Nadat wij dan nu de lente in hare _wording_ beschouwd hebben, willen wij
haar thans in haren _bloei_ nagaan, haar in hare meeste schoonheid
eenige oogenblikken onze opmerkzaamheid schenken.
De bloeitijd van de lente valt in de maand Mei. Deze maand is de
schoonste van alle, en verdient den naam van _Bloeimaand_ ten volle.
Wendt uw oog werwaarts gij wilt, heeft de vreugde niet overal haren
troon opgeslagen? Zij bezielt oud en jong. Zelfs de dieren verblijden
zich over het vrolijke leven, dat in dezen tijd over het geheele
aardrijk is uitgestort. Wijd en zijd is alles schoon, alles vrolijk,
alles ijverig werkzaam.
Iedere weide prijkt met het weligste groen, hier en daar met kleine, wel
niet bijzonder in het oog vallende, maar desniettegenstaande
allerliefste bloempjes doorzaaid. Lustig schiet het zaad over de velden
op; in de hooge halmen hoort men de sprinkhanen gonzen, terwijl de
leeuwerik zingende hoog in de lucht opstijgt. Millioenen bloemen
prijken in tuinen, op weiden, op bergen en in dalen, zoo ver het oog
reikt. Zelfs de doornstruik heeft loof en bloesem gekregen, en komt
onder de gasten, welke de aarde op haar bruiloftsfeest heeft genoodigd,
regt voordeelig uit.
In de bosschen hoort gij het gebladerte weer ritselen; wanneer al dat
nieuwe loof door een windje bewogen wordt, dan komt het ons, wanneer wij
op eene hoogte staan en het oog daarover laten dwalen, bijkans voor,
alsof wij eene hooge, breede, groene zee aanschouwden, welker golven
ligt bewogen worden. Het nieuwe groen wasemt eenen geur uit, die ons
regt verkwikt en opwekt, zoodat mensch en dier zich daaraan laaft en
sterkt.
Het lustige zangkoor, dat gedeeltelijk den winter in andere landen
doorbragt, gedeeltelijk gedurende dien tijd bleef zwijgen, laat thans
van den vroegen morgen tot laat in den nacht onafgebroken zijne liederen
hooren, en de geheele schepping schijnt zich vrolijk op de maat dier
zangen te bewegen. En de denkende en diep gevoelende mensch wandelt door
het aardsche paradijs met een van innig genot stralend oog, met
dankbaarheid en vreugde in de borst, met een loflied op de tong. Nu, wie
zou ook niet gaarne dáár zijnen dank, zijne aanbiddende bewondering
willen uiten, waar hem uit elke struik een loflied toeklinkt?
Wien bezingt de leeuwerik?
Heft hij zijn gezang niet aan ter eere van den Schepper, die hem de
groene, veilige woonplaats aanwees, ruimschoots voedsel verschafte, en
daarbij nog het zachte weder en den helderen hemel schonk? Ja, Hem gonst
de bij dank en lof toe, Hem roemt het kleinste insekt, dat overigens
niets kan doen dan alleen de kleine vleugeltjes zachtjes in de lucht
laten trillen! Naar Hem keert de bloem haar aanvallig gelaat; Hij
immers, Hij alleen gaf haar het lieve licht der zon, waarin zij zoo
vrolijk en prachtig schittert. Hij zendt haar ook den dauw en den regen
op den regten tijd, waardoor zij zich zoo voordeelig kan ontwikkelen en
elk oog betooveren!
Maar hoe, mijne lieven, hoe zullen wij nu den liefderijken hemelschen
Vader op de beste en waardigste wijze onze vurige dankbaarheid kenbaar
maken daarvoor, dat Hij de aarde zoo onuitsprekelijk bekoorlijk heeft
gemaakt, dat Hij zoo onnoemelijke vreugde en schoonheid over haar heeft
uitgestort?--O, daarop is het antwoord gemakkelijk te vinden!
Door ons regt van harte over Zijne groote gaven te verblijden, door met
innige liefde en warme dankbaarheid aan Zijne onuitsprekelijke goedheid
te denken en Hem daarvoor ons geheele hart als een wederkeerig geschenk
aan te bieden!
_Vrolijk_ en _vroom_ te wezen is eene kostelijke zaak; en beide dingen
verdragen zich niet alleen regt goed met elkander, maar zij behooren
zelfs te zamen. Maar onze vrolijkheid moet uit den Heer, den Gever van
dat alles, voortkomen, niet uit het ijdele genoegen, dat wij daardoor
smaken. Het zien van al dat schoone en verblijdende moet ons Hem voor
den geest brengen, die tot onze vreugde al die heerlijkheid rondom ons
deed ontstaan. Alle morgens en alle avonden klinke dit loflied Hem uit
onzen mond toe:
Is niet de meester prijzenswaard,
Die alles heeft gebouwd,
En ook deez overschoone aard
Zoo liefdrijk onderhoudt?
Die alle menschen wijd en zijd
Zoo vaderlijk bewaakt,
En door het wisslen van den tijd
't Hun zoo genoeglijk maakt!
De winterkou had alles weer
Verstijfd, in boei geklemd,
Het water was ook dezen keer
In zijnen loop gestremd.
En sla _nu_ eens uw oog in 't rond;
Ge ontdekt dan bloem bij bloem!
Zie, hoe de nieuw ontwaakte grond
Vermeldt des Scheppers roem!
De lente, ons zoo lief en waard,
De lente, zij genaakt!
Zij wekt de sluimerende aard,
Die op haar' roep ontwaakt.
Zij, aan wie alles vrolijk denkt,
Zij nadert thans met spoed.
Ja, zij, die ons dat alles schenkt,
Wordt dankbaar dra begroet!
De beste, schoonste tijd van 't jaar
Komt nu met rassche schreên.
De lucht is zacht, de zon schijnt klaar,
't Is lieflijk om ons heen.
De dauw versterkt de plant, nog zwak,
Nog krachteloos, nog teêr;
De vogel zingt in 't looverdak;
Het vischje springt in 't meer.
Vóór korten tijd was alles koud,
Was alles dor en kaal;
Het frissche groen siert thans het woud,
De weiden kleurenpraal!
De bijen gonzen ook al rond;
De leeuwrik keert terug;
De zwaluw vliegt, dàn bij den grond,
Dàn hoog, dàn traag, dàn vlug.
De nachtegaal lispt zijnen klank
Betoovrend ons in 't oor;
Hij zingt den Heer der Heeren dank,
En gaat ons daarin voor.
Wij volgen; zien naar bloem en kruid,
Zien dan naar boven weêr;
En roepen nu aanbiddend uit:
Heb dank, o Hemelheer!
En zeggen voorts uit 's harten grond:
O God, wat zijt Gij goed!
Slaat allen met mij 't oog in 't rond,
Ziet, wat de Vader doet!
Wèl is de meester prijzenswaard,
Die alles heeft gebouwd,
En deze overschoone aard
Zoo liefdrijk onderhoudt!
Maar wat maakt nu eigenlijk de lente zoo schoon? Is het de menigte van
verschillende kleuren, waarin zij zich aan ons voordoet? Zijn het de
vrolijke toonen, waarmede zij tot ons spreekt? Brengt de blaauwe hemel
dit misschien te weeg, die zich met zijne zon, alsof deze ons
vriendelijk wilde toelagchen, boven de groene, bloeijende aarde
uitbreidt? Of is de zachte lucht, die ons het toeven op elke plaats zoo
aangenaam maakt, daarvan de oorzaak?
Neen, mijne lieven! Dit alles is op zich zelf wel schoon en heerlijk,
maar desniettegenstaande geloof ik vast, dat alleen _het voorgevoel van
hoogeren, eeuwigen bloesem en van eene altijddurende lente_ ons deze zoo
onbeschrijfelijk schoon maakt. Wat toch zouden alle lentetijden op deze
aarde beteekenen, indien wij, na haar verlaten te hebben, aan de andere
zijde van het graf niet eene nieuwe, eene eeuwige mogten verwachten? Wij
zouden ons, wel is waar, nog altijd verheugen, maar toch niet zóó, als
in het laatste geval, als wanneer wij ons te gelijk met den geest, met
ons hart en met de zinnen zouden verblijden. In het eerste, daarentegen,
zouden wij dikwijls, zoo niet in droefheid, dan toch in stille
weemoedigheid wegzinken, wanneer wij ons, bij voorbeeld, de vlugtigheid
van dit lieve jaargetijde regt levendig voorstelden, of dachten, dat
deze lente wel de laatste zou kunnen wezen, die voor ons bloeide. Doch
door aan te nemen, dat na dit leven eene hemelsche lente op ons wacht,
houden wij ons overtuigd, dat wij door den zomer, den herfst en den
winter die voortdurende lente te gemoet gaan; en dan wordt daardoor de
aardsche zóó schoon voor ons, omdat wij haar als een voorteeken, of
beeld, hoewel dit dan ook zwak is, van de andere aanzien.
Zeker denkt de vrome mensch, wanneer hij zoo over de bloeijende velden
wandelt, wanneer zijn rondstarend oog overal betooverend schoone
voorwerpen ontwaart, alom vreugdeliederen in zijn oor
weergalmen,--stellig denkt hij dan: naardien deze aarde bereids zoo
wonder schoon, met zoo tallooze bekoorlijkheden versierd is, en ons hart
zoo vrolijk en opgeruimd doet kloppen,--hoe fraai en verrukkelijk zal
het dan wel bij U in den hemel zijn, o goede God! en hoe groot de
vreugde, die daar onzen boezem zal doortintelen!
* * * * *
Het tweede wat de lente zoo schoon en dierbaar voor ons maakt, zal wel
de frissche _levenskracht_ zijn, die zich overal aan ons vertoont.
Levensgeest werd over alles uitgegoten, is overal werkzaam, waarheen
onze blik zich ook keere. Geen enkel plaatsje kunt gij vinden, waar die
zich niet kenbaar maakt. Waar ook een halm, een twijgje beschadigd of
gebroken werd, binnen korten tijd is die schade hersteld.
Doch het geldt insgelijks van het menschelijke geslacht. Ook wij
schijnen eenen nieuwen levensgeest of frissche levenskrachten ontvangen
te hebben, die zich werkzaam in ons openbaren. Het winterachtige, matte,
ziekelijke, dat in ons was, verdwijnt bij den adem der lente, die ons
doordringt; men voelt zich als nieuwgeboren, voelt zijne krachten
vermeerderd, versterkt en daarom vermogender; men denkt helderder, onze
gewaarwordingen zijn levendiger, en wij zwemmen moedig voort in den
grooten levensstroom, die in kronkelende bogten verrukkelijke
landschappen doorloopt. Dit gevoel van leven en kracht is zoo weldadig;
en wij moeten het aan dit gevoel hoofdzakelijk toeschrijven, dat de
lente zulke alleraangenaamste gewaarwordingen in ons opwekt. Al wat wij
ondernemen gaat ons daardoor gemakkelijker en vlugger van de hand, kost
ons maar weinig inspanning, en heeft desniettemin eenen zekeren graad
van volkomenheid bereikt. Zelfs de grijsaard, die zich, zoolang de
winter duurde, zwak en mat gevoelde, zelfs hij bespeurt, wanneer de
_Bloeimaand_ daar is, iets in zich, dat hem zijne vroegere rapheid,
vlugheid van geest en buigzaamheid van ledematen herinnert, en zuigt met
lange teugen als het ware een nieuw leven in.
En wat u betreft, mijne lieven, gij zoudt wel den geheelen dag in de
vrije natuur willen doorbrengen, zoozeer lokt zij u aan, en uwe ouders
en onderwijzers staan u gaarne de meestmogelijke vrijheid toe, want zij
weten wel, dat de Meimaand slechts eens in het jaar bloeit, en de jeugd,
dat eenige tijdperk van ongestoord genot! dat deze, zeg ik, nimmer weder
bloeit.
* * * * *
Ook de _verscheidenheid_, die der lente eigen is, maakt haar voor ons
schoon en dierbaar.
Werkelijk, die afwisseling is onbegrijpelijk groot en niet ligt te
overzien. Hoevele kleuren, om maar iets te noemen, biedt de
bloemenwereld ons aan! Welke afwisseling onder de rozen, geraniums,
tulpen! Hier bloeit eene plant met roode, daar met blaauwe, op deze met
witte, op gene met gele kleur, en hoe vaak mengen zich verschillende
kleuren tot eene nieuwe, geheel eigenaardige, maar daarom niet minder
schoone kleur, voor welke men somtijds niet eens eene passende benaming
kan uitdenken. Hoe verschillend en veelsoortig zijn verder de planten,
wanneer men hare vorming of natuur nagaat. De eene schiet hoog op, zoo
als de lelie, eene andere, bij voorbeeld het viooltje, schijnt zich voor
het zonlicht te willen verbergen en blijft laag bij den grond. Sommigen
strengelen zich om boomstammen en klimmen op deze wijze hoog op; anderen
kronkelen zich langs den grond of strengelen de twijgen in elkander.
Nog grooter verschil merken wij op bij de bladeren en bloesems, hetgeen
gij zelven ligtelijk kunt nagaan, als gij maar eens een uurtje wilt
doorbrengen met de verschillende bladeren en bloesems van onderscheidene
plantsoorten naauwkeurig gade te slaan. Gij ziet dan getakte of
tandvormige, ronde, langwerpige, smalle, breede, platte, gebogene, en op
nog tallooze andere wijzen gevormde bladeren, waarvan het eene minder of
meer op het andere gelijkt, maar elk toch in zijne soort schoon en uwe
belangstelling overwaardig is.
En dan de bloemen in hare rijke verscheidenheid! De lelie, het
vergeet-mij-nietje, de roos, het viooltje, de resida, de aster, de
tulp--hoe onnoemelijk verschilt de eene van de andere in kleur, vorm en
geur; bij elke is de bloem op eene andere wijze, geheel eigenaardig
gevormd. Ja, wij gaan nog verder! Zelfs bij een en hetzelfde geslacht
treffen wij groote verscheidenheid aan, ten bewijze waarvan wij u enkel
de verschillende soorten van rozen willen herinneren. Vergelijkt eene
honderdbladige roos en eene mosroos bij elkander, en het groote verschil
zal u bij den eersten oogopslag duidelijk blijken. En wezenlijk het is
ook een verbazend onderscheid! Niettemin zijn beide toch kinderen uit
hetzelfde geslacht, zijn beide onmiskenbaar _rozen_. Welnu, daarop
afgaande, hoe groot moet dan het onderscheid tusschen verschillende
soorten wel wezen! De verscheidenheid der lente bepaalt zich evenwel nog
niet eens bij de bloemenwereld, zij strekt zich tot alle planten in de
groote schepping uit, tot het grootste en tot het kleinste, en blijft
overal even bewonderingwaardig. Wij ontdekken haar in de boomen van het
woud en in de grassoorten, in de bloemen en in de heesters, in de
planten waarmede wij ons voeden, en in het onkruid, en wij moeten ten
slotte verbaasd en opgetogen uitroepen: God, hoe groot zijn Uwe werken,
hoe ver gaat Uwe magt, hoe diep dringt Uwe wijsheid door, hoe vertoont
gij U in elk voortbrengsel als onzen liefderijken Hemelvader!
* * * * *
O, mijne lieven, laat ons de goedheid en wijsheid van den grooten God
aanbiddend prijzen, wanneer wij des morgens of in eenen avondstond Zijne
natuur in de Bloeimaand doorwandelen, wanneer het gezang van den
leeuwerik uit de helderblaauwe lucht, het lied van den nachtegaal, die
op een bloeijend takje kwinkeleert, ons door het oor in het hart
dringen. De geur, die rondom ons als uitgegoten is en bij het ademen
onze reukzenuwen zoo aangenaam prikkelt, is de rook, die van de altaren
opstijgt, welke de geheele natuur voor haren Schepper heeft ontstoken.
Die geur stijgt opwaarts naar den hemel, gelijk het gebed dat uwe lippen
stamelen, terwijl uw hart zich als oplost in een diep gevoel van
dankbaarheid; en geen gebed is den Allerhoogste welgevalliger, dan dit!
Prijst Hem, wanneer gij voor uwen vader of uwe moeder eenen ruiker
plukt, een kransje vlecht, en gij op nieuw verbaasd staat over de
schoonheid, die gij overal in de tuinen en op de velden
ontwaart,--prijst Hem, dankt Hem, want Zijne hand heeft dat alles zoo
fraai geschapen. Hij heeft de kleurenpracht aan die millioenen
voorwerpen gegeven, Hij den geur over dit alles uitgestort!
Prijst Hem, zoo dikwijls gij langs een zaaiveld wandelt, dat reeds met
slanke halmen overdekt is; Hij toch doet het brood uit de aarde voor ons
groeijen, Hij zorgt even vaderlijk voor onze andere behoeften, opdat
geen enkel Zijner schepselen gebrek zou lijden.
Maar slaat vooral den blik gedurig hemelwaarts, want al die heerlijkheid
zou dood voor ons zijn, zoo wij niet wisten wie het aldus geschapen
heeft, en als wij Hem, die het elk jaar tot een nieuw, jeugdig leven
opwekt, niet met den naam van Vader mogten aanspreken.
Prijst Hem bij het opkomen, prijst Hem met den ondergang der zon! Want
ook deze is een zinnebeeld van Zijne liefde en Zijne vaderlijke
gezindheid, vermits zij alles koestert en verblijdt. Prijst Hem onder
den met sterren bezaaiden hemel! Want de sterren zijn de oogen der
Voorzienigheid, die waken, wanneer alles op de aarde rust en slaapt.
Prijst, o, prijst Hem bij de aardsche lente, weest dankbaar, en houdt,
om dit te betoonen, Zijne geboden, opdat gij eenmaal de onvergankelijke,
de hemelsche lente deelachtig moogt worden!