"Dat zullen wij zien!" riep Pieter haar na, kleedde zich uit en

ging met een bezwaard hart naar bed. Waar hij van droomde?--Zeker

van schepen en masten, van zeilen en touwwerk,--dat kunt gij

begrijpen. Maar hij ondervond, bij zijn ontwaken, dat droomen bedrog

is; want toen hij wakker werd, stond hem de naakte werkelijkheid weer

voor de oogen, en het klonk hem weer in de ooren zooals gisteravond:

"Mijn Pieter een zeeman! dat zal nooit gebeuren! neen, nooit!"

VIERDE HOOFDSTUK.

Welke plannen drie krullenjongens voor de kermis maakten.

Het was op denzelfden Maandag, 5 Januari 1661, den sterfdag van Prinses

Maria van _Engeland_, dat Pieter Dirksz tegen acht uren in den morgen

met zijn zoon Pieter den pruikenmakerswinkel uittrad, links omsloeg,

de _Spuistraat_ doorwandelde tot aan de _Kapelsbrug_, en toen, langs

het _Spui_, de Nieuwe Kerk voorbij, naar de _Bierkade_ ging, op welke

gracht zij stil hielden voor het huis, waar wij tien jaren vroeger den

vroolijken trompetter der Oranjegarde, den ons bekenden Jan Claeszen

ontmoetten [10]: het huis van den timmermansbaas Balkenende. Onze

knaap droeg onder zijn arm een mand met eenig timmermansgereedschap,

bestaande uit een hamer, een nijptang, een bijl, twee beitels,

een schaaf en drie boren, en bedekt met een lederen schootsvel. Gij

begrijpt licht, wat het doel van die wandeling was: de pruikenmaker

had zijn zoon bij baas Balkenende als krullenjongen besteld, en de

baas, die het wel nog niet druk had, maar liever in den slappen tijd

met hem begon, opdat hij dan later eenigen dienst van hem kon hebben,

had hem gezegd, dat Pieter maar terstond na Nieuwjaar moest komen. Nu

had oom Klaas, die juist de Kerstdagen en den Oudejaarsavond bij zijn

broeder doorbracht, zich wel verzet tegen dat beginnen op Maandag,

daar hij volkomen deelde in het oud-Hollandsche bijgeloof, dat wat

men op Maandag begint, stellig mislukt; wel had hij een oud rijmpje

als bewijs bijgebracht:

"Maandag kloek,

De heele week zoek;"

maar vader Dirksz was in het geheel niet bijgeloovig en had om zijns

broeders vrees gelachen.

"Ik blijf er bij," had hij gezegd. "De jongen zal op Maandag naar

baas Balkenende. Wat drommel! Hij heeft nu reeds van Kerstmis af

leeggeloopen; het wordt tijd, dat hij aan het werk gaat."

En zoo sprekende, was vader Dirksz den vorigen Zaterdagavond naar

Thijs Groote, den ijzerkooper in het _Achterom_, gegaan en had hem

gevraagd, welk gereedschap een krullenjongen wel zoowat noodig had,

en toen had deze hem de door ons genoemde werktuigen verkocht, welke

onze Pieter in een mand gepakt en naar huis gebracht had; terwijl zij

bij den leerkooper in dezelfde straat een schootsvel gekocht hadden,

dat onzen knaap wel ietwat groot was, maar dat vader opzettelijk zóó

had genomen, "want," zeide hij, "je bent in je groei, Piet, en wordt

dus grooter, maar het schootsvel groeit niet. Dus, jongen! is het je

wat te lang, dan moet je het maar wat hooger binden." En toen hij te

huis kwam en Martha hem het schootsvel voorbond, toen zei de ondeugende

meid lachend, dat hij wel een kind in de lange kleeren geleek, waarover

Pieter eerst wel wat boos was. Toen Martha hem echter zijn bombazijnen

mouwvest gaf, dat zij zelf voor hem genaaid had, was zijn knorrigheid

over. En toen hij 's Maandags morgens met zijn mouwvest aan en zijn

mand onder den arm de deur uitstapte en Marie hem een dikke boterham

in een linnen zakje had meegegeven, opdat hij niet flauw zou vallen,

vond hij het toch zoo kwaad niet, om een goed ambacht te leeren, en

dacht op dat oogenblik niet aan de zee. En mocht hij er al aan denken,

dan zeide hij bij zich zelf: "het kan geen kwaad als ik wat timmeren

leer, dat kan mij op zee best te pas komen." Met moed stapte hij dus

de stoep van den timmermansbaas op, waar vader Dirksz aanklopte. Men

liet hen in het kantoortje, waar baas Balkenende spoedig bij hen kwam.

"Baas," begon de pruikenmaker. "Ik breng u hier mijn Pieter, van wien

ik u gesproken heb. Hij heeft zich voorgenomen goed op te passen en

zijn best te doen, om braaf te leeren en een knap timmerman te worden."

"Dat is een goed plan, knaap!" zeide de timmermansbaas. "Hoe heet je?"

"Pieter," antwoordde de aangesprokene.

"Nu, Pieter!" hervatte de timmerman, terwijl hij hem een eind lat

liet zien, dat hij in de hand hield en waarop hij met potlood de maat

aanteekende. "Wanneer je goed wilt oppassen, dan zal ik met Gods hulp,

een knap timmerman van je maken. Maar pas je niet op, dan zullen

je ribben kennis maken met dit eindje lat. Want je kent het oude

spreekwoord: die niet hooren wil, moet voelen. En dat spreekwoord

wordt bij ons in practijk gebracht."

Pieter knikte toestemmend, ofschoon hem dat latje toch een doorn in het

oog was. Nadat zijn vader afscheid had genomen, bracht baas Balkenende

hem in den winkel, waar hij den knaap aan den meesterknecht aanbeval

en waar spoedig de andere knechts te werk kwamen. Er waren, behalve

Pieter, nog twee krullenjongens: de een was een zoontje van den baas

en heette Frans; de andere, een rechte deugniet, was een jongen van

den oudroest Jan IJzer uit het korte _Achterom_ en heette, evenals

zijn vader, Jan. Het duurde niet lang, of onze drie krullenjongens

waren dikke vrienden.

De bezigheden van onzen Pieter bestonden nu in het vasthouden van

planken of latten, het aangeven van gereedschap, het slijpen der

beitels, het scherpen der zagen, en al zulke zaken; terwijl elken

avond door de drie knapen de winkel werd opgeredderd, en de krullen

en spaanders in een zak werden gepakt. 's Maandags en Donderdags waren

zij voor Frans, Dinsdags en Vrijdags voor Jan en de beide andere dagen

voor Pieter; zij verkochten ze bij den bakker om den hoek. Zondags

werd er nooit gewerkt; want onze voorouders waren zeer gesteld op

de viering van den Zondag, en zouden het een groote, onvergeeflijke

zonde hebben gerekend, als zij op dien dag hadden gearbeid. Hij

werd dan ook beter gevierd dan thans. Alle winkels waren gesloten,

alle nering en hanteering stonden stil en niemand zou, buiten hooge

noodzakelijkheid, op Zondag gereisd hebben. Alleen 's zomers na

de middagkerk gingen de burgerlieden wat in het _Bosch_ wandelen

of naar _Scheveningen_; terwijl de meergegoeden in hunne optrekjes

even buiten de stad, aan de _Delftsche vaart_, aan de buitensingels

en aan den duinkant gelegen, met hunne familie thee gingen drinken,

waar zij dikwijls hunne vrienden bij zich verzochten en den avond

aangenaam en in gezelligen kout doorbrachten.

Ook baas Balkenende had zulk een mooi optrekje in eigendom en wel

aan den _Scheveningschen_ weg [11], die toen nog over de duinen

liep en later, volgens het plan door Constantijn Huijgens reeds in

1653 aan de hand gedaan, tot eene begaan- en berijdbare straat werd

ingericht. Eerst in Mei 1664 werd daarmede een begin gemaakt en in

December van het volgende jaar was de weg voltooid. Het gedeelte

echter, waar het optrekje van baas Balkenende stond, was reeds

een gebaande weg. Dat optrekje had aan den voorkant een aangenaam

uitzicht op den weg en het weiland daar tegenover (tegenwoordig

het _Willemspark_), en van achteren in den ruimen tuin, die van

voren met bloemen beplant was en achteraan uit een grooten boomgaard

bestond. Door een smalle sloot was die moestuin van het aangrenzende

weiland gescheiden.

Wij slaan vier maanden over en begeven ons in het begin van de maand

Mei naar het _Lange Voorhout_, waar wij de knechts van baas Balkenende

druk bezig vinden met het opslaan der kramen, die op de aanstaande

Hofkermis zullen prijken met al wat den kooplust der bezoekers kan

opwekken. Pieter, Frans en Jan hebben het niet weinig druk met het

aansjouwen der planken, het vasthouden der stijlen, ja zelfs ook met

spijkeren; want bij zulk een drukte moet alles helpen; terwijl het

opslaan van kramen zulk fijn werk niet is, dat de minder geoefende

hand van een krullenjongen daaraan iets bederven zou. Ook heeft onze

Pieter in die vier maanden reeds het een en ander van de timmerkunst

geleerd.--Wat ziet hij nu trotsch neer op die jongens, waaronder zijne

vroegere kameraads, als zij daar naloopertje spelen over de hoopen

met planken, of wegstoppertje in de reeds opgetimmerde kramen. Dat

had hij verleden jaar ook gedaan; maar nu--nu staat hij daar in zijn

bombazijnen mouwvest, het schootsvel voorgebonden, met den hamer in de

hand en slaat er de spijkers tusschenbeide zoo hard in, als moesten

de kramen nog tot de Banus-kermis [12] staan,--ja als behoefden zij

nimmer weder afgebroken te worden. Dat haalt hem dan ook nog al eens

knorren op den hals van den knecht, dien hij helpt, en dan gaat het

weer eenigen tijd beter. Maar als dan weer een troepje jongens naar

hem staat te kijken met een gezicht, zoo verbaasd en nieuwsgierig,

alsof zij nog nooit het opslaan van kramen hebben gezien, dan ranselt

hij er weer op los, dat soms het vuur uit de arme spijkers vliegt,

en dan kijkt hij met zulk een trotschen blik rond, alsof hij een

Romeinsch Imperator was, die op zijne zegekar stond.

't Is schafttijd, maar niemand der knechts gaat naar huis; ook de

krullenjongens niet. Ieder heeft een boterham meegebracht, die hij op

karwei (de plaats waar een ambachtsman, buiten den winkel, zijn werk

verricht) opeet. Het is te druk om met heen en weer loopen tijd te

verzuimen, en daarom blijven zij hun schafttijd doorwerken, waarvoor

zij natuurlijk door baas Balkenende extra betaald worden. Maar zij

kunnen slecht al timmerende en sjouwende hunne boterhammen opeten en

dus nemen zij daarvoor een kwartiertje, zetten zich in een groepje

op de planken neder en veraangenamen den maaltijd met vroolijke

gesprekken.

Gaarne hadden onze krullenjongens zich bij de knechts geschaard; maar

deze zouden dat niet gedoogd hebben, en al hadden zij het toegestaan,

dan zouden onze knapen zeker zóó geplaagd zijn, dat zij niet met rust

hadden kunnen eten. Zij hebben zich dus op een kleinen afstand van

de anderen neergezet.

"Frans," begint Pieter, terwijl hij zijn geruit boterhammenzakje

opendoet om er den mondkost uit te halen en zijn kruikje met bier

naast zich nederzet, "ik hoor, dat het van het jaar een mooie hofkermis

zal zijn."

"Ik heb het ook gehoord," antwoordt Frans met zijn mond vol

brood. "Daar zal nog al wat singuliers te kijken zijn. Ik hoorde

gisteren spreken van een reus, die zal moeten bukken als hij de

_Voorpoort_ [13] doorgaat."

"Nu, dat is vast een leugen," meent Jan. "Zulke groote reuzen heeft men

niet. Ik vind echter niet veel pleizier aan al die reuzen en dwergen

en dikken en mageren. Ik ga liever Woensdag dien kerel eens zien,

die uit _Amsterdam_ komt."

"O, die sinjeur die zulke wonderlijke zaken zal bedrijven?" vraagt

Frans. "Vader heeft mij verteld, dat hij in den _Vijver_ zal

onderduiken, op den bodem plaats zal nemen op een stoel en onder

water twee of drie deuntjes zal blazen."

"Maar dat is immers onmogelijk," zegt Pieter, terwijl hij een slok

neemt uit zijn kruik. "Dan komt het water in zijn instrument."

"Hij moet het toch te _Amsterdam_ gedaan hebben," herneemt Jan.

"En wat hij te _Amsterdam_ kan doen, kan hij hier ook," meent

Frans. "Ik ga ook eens kijken bij dien vuurvreter."

"Wat, iemand die vuur eet? Dat is onmogelijk," roept Pieter uit.

"En het moet toch zoo zijn," hervat Jan. "Mijn vader heeft het zelf

verleden jaar te _Rotterdam_ gezien."

"Nu ik wensch hem smakelijk eten," zegt Pieter, "maar ik wil niet bij

hem te gast genoodigd worden. Eilacy! 'k geloof, dat ik mijn mond

gauw vol blaren zou hebben. Ik ga toch eens naar hem toe; want dat

wil ik zien."

Nadat zij nog eenigen tijd over de kermis gepraat hadden, begon

Jan eensklaps:

"Frans! Wanneer gaan we nu eens met je mee naar het optrekje van je

vader? Je hebt het ons al zoo lang beloofd."

"Dat heb ik; maar ik ben nog niet in het bezit kunnen komen van den

sleutel. Nu komt die gauw voor den dag; want aanstaanden Zondag na

de middagkerk gaan wij er weer voor het eerst van het jaar naar toe."

"Hoor eens, Frans!" hernam Jan. "Dan moest je zien, dat je den sleutel

wegkaaptet, en dan gaan we er Zondagmorgen eens heen."

"Maar ik moet naar de kerk," zeide Frans.

"Ik ook," voegde Pieter er bij.

"Wat zou dat?" snoefde Jan. "Ik moet ook naar de kerk; doch daar zit ik

me toch maar te vervelen. Weet je, wat we moesten doen? In plaats van

naar de kerk te gaan, loopen we liever wat rond. Wij moesten nu maar

afspreken, dat we hier bij elkaar zullen komen. Die er het eerst is,

wacht op de beide anderen, en dan gaan we alle drie naar het optrekje,

als je ten minste den sleutel kunt machtig worden. Kun je dat niet,

dan gaan we wat in de duinen ravotten, en maken dat we op zijn tijd

weer t'huis zijn."

"En als vader dan vraagt, waarover de dominee gepreekt heeft?" vraagde

Pieter.

"Dan noem je maar een tekst, die tusschen Genesis en de Openbaring

staat," hervatte Jan.

Het ging echter nog zoo gemakkelijk niet, om Frans en Pieter over

te halen, en Jan had al zijne welsprekendheid noodig om hen er toe

te brengen. Eindelijk gelukte het hem en werd voorloopig de afspraak

vastgesteld, dat men het Zaterdagavond nog eens voor goed zou bepalen.

Wat onze Pieter den volgenden Zondag een haast had, om naar de

kerk te gaan! Vader had, vond hij, nog nooit zoo veel in den Bijbel

gelezen en het gebed had, volgens hem, nog nooit zoo vreeselijk lang

geduurd. Nauwelijks dan ook kon hij welstaanshalve zich verwijderen,

of hij zette zijn hoed op, groette vader en zuster en spoedde zich

de deur uit.

"Wat maak je een haast, Pieter," zeide Martha in het voorhuis tegen

hem. "'t Is of Joost je op de hielen zit."

"Ik wil graag een goede plaats krijgen," antwoordde Pieter. "Ik houd

er niet van, om zoo achteraf te zitten."

"Wacht dan even; dan ga ik mee," zeide het meisje. "Ik moet nog maar

even mijn huik opzetten."

Dat beviel Pieter niet.

"Haast je dan wat," gaf hij ten antwoord. "Ik ga al vast vooruit."

Dit zeggende, stond hij reeds op de stoep, sloeg de eerste de beste

dwarsstraat in, die hem naar het _Achterom_ voerde, en rende die

straat tot aan het _Hofpoortje_ door. Vervolgens begaf hij zich wat

bedaarder over het _Buitenhof_ en door de _Voorpoort_ van den _Hove_,

langs het _Tournooiveld_ naar het _Lange Voorhout_, waar hij stellig

dacht, zijne beide makkers reeds te zullen vinden. Hij bedroog zich

echter: hij was de eerste.

"Zouden zij hun woord niet houden?" mompelde hij. "Dat zou valsch

wezen. Zij hebben het mij toch zoo stellig beloofd."

Hij wandelde een paar malen de lengte der kraam op en neder, maar

noch Frans noch Jan verscheen.

"Als zij niet komen, dan ga ik maar naar de Kloosterkerk," pruttelde

hij weer. "Zoo kun je nu staat maken op je vrienden. Nu, ze zullen er

morgen voor lusten! Had ik het geweten, dan had ik zulk een haast

niet behoeven te maken. Maar wacht, daar komt er al een.--Zoo,

Jan!" vervolgde hij tot den aangekomene. "Ben je daar eindelijk,

en waar is Frans?"

"Eindelijk?" bromde Jan. "Kon ik dan ruiken, dat jij er zoo vroeg

zoudt wezen? Maar is Frans er nog niet?--Als hij niet gauw komt,

dan laten we hem in den steek. Die flauwerd! nu het op stuk van zaken

aankomt, schuurt hij zijn piek en zal ons laten zitten, om het gelag

te betalen. Maar geen nood! komt hij niet, dan gaan wij samen naar

de duinen. Daar zal ik wel kennissen vinden en anders spelen wij met

ons beiden."

"Met ons beiden? dat vind ik niet pleizierig. Ik houd het er voor,

zooals oom altijd zegt: dat de derde streng den kabel maakt."

"O, dat is een zeemansterm. Mijn vader zegt daarvoor: De derde

man brengt de pret aan. Maar zie--daar komt Frans. Hij houdt toch

woord.--Je bent lang weggebleven, Frans!" vervolgde hij tot den

aankomende. "Als je niet gauw gekomen waart, hadden we onze biezen

gepakt en waren alleen gegaan."

"Ik had het niet kunnen helpen. 't Heeft mij moeite genoeg gekost,

om den sleutel in handen te krijgen. Maar nu," terwijl hij dien

zegepralend in de hoogte hield, "nu heb ik hem; dus, jongens! op

marsch!"

Ons drietal koos een stille eenzame weg, om naar het optrekje te

komen. Hun geweten zeide hun, dat zij niet goed deden, en daarom

trachten zij zooveel mogelijk de kerkgangers te vermijden, onder

welke de een of ander kon zijn die hen mocht herkennen en het aan

hunne ouders brengen.

"Dan zou er wat opzitten," had Pieter gezegd. "Want vader is gansch

niet malsch, wanneer hij begint; en als hij er achter komt, kan ik

verzekerd zijn van een pak slaag, dat mij nog wel acht dagen lang

zeer doet."

"Nu, als de mijne begint, is hij ook niet gemakkelijk," hervatte

Frans. "Ik heb laatst eens een pak van hem gehad, waarvan ik nog

wel veertien dagen op zekere plaats de overblijfselen voelde; in het

begin had ik het wel willen uitschreeuwen als ik gingen zitten."

"Flauwerd!" zeide Jan. "Bang voor een pak ransel?--of denk je

dan, dat de mijne een lam is? Jongens neen? Maar ik waag het er

aan! Intusschen--gaan jelui maar zoet naar de kerk; ik ga naar de

duinen, waar ik wel van mijn soort zal vinden. En als ik dan terugkom,

dan kun jelui me de preek vertellen."

"Hoor eens, Jan?" hervatte Frans. "Een flauwerd moet je me niet

noemen. Dat ben ik nog nooit geweest. Maar dat ik niet van een pak

slaag houd, kun je me niet kwalijk nemen.

"Denk je dan dat ik er zoo op gesteld ben? Maar mijn leer is:

kermisgaan is wel een pak ransel waard! En daarom waag ik het er aan."

"Wie zegt je, dat wij het ook niet doen?" zeide Pieter, terwijl

hij het hoofd trotsch achterover in den nek wierp en Jan aanzag,

als wilde hij zeggen: "Wat verbeeldt gij u wel?"

"Eilacy! gaat dan mee. Laat ons dan niet langer marren. Wij verbeuzelen

zoodoende al onzen tijd."

En zoo waren ze alle drie op marsch gegaan. Aan het optrekje gekomen,

stak Frans den sleutel in de deur en traden onze drie knapen binnen.

Ik zal u niet mededeelen wat voor kattenkwaad zij daar uitvoerden;

pleizier hadden zij genoeg, want de tijd vloog hun om.

"Daar slaat de "Sint-Jacob" al elf," riep Pieter eensklaps uit. "Wij

moeten weg; anders komen wij telaat thuis."

"Het is zoo zondig waar!" bevestigde Jan, die de slagen geteld

had. "Ja, we moeten weg. Misschien kunnen wij dan nog even de

Kloosterkerk binnenloopen en den laatsten psalm meezingen. Dan geven

wij dien op bij gebrek aan een tekst."

Zoo gezegd, zoo gedaan. Ons drietal sloeg zich wat af (want de

zondagsche kleeren hadden er langs gekregen) en nadat het toilet zoo

goed mogelijk in orde was gebracht, gingen zij naar de voordeur om

die open te doen. Maar wat er van was, of Frans bij het toesluiten

het slot verdraaid had, hoe hij ook poogde de deur te openen, alles

te vergeefs. Evenmin konden het Pieter en Jan.

Daar stonden ze nu te kijken, alsof zij hun zondagsoortje versnoept

hadden. Er waren intusschen eenige minuten verloopen,--hun scheen

het een half uur (want als men haast heeft en in den angst zit,

schijnt elke sekonde ons een minuut te zijn).

"Nu is goede raad duur." begon Jan. "Zeg eens, Frans! kunnen wij de

schutting niet over?"

"Ja," antwoordde deze. "Maar dan komen wij in de sloot terecht die

het weiland omgeeft."

"Nu, dan over een der zijschuttingen."

"Dat is goed; dan moeten wij aan de rechterzijde over. Daar komen wij

bij den smid en die heeft een deurtje, waardoor men met een plank op

het land kan komen. Dat deurtje zal echter wel gesloten zijn."

"Geen nood!" hervatte Jan. "Dan klimmen wij zijne achterschutting er

bij over. Als wij maar gered zijn."

Zoo gezegd, zoo gedaan. Onze knapen gingen weer den tuin in, nadat

zij de tuindeur zoo goed mogelijk gesloten hadden; daar die echter

van binnen gegrendeld was, konden zij het slechts zeer onvolkomen doen

en moesten zij zich vergenoegen met die achter zich toe te trekken.

De schutting, over welke zij klimmen moesten, was van boven met

spijkers voorzien, die met de punten opwaarts stonden. Jan en Frans

waren reeds beneden in buurmans tuin en Pieter zoude hen juist volgen,

toen zijne zondagsche broek aan een der spijkers bleef hangen en tot

aan den band openscheurde. Door dit onverwachte oponthoud (want het

kleedingstuk hield hem in zijn sprong tegen) kwam hij geheel anders

neer, dan hij gemeend had, struikelde en viel zoo lang hij was op

den grond neder.

De beide andere knapen waren reeds aan het klauteren op de

achterschutting van den tuin huns buurmans, zonder dat zij iets van

Pieters val bemerkt hadden. Eerst toen Frans er boven op was, riep hij:

"waar blijf jij toch, Piet?"

"Ik ben gevallen en heb mijn voet verstuikt!" kermde deze. "Ik kan

geen enkelen stap doen, ja, zelfs niet eens opstaan."

Frans wilde weer van de schutting afspringen, om zijn vriend te helpen.

"Ben je dwaas?" zeide Jan. "Als hij niet kan loopen, kunnen wij hem

toch niet meezeulen. En als we lang wachten, komen we te laat thuis."

"Ik moet toch zien, of ik hem kan helpen," hervatte Frans. "Wij zijn

samen uitgegaan en moeten ook weer samen thuis komen."

"Alles mooi en wel," hernam Jan. "Maar ik bedank er voor om ransel

te krijgen, als ik te laat thuis kom."

Frans was reeds van de schutting af, terwijl Jan er aan den anderen

kant overging. In één oogenblik was hij bij Pieter.

"Laat mij je helpen om op te staan," zeide hij tot zijn vriend.

"Laat mij maar liggen, Frans!" antwoordde deze. "Misschien bedaart

het van zelf. Op het oogenblik doet mijn voet mij onlijdelijke pijn."

"Kom, probeer maar eens, Piet!" hernam de andere. "Als je eens over

de schutting bent, zal het wel schikken."

"Maar ik kan wezenlijk niet opstaan," hervatte Pieter. "Eilacy,

ga jij er maar over. Je hebt reeds te lang gemart en zult te laat

thuis komen."

Frans begreep, dat Pieter gelijk had; hij klom dus over en liet zijn

armen vriend in den tuin van den smid liggen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Hoe gevaarlijk het kan worden, om des Zondags de kerk te verzuimen.

Daar lag onze Pieter nu in den tuin van den smid. Zijn linkervoet deed

hem vreeselijk pijn en belette hem te denken aan den gevaarlijken

toestand, in welken hij verkeerde. Wat zou zijn vader wel

zeggen! Wat zou Martha ongerust zijn! En wat zou hij een pak slaag

krijgen! Waarlijk, een heerlijk kermisgeschenk! Ja, al die pret van

de kermis kon hij nu wel uit zijn hoofd zetten; want tot straf zou

hij wel nergens naar toe mogen! Dit waren de gedachten, die hem,

toen de pijn hem toeliet te denken, het eerst bezig hielden.

"Als ik maar kon opstaan," sprak hij bij zich zelf, en stelde

alle pogingen daartoe in het werk. Het opstaan ging, ja; maar hij

kon den beleedigden voet niet op den grond zetten, of hij moest het

uitschreeuwen van de pijn. "Ik zal mijn schoen uitdoen," vervolgde hij;

"mijn voet is gezwollen en daardoor kan ik niet staan. Als ik dat doe,

zal het wel beter worden." Hij deed wat hij zeide, en het scheen hem

werkelijk verlichting te schenken. Maar nauwelijks waagde hij een stap,

of hij gilde het uit van de pijn en viel weder op den grond neer.

"Had ik mij maar niet laten bepraten!" zeide hij, terwijl hij daar

mistroostig nederzat. "Was ik maar naar de kerk gegaan, dan was ik

nu thuis en zat al haast aan het eten."

De Prins en Johan de Witt of ons land in het tweede tijdperk der eerste stadhouderlooze regeering · 第 3 / 15 段