Dat laatste denkbeeld had zijn oorsprong niet alleen aan den

voortsnellenden tijd, maar ook aan de ledige maag van onzen

Pieter. Want ondanks de pijn, die hij had, begon hem thans de honger

te kwellen en dat was voor een knaap op zijne jaren niet het minst

van de zaak. 't Was dan ook een treurig vooruitzicht voor hem. Eerst

had hij nog hoop, dat zijne vrienden wel even bij den smid zouden

zijn aangeloopen en deze hem zou komen verlossen, maar toen het één,

twee uur werd en de klok voor de middagkerk de laatste maal luidde,

begon hem ook die hoop te begeven. Hij schold op zijne makkers, die

hem dus in het gevaar lieten; hij begreep niet, dat Frans en Jan,

thuis gekomen zijnde, van niets durfden reppen om zelf geen straf

te beloopen; hij wist niet, dat de eerste na den maaltijd, met zijn

vader naar _Hondsholredijk_ was gewandeld om eenige reparatiën op

te nemen die aan het huis van Prinses Amalia aldaar noodig waren;

ook kwam het volstrekt niet bij hem op, dat én de een én de ander

zich overtuigd hielden, dat de voet van hun makker wel hersteld zou

zijn en hij zelf gezond en wel thuis zou zitten. Intusschen verliep

de tijd, en--al duurde die onzen Pieter eerst heel lang--naarmate het

later werd, begon die hem korter te vallen; want nu kwam er een ander

gevoel bij hem op, dat van angst. Hij lag toch in een vreemden tuin,

in dien van den smid Joris Gerritsz, en hij wist van zijn broeder

Evert, die zooals wij weten bij genoemden smid werkte, dat Gerritsz

een driftig man was. Hoe, als die hem daar vond, dan kon hij hem wel

doodslaan! Of hij kon hem voor een dief en inbreker houden, en hem

overleveren in handen van het gerecht. Welk een schande! Als hij eens

door schout en dienders gehaald werd! Nooit zou hij dan in _Den Haag_

zijne oogen weer durven opslaan. Hij hoopte maar, dat de Balkenendes

eerder zouden komen; dan konden die hem over de schutting helpen of

bij baas Gerritsz zijne voorspraak zijn.

Intusschen was men bij den pruikenmaker ook niet weinig in

ongerustheid. Toen de kerk uit was en allen thuis waren, keek baas

Dirksz verwonderd op, dat Pieter nog niet thuis was.

"Hij zal, uit de kerk komende, andere jongens ontmoet hebben," zeide

Marie, "en met hen wat aan het omloopen zijn." Maar toen hij tegen

etenstijd nog niet thuis was, begon men zich ongerust over hem te

maken. Intusschen werd de maaltijd opgebracht, de familie at, de tafel

werd afgenomen en men ging naar de middagkerk. Vader Dirksz echter

bleef thuis, om den uitblijver te ontvangen en beloofde hem reeds in

stilte een duchtig pak, dat hem die malle kuren zou afleeren. Maar

hoe hij wachtte, onze Pieter kwam niet, en toen de huisgenooten uit de

middagkerk terugkwamen en hij op hunne eerste vraag: "Is Pieter al te

recht?" ontkennend moest antwoorden, toen besloot men maatregelen te

nemen en desnoods de hulp van het gerecht in te roepen; want Pieter

moest een ongeluk hebben gekregen; anders zou hij wel thuis zijn.

"Loop eens even naar baas Balkenende, Jacob!" zeide de pruikenmaker

tot zijn tweeden zoon. "'t Is jammer, dat Evert niet thuis is, anders

kon die naar Jan IJzer gaan."

"O, daar zal ik wel heenloopen," zeide Martha.

"Goed. En vraag dan maar bij Balkenende, of Frans ook iets van onzen

Pieter weet. Vraag om Frans zelf te spreken, de baas heeft er niet

mee noodig," zeide Marie.

Jacob vond de geheele familie Balkenende uit. "De baas is met Frans

naar _Hondsholredijk_," had de meid gezegd, "en de vrouw is met

de kinderen naar den _Scheveningschen_ weg." Wat echter Pieter

aangaat, zooveel kon zij verzekeren, dat hij daar niet aan huis

was geweest. Martha's nasporingen hadden geen beter gevolg gehad,

en er schoot dus geen ander middel over, dan naar den schout te gaan

en den sterken arm van het gerecht in te roepen ter opsporing van

den vermiste.

"Als de jongen geen ongeluk heeft gekregen, dat hem belet thuis te

komen, zal ik hem ranselen, dat er de lappen bijhangen!" zeide de

pruikenmaker. "Ons zoo in ongerustheid te laten zitten. Foei! 't

is schande!"

"Er moet hem zeker wat overkomen zijn, vader!" meende Martha. "Pieter

past anders trouw op zijn tijd."

"Dat is wel waar, Martha," antwoordde vader Dirksz. "Maar dan moest

hij het vandaag ook gedaan hebben. Geef mij mijn rok, Marie! ik ga

naar den schout."

"Ik zou daarmee nog wat wachten, vader!" zeide Marie. "Misschien komt

hij wel spoedig thuis. Wat behoeft gij het gerecht er in te roepen?"

De pruikenmaker besloot dus nog een paar uren te wachten. Was Pieter

na dien tijd niet terecht, dan zou hij zich niet laten weerhouden. Dan

moest de knaap maar een dag of wat op water en brood zitten; dat zou

hem leeren op een anderen tijd beter op te passen.

Keeren wij tot onzen gevangene terug.

Het scheen, dat het uittrekken van zijn schoen hem weinig gebaat had;

veelmeer waren pijn en zwelling sedert vermeerderd, Ja, hij leed

ondraaglijke weerpijn in zijn knie en begreep dus niet dan al te wel,

dat zijn eenige redmiddel zou zijn: de komst van den smid met zijne

familie. Want als Balkenende kwam, zou hij het slot van zijn optrekje

verdraaid vinden, en, daar het Zondag was, zou er geen smid zijn,

die de deur openstak. De Balkenendes zouden dus ongetroost naar huis

kunnen terugkeeren.

Nu begon een andere vrees zich van hem meester te maken, hoe, indien de

smid eens niet naar buiten kwam en hij dus veroordeeld was, den nacht,

den kouden Meinacht daar alleen door te brengen. Dat denkbeeld greep

hem met geweld aan en folterde hem zoodanig, dat hij reeds begon te

wenschen, wat hij een paar uur geleden zoo bang had te gemoet gezien.

"Och!" zeide hij in zich zelf, "de smid zou mij wel niet doodslaan

en niet aan het gerecht overleveren, als hij mij voor den zoon van

Pieter Dirksz herkent. Ik wou, dat hij maar kwam, dan kon hij mij

naar huis laten brengen, en dan kon Marie mijn voet verbinden, want

ik lijd verschrikkelijk pijn."

Om echter niet terstond door baas Gerritsz bemerkt te worden, sleepte

hij zich voort tot achter een bloeiende jasmijn, die hem kon verbergen

voor ieder, die den tuin binnentrad. Als dan vrouw Gerritsz of een

der kinderen in den tuin kwam, kon hij ze aanroepen en die zouden

bij hunnen vader wel voor hem spreken. Kwam echter Gerritsz zelf,

dan kon hij zich stil verborgen houden, tot de gelegenheid om zich

te ontdekken gunstig was.

Het zal ongeveer halfvijf zijn geweest, toen hij in het huis naast zich

een buitengewone opschudding hoorde. Vrouw Balkenende was met hare

kinderen naar het optrekje gegaan; en daar het nachtslot alleen van

binnen verdraaid was, had zij de deur van buiten gemakkelijk kunnen

openkrijgen. Maar toen een harer dochters, die de tuindeur wilde

opendoen, de grendels daarvan vond afgeschoven, had zij de meening

geuit, dat er vreemd volk in huis was geweest om te stelen en dit had

grooten schrik onder de Balkenendes veroorzaakt, welke schrik eerst

verdwenen was, toen men alles op zijne plaats vond en niets vermiste.

Het duurde dus vrij lang, eer de familie in den tuin kwam, en Pieter

luisterde aandachtig, of hij de stem van Frans niet vernam. Maar hoe

hij luisterde, hij kon haar niet onderscheiden en hij kwam dus tot

het besluit, dat zijn vriend voor hetgeen dien morgen gebeurd was,

straf had. Doch hoe kon dan de familie zoo geschrikt zijn van het

afschuiven der grendels? 't Was hem onmogelijk, deze twee zaken in

behoorlijk verband te brengen, en terwijl hij daarover nog peinsde

en juist voornemens was, zijn stem te verheffen en om hulp te roepen,

verstomde hij eensklaps; want in de woning van den smid kwam ook leven

en hij kon er niet aan twijfelen, of het oogenblik zijner ontdekking

was nabij.

De tuindeur werd opengedaan, en hij hoorde de stem van baas

Gerritsz. Hij verborg zich zoo goed hij kon en kromp zooveel ineen

als de pijn hem toeliet, toen hij een stem den smid hoorde antwoorden,

eene stem die al zijn moed deed herleven en hem al zijne geestkracht

terugschonk. Het was namelijk die van zijn broeder Evert, die door zijn

patroon was uitgenoodigd, om den namiddag in zijn tuin door te brengen.

"Evert!" riep de arme Pieter, "kom mij te hulp."

Evert en zijn patroon waren zeer verschrikt over de stem, die daar zoo

onverwachts in den stillen onbewoonden tuin klonk. Spoedig herstelden

zij zich.

"Jij hier, Pieter?" riep Evert ontsteld en tevens verwonderd uit. "Je

hebt vader mooi in ongerustheid gebracht. Maar hoe kom je hier? Sta

op," vervolgde hij, zonder antwoord af te wachten, "en maak, dat je

naar huis komt. Ik denk, dat ze in doodelijke onrust over je zijn."

"Ik kan niet opstaan, Evert!" antwoordde Pieter. "Ik heb mijn voet

verstuikt, misschien wel gebroken."

"Nog fraaier! Wat me die jongens toch uitrichten!" zeide baas Gerritsz

hoofdschuddend. "Maar zeg eens, knaap! Wat doe je in mijn tuin? Als

het in den appel- en perentijd was, zou ik zeggen, dat je fruit hadt

willen stelen. Die is er niet. Wat moest je dan hier uitrichten?"

"Ach, baas Gerritsz, ik zal het u vertellen," zeide Pieter, en hij

gaf een trouw verslag van het gebeurde.

"Het is je geluk, dat je broer Evert je het eerst vond, mannetje! Was

hij er niet bij geweest en ik had je ontdekt, dan had je kans gehad,

dat ik je armen en beenen aan stukken had geslagen. Want ik ben niet

gemakkelijk, als ik begin, niet waar, Evert!"

"Om den drommel niet, baas!" bevestigde deze. "Maar wat zullen we

met den ondeugenden knaap doen?"

"Ja," hernam baas Gerritsz, bedenkelijk om onzen Pieter nog wat schrik

aan te jagen. "Hij is op mijn erf gekomen, zonder mijn verlof; dat

staat gelijk met inbraak. Ik vind het best, dat wij hem met schout

en dienders laten halen. Het zal een voorbeeld zijn voor anderen."

"Ach, baas Gerritsz!" smeekte Pieter. "Dat zult gij toch niet

doen. Denk eens, welk een schande voor vader en voor mij!"

"Schande!" riep baas Gerritsz uit, terwijl hij zich heel boos

hield. "Wat! schande? schande is het, als iemand over schuttingen

klimt om op eens anders eigendom te komen. Dus geen genade voor

jou. Ik laat je door schout en dienders de deur uithalen."

"Hij zal het wel nooit weer doen, Joris!" bracht thans vrouw Gerritsz

in het midden, die er met hare kinderen was bijgekomen. "Gij moest

het dus nu maar eens door de vingers zien."

"Eilacy! dan zou hij er te gemakkelijk afkomen," hernam baas

Gerritsz. "Maar wie waarborgt mij, vrouw, dat de jongen, eenmaal den

weg wetende, in den perentijd niet komt overklimmen, om mijn fruit

te stelen?"

"Hij heeft een goede les gehad," gaf de vrouw ten antwoord, "die hij

zijn leven lang niet zal vergeten."

"Nooit--zoo oud als ik word," kermde Pieter. "Gij kunt er van verzekerd

zijn, baas Gerritsz dat ik mijn buik vol heb van het klimmen over

schuttingen."

"Nu, dan zal ik het voor ditmaal maar als niet gedaan rekenen, Pieter,"

zeide de baas. "Kom, Evert, wij zullen den knaap opnemen en in huis

dragen. Dan ga jij naar je vader en vertelt hem, dat zijn galgestrop

van een zoon hier is. Zoo is de goede man uit de ongerustheid en kan

maatregelen nemen om hem te laten halen. Intusschen zal mijne vrouw wel

eens naar den voet zien, die duchtig gezwollen schijnt, en den knaap

wat eten geven; want hij zal wel honger hebben ook. Kom aan, Evert!"

Maar dat opnemen ging zoo gemakkelijk niet; want toen Evert even aan

den beleedigden voet raakte, gilde Pieter het uit van de pijn. Baas

Gerritsz nam hem dus alleen op, terwijl Evert het gekwetste deel

ondersteunde, en zoo brachten zij Pieter in huis, waar vrouw Gerritsz

naar den voet keek, die ontzaglijk gezwollen en vreeslijk pijnlijk

was; terwijl Evert naar de _Spuistraat_ ging en zijne familie uit de

ongerustheid over het lot van den knaap verloste.

Tegen het vallen van den avond brachten Jacob en Evert hem met eene

burrie naar huis. De barbier (chirurgijn) dien men haalde, onderzocht

den voet en zeide, dat er wel niets gebroken was, maar dat de zaak door

te lang uitstellen van geneeskundige hulp, zoodanig verergerd was,

dat Pieter ten minste drie weken lang met het been in een kussen zou

moeten zitten. Al het voorgestelde kermisvermaak was nu verijdeld;

hij zou den reus niet zien, die de Voorpoort van den Hove niet in kon,

den "vuurvreter" zou hij niet aanschouwen, noch het muziek onder water

hooren van den Amsterdamschen wonderman. En nog mocht hij van geluk

spreken, dat zijn vader de zaak zoo liet afloopen. Deze oordeelde, dat

de knaap genoeg gestraft was door de pijn en den angst, en begreep,

dat hij van nu aan een afkeer zou hebben van het verzuimen der kerk,

van het gaan naar plaatsen, die hij niet betreden mocht, en van

het overklimmen van schuttingen. En de goede man had gelijk. Dit

geval had een beslissenden invloed op Pieters heele leven en hem voor

altijd genezen van alle slinksche handelingen, welke het daglicht niet

mochten zien. Want als hij soms in de verleiding kwam om naar de eene

of andere verboden plaats te gaan, dan kwam hem de tuin van baas Joris

Gerritsz in de gedachten: hij wees den verzoeker terug en ging niet.

Mijne lezers zullen voorzeker wel nieuwsgierig zijn, te weten, hoe

het met de beide andere knapen afliep. Ik wil dienaangaande hunne

nieuwsgierigheid bevredigen.

Zoodra onze Pieter thuis was en zijn wedervaren in al zijne kleuren

verteld had, begaf vader Dirksz zich naar baas Balkenende, wien hij

de geheele historie mededeelde. De timmerman was juist met zijn

zoon van _Hondsholredijk_ thuis gekomen en, toen de pruikenmaker

geëindigd had, riep hij Frans, die hem alles bekende en Jan IJzer

noemde als dengeen, die hen beiden tot het verzuimen der kerk verleid

had. Balkenende bedankte Dirksz voor diens mededeeling en beloofde, de

zaak ten strengste te straffen. Toen dus Pieters vader vertrokken was,

kreeg onze Frans een duchtig pak slaag en mocht hij tot zijne straf

den geheelen tijd, dien de Hofkermis duurde, niet uit. Den volgenden

morgen kwam Jan, alsof er niets gebeurd was, op den winkel. Baas

Balkenende wachtte hem reeds op, onderhield hem scherp over zijn

gedrag en joeg hem weg. En of Jans vader al bij den timmermansbaas

kwam, om zijne toegevendheid voor zijn zoon in te roepen--de baas

wilde van niets hooren en den knaap niet terugnemen.

"Die lage, gemeene klikkert!" had Jan gezegd, toen hij hoorde, dat

zijns vaders gang te vergeefs was geweest, en deze hem ongemakkelijk

had afgeranseld. "Die ellendige pruikenmakersjongen! Maar ik zal het

hem betaald zetten."

Daar Jan geen lust meer in het timmeren had, maar het goudsmeden

verkoos te leeren, deed zijn vader hem bij baas Hendrik Verhoef op

de _Vogelenmarkt_.

ZESDE HOOFDSTUK.

Hoe een slimme Raadpensionaris een nog slimmeren Prins niet kan

doorgronden.

Wanneer gij ooit den weg van het dorp _Wateringen_ naar _Naaldwijk_

hebt gewandeld, dan kan het wel niet anders, of gij hebt in het

bevallige _Hondsholredijk_ (gewoonlijk _Honselaarsdijk_ genoemd)

eenige oogenblikken uitgerust, om nieuwe krachten te verzamelen,

en u in de daar staande uitspanning met een glas melk of bier te

verkwikken. Als gij daar dan gezeten waart en uwe blikken rondom u liet

gaan, dan moet uw oog als van zelf zijn gevallen op een oude poort,

die daar zoo alleen staat en zich zoo deftig verheft, dat gij op het

denkbeeld kwaamt, of zij niet tot andere gebouwen heeft behoord en,

wanneer gij de statigheid en den omvang van dit overblijfsel van

vroegere jaren in aanmerking naamt, dan kwaamt gij onwillekeurig tot

het besluit, dat hier waarschijnlijk een kasteel of zoo iets moet

gestaan hebben. De ruïne, die zich achter de poort bevindt, doch welke

gij van buiten af niet kunt zien, zou u in het denkbeeld versterken.

En gij hebt goed gedacht mijne vrienden! Die poort strekte eens tot

ingang van een oud en sterk kasteel, toebehoorende aan de heeren van

Naaldwijk, welke hier hun verblijf plachten te houden. Menig ridder,

die uit den bloedigen kamp huiswaarts keerde, reed onder die poort

door, gezeten op zijn vurig genet, dat hem onverschrokken door het

slaggewoel had heengeleid; menige schuchtere jonkvrouw was aan de

hand haars bruidegoms dien gewelfden boog doorgetreden, omringd

van vrienden en magen, van pages en schildknapen, van bruidjonkers

en juffers, om in de kapel, die daar ginder stond, waar gij nu

die boomen hunne toppen ziet verheffen, den band des huwelijks te

sluiten.--Maar die dagen van grootheid en luister gingen voorbij;

de roode leeuw van de erfmaarschalken en opperstalmeesters van

de graven van _Holland_ verbleekte; het geslacht der Naaldwijken

stierf uit, en door huwelijk kwam het kasteel te _Hondsholredijk_

aan de graven van Aremberg. Gij herinnert u, hoe een van dezen in den

tachtigjarigen oorlog de zijde van _Spanje_ hield; het gevolg daarvan

was verbeurdverklaring zijner goederen en onder deze ook het kasteel

te _Hondsholredijk_. Den 13den Juli 1589 gaven de Staten van _Holland_,

nu de rechtmatige bezitters van de heerlijkheid, het kasteel met zijne

aanhoorigheden ten geschenke aan Prins Maurits. Maar het gebouw was

oud en vervallen, en toen genoemde Prins bij zijn overlijden in 1625

door zijn jongeren broeder Prins Frederik Hendrik werd opgevolgd en

deze in het bezit van het slot kwam, scheen de luister van het aloude

huis te _Hondsholredijk_ te herleven. Laatstgenoemde toch liet het

vervallen slot geheel en al afbreken en op de vorige grondslagen een

vorstelijk paleis bouwen. Ook dit paleis heeft den tand des tijds niet

kunnen weerstaan: er is thans weinig meer van over dan de grijze poort,

die daar zoo eenzaam en verlaten staat.

Wij willen ons in het begin der maand Juli van het jaar 1661 naar

genoemd huis begeven. Wij gaan dan de groote poort door en bevinden

ons voor een statige ophaalbrug, die over de breede grachten, welke

het paleis omringen, den toegang tot het gebouw verleent. Prachtig

hangen over die gracht de vier uitstekende paviljoenen, in den vorm

van torens aan de hoeken van het paleis uitgebouwd, van welke er

twee het uitzicht hebben op de heerlijke lanen van het park. Maar wij

gaan voort naar den ingang, die zich in het midden van den voorgevel

bevindt. Ziet eens, welke schoone, levensgroote beelden daar aan

weerskanten van dien ingang staan. Wij gaan eenige trappen op,

onder een balkon, dat op zes pilaren rust, en komen zoo op de ruime

vierkante plaats, met gaanderijen omringd, en op welke een gedeelte van

de menigvuldige, deftig gebouwde en keurig versierde en gemeubelde

vertrekken uitziet. Maar ik zie het u wel aan; al die pracht en

grootheid halen voor u niet bij den luister der natuur; gij hebt van

het park gehoord en wilt u derwaarts begeven. Welnu, dan keeren wij

langs den zelfden weg terug, slaan, zonder de voorpoort door te gaan,

links af en komen in het heerlijk aangelegde park. Wij doorwandelen

de boomrijke lanen en staan van tijd tot tijd stil bij de openingen,

hier en daar in het hout gelaten en die ons de schoonste vergezichten

opleveren. Op verscheidene van deze plaatsen zijn steenen zitbanken

geplaatst; wij zullen er echter op dit oogenblik geen gebruik van

maken--wij mochten er te lang zitten droomen.

Hoor! wat was dat?--Zijn wij hier in _Natura Artis Magistra_ te

_Amsterdam_ of in de Diergaarde der _Rottestad_?--Ho, wat, mijne

lezers! die waren er ruim tweehonderd jaren geleden nog niet; want

herinnert u, dat onze wandeling in de 17de en niet in de 20ste eeuw

plaats heeft. "Maar," zegt gij "Ik hoorde toch duidelijk het brullen

van een leeuw!"--Gij hebt goed gehoord; wij zijn hier dicht bij de

diergaarde. Slaan wij slechts dit slingerlaantje in,--zoo, daar zijn

wij er.

Leeuwen en tijgers, panters en luipaards, beeren en hyena's, kortom, al

wat gij in een menagerie kunt verwachten, vindt gij hier in prachtige

hokken en achter stevige ijzeren traliën opgesloten.

Wij zien echter op het oogenblik niet naar die dieren, maar liever

naar de beide personen, die daar zoo deftig in de diergaarde

voortwandelen en in druk gesprek schijnen gewikkeld. Ofschoon het

niet heel fatsoenlijk is, willen wij ons achter hen begeven en hunne

gesprekken afluisteren; eerst wil ik u een beschrijving van hen geven.

De jongste (en ik begin bij hem, omdat hij een oude kennis van

ons is) is niemand anders dan Prins Willem Hendrik, die gedurende

den vacantietijd in _Leiden_ bij zijne grootmoeder Amalia van Solms

logeert; want bij testament haars gemaals, heeft zij _Hondsholredijk_

als haar bijzonder eigendom verkregen. Hij is nu ongeveer een jaar

ouder dan toen wij voor het eerst kennis met hem maakten en een heel

stuk gegroeid; echter nog even mager, zoo niet nog magerder, nog even

bleek, misschien nog bleeker door het rouwkleed, dat hij aanheeft,

het rouwkleed over zijne moeder, die nu reeds een half jaar naast haren

broeder in den somberen grafkelder der koningen van Engeland rust.

De persoon, die naast den Prins daarheen wandelt, en wiens

eenvoudige kleeding ons zou doen vermoeden, dat hij tot den

burgerstand behoort, trekt onze opmerkzaamheid door de uitdrukking

van geest en schranderheid, die op zijn langwerpig, beenig gelaat

staat uitgedrukt. De doordringende oogen, door zware wenkbrauwen

overschaduwd, het hooge breedgewelfde voorhoofd, de sterk gebogen

neus en de met een klein snorretje begroeide bovenlip geven aan dat

gelaat iets van dat bijzondere, dat men alleen bij groote vernuften

aantreft. Een grijze vilten hoed, welks eene zijde is opgerold en

met een grijs zijden koord van twee vingers dik wordt vastgehouden,

dekt het hoofd, volgens de mode van dien tijd versierd met een lange,

blonde allongepruik, die tot op de schouders nederhangt. Een breede,

dubbele bef hangt over den langen, grijzen rok (wij zouden dien jas

noemen) die van voren met koord gegarneerd en geheel toegeknoopt

is en tot even boven de knieën reikt. Om den linkerschouder is

een zijden sjerp geslagen van de kleuren der Statenvlag, en die in

de linkerzijde in een strik eindigt, waar ook de degen hangt, dat

onmisbare bij den man van den deftigen stand. De korte broek, van

dezelfde kleur en stoffage als de rok, is even beneden de knieën met

strikken vastgehecht; ook op de schoenen zijn groote strikken. Hij

houdt een langen wandelstok met gouden knop in de hand, en alleen

dit artikel van weelde, de sjerp en de fluweelen mantel, die hem over

den schouder hangt, doen in hem iets meer vermoeden dan zijn anders

eenvoudige kleeding te kennen geeft. En geen wonder; want de man,

die daar met den Prins in zulk een druk gesprek schijnt gewikkeld,

is niemand anders dan de eerste persoon in het geheele land, de man,

die aan de vorsten van _Europa_ zijn wil en zijne wetten voorschrijft,

een der grootste staatsmannen van zijn tijd, is de Raadpensionaris

Johan De Witt, van wien ik reeds in mijn vorige werkje [14] gesproken

heb. Om zijne buitengewone bekwaamheden en zijne uitstekende diensten,

hadden de Staten-Generaal, toen in Juli 1658 de vijf jaren, tot de

bekleeding van zijn ambt vastgesteld, verstreken waren, hem daarin

weder voor vijf jaren bevestigd. En zeker was De Witt de man,

die al zijne krachten, al zijnen tijd, al de vermogens van zijn

geest wijdde aan het heil van den Staat. Altoos jammer is het van

den onsterfelijken, helderzienden en doorslepen diplomaat, dat hij

één vast denkbeeld met zich omdroeg, dat vele zijner handelingen

bestuurde en hem wel eens tot verkeerde maatregelen aandreef: "Geene

verheffing van het huis van _Oranje_, nooit zal Prins Willem Hendrik

de waardigheden zijner voorouderen bekleeden."

In het staatkundige zien wij hier dus twee vijanden wandelen (want

dat de Prins Johan De Witt als zoodanig kende, ook op zoo jeugdigen

leeftijd, lijdt geen twijfel), twee vijanden, van welke de een een

doorslepen en doorkneed staatsman is van zes en dertig jaren--de andere

een zwakke, ziekelijke knaap van nog geen elf. Daarenboven moet ik u

zeggen, dat het doel van De Witts komst op het huis te _Hondsholredijk_

schijnbaar ten doel had, om de Prinses-weduwe over ettelijke belangen

te spreken; het eigenlijke oogmerk was, den jeugdigen Prins uit te

hooren over brieven, door hem uit _Engeland_ ontvangen, en wier

inhoud de Raadpensionaris gaarne wilde weten. Ik meen genoeg te

hebben gezegd, om u belang te doen stellen in het gesprek der beide

wandelende personen. Ik herinner u daarbij, dat men den Prins wenschte

af te trekken van de Engelsche partij, en moet u tevens mededeelen,

dat Zuijlestein in verdenking stond van die partij te ondersteunen.

"Zooals ik uwer Hoogheid zeide," ging De Witt voort; want gij

herinnert u, dat wij hen midden in hun gesprek beluisteren, "zooals

ik uwer Hoogheid zeide, ik heb Professor Borneus gesproken, en zijn

hooggeleerde is zeer content over uwe progressen."

"Ik ben den hoogleeraar wel geobligeerd voor zijne goede opinie te

mijnen aanzien en wenschte zeer, even content over mij zelf te zijn

als hij het is."

"Uwe Hoogheid is zeer nederig," hernam de Raadpensionaris glimlachend.

"Ik ben ook Uwer Edelheid dankbaar voor de goede opinie, die zij van

mij koestert en ik wensch niets liever, dan mijn best te doen om aan

de verwachtingen, die Uwe Edelheid en de heeren Staten van mij voeden,

in allen deele te beantwoorden."

"Hoe gaat het tegenwoordig met de arithmetica?" hernam De Witt. "Begint

Uwe Hoogheid daarin wat meer smaak te krijgen?"

"Ach mijnheer de Raadpensionaris! Uwe Edelheid weet niet hoezeer

mijn arm hoofd verzwakt van die pijnen, welke het zoo gedurig

tourmenteeren. Zij beletten mij te denken en zonder denken kan men

toch niet rekenen."

"In trouwe niet," antwoordde De Witt, die als een der eerste rekenaars

van zijn tijd bekend stond en wien men wel eens ten laste gelegd heeft,

dat hij de wiskunde ook op het staatkundige toepaste. "De wiskunst

eischt onze geheele ziel, ons gansche verstand. Maar Uwe Hoogheid

moet hare aversie tegen die wetenschap trachten te surmonteeren. De

arithmetica is tot alle dingen noodwendig."

"Ik zal mijn best doen, om de les Uwer Edelheid in praktijk te

brengen," hernam de Prins, altijd even stroef en deftig.

"Uwer Hoogheids verzekering is mij genoeg," hernam de Raadpensionaris,

en van batterij veranderende, ging hij voort:

De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering · 第 4 / 15 段