterker was dan het

lichaam.--Niemand zou in dien matten, lusteloos daar neergevlijden

knaap den sierlijken, vluggen, ja fieren schaatsenrijder herkend

hebben.

Toen Pieter werd aangediend, zat de Baron van Freisheim aan de tafel

en las den Prins iets voor.

"Nu zal Uwe Hoogheid zich weer vermoeien," zeide deze. "Laat den

knaap morgen of overmorgen terugkomen."

De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering · 第 5 / 15 段