III.

Nadat wij dan nu de lente in hare _wording_ beschouwd hebben, willen wij

haar thans in haren _bloei_ nagaan, haar in hare meeste schoonheid

eenige oogenblikken onze opmerkzaamheid schenken.

De bloeitijd van de lente valt in de maand Mei. Deze maand is de

schoonste van alle, en verdient den naam van _Bloeimaand_ ten volle.

Wendt uw oog werwaarts gij wilt, heeft de vreugde niet overal haren

troon opgeslagen? Zij bezielt oud en jong. Zelfs de dieren verblijden

zich over het vrolijke leven, dat in dezen tijd over het geheele

aardrijk is uitgestort. Wijd en zijd is alles schoon, alles vrolijk,

alles ijverig werkzaam.

Iedere weide prijkt met het weligste groen, hier en daar met kleine, wel

niet bijzonder in het oog vallende, maar desniettegenstaande

allerliefste bloempjes doorzaaid. Lustig schiet het zaad over de velden

op; in de hooge halmen hoort men de sprinkhanen gonzen, terwijl de

leeuwerik zingende hoog in de lucht opstijgt. Millioenen bloemen

prijken in tuinen, op weiden, op bergen en in dalen, zoo ver het oog

reikt. Zelfs de doornstruik heeft loof en bloesem gekregen, en komt

onder de gasten, welke de aarde op haar bruiloftsfeest heeft genoodigd,

regt voordeelig uit.

In de bosschen hoort gij het gebladerte weer ritselen; wanneer al dat

nieuwe loof door een windje bewogen wordt, dan komt het ons, wanneer wij

op eene hoogte staan en het oog daarover laten dwalen, bijkans voor,

alsof wij eene hooge, breede, groene zee aanschouwden, welker golven

ligt bewogen worden. Het nieuwe groen wasemt eenen geur uit, die ons

regt verkwikt en opwekt, zoodat mensch en dier zich daaraan laaft en

sterkt.

Het lustige zangkoor, dat gedeeltelijk den winter in andere landen

doorbragt, gedeeltelijk gedurende dien tijd bleef zwijgen, laat thans

van den vroegen morgen tot laat in den nacht onafgebroken zijne liederen

hooren, en de geheele schepping schijnt zich vrolijk op de maat dier

zangen te bewegen. En de denkende en diep gevoelende mensch wandelt door

het aardsche paradijs met een van innig genot stralend oog, met

dankbaarheid en vreugde in de borst, met een loflied op de tong. Nu, wie

zou ook niet gaarne dáár zijnen dank, zijne aanbiddende bewondering

willen uiten, waar hem uit elke struik een loflied toeklinkt?

Wien bezingt de leeuwerik?

Heft hij zijn gezang niet aan ter eere van den Schepper, die hem de

groene, veilige woonplaats aanwees, ruimschoots voedsel verschafte, en

daarbij nog het zachte weder en den helderen hemel schonk? Ja, Hem gonst

de bij dank en lof toe, Hem roemt het kleinste insekt, dat overigens

niets kan doen dan alleen de kleine vleugeltjes zachtjes in de lucht

laten trillen! Naar Hem keert de bloem haar aanvallig gelaat; Hij

immers, Hij alleen gaf haar het lieve licht der zon, waarin zij zoo

vrolijk en prachtig schittert. Hij zendt haar ook den dauw en den regen

op den regten tijd, waardoor zij zich zoo voordeelig kan ontwikkelen en

elk oog betooveren!

Maar hoe, mijne lieven, hoe zullen wij nu den liefderijken hemelschen

Vader op de beste en waardigste wijze onze vurige dankbaarheid kenbaar

maken daarvoor, dat Hij de aarde zoo onuitsprekelijk bekoorlijk heeft

gemaakt, dat Hij zoo onnoemelijke vreugde en schoonheid over haar heeft

uitgestort?--O, daarop is het antwoord gemakkelijk te vinden!

Door ons regt van harte over Zijne groote gaven te verblijden, door met

innige liefde en warme dankbaarheid aan Zijne onuitsprekelijke goedheid

te denken en Hem daarvoor ons geheele hart als een wederkeerig geschenk

aan te bieden!

_Vrolijk_ en _vroom_ te wezen is eene kostelijke zaak; en beide dingen

verdragen zich niet alleen regt goed met elkander, maar zij behooren

zelfs te zamen. Maar onze vrolijkheid moet uit den Heer, den Gever van

dat alles, voortkomen, niet uit het ijdele genoegen, dat wij daardoor

smaken. Het zien van al dat schoone en verblijdende moet ons Hem voor

den geest brengen, die tot onze vreugde al die heerlijkheid rondom ons

deed ontstaan. Alle morgens en alle avonden klinke dit loflied Hem uit

onzen mond toe:

Is niet de meester prijzenswaard,

Die alles heeft gebouwd,

En ook deez overschoone aard

Zoo liefdrijk onderhoudt?

Die alle menschen wijd en zijd

Zoo vaderlijk bewaakt,

En door het wisslen van den tijd

't Hun zoo genoeglijk maakt!

De winterkou had alles weer

Verstijfd, in boei geklemd,

Het water was ook dezen keer

In zijnen loop gestremd.

En sla _nu_ eens uw oog in 't rond;

Ge ontdekt dan bloem bij bloem!

Zie, hoe de nieuw ontwaakte grond

Vermeldt des Scheppers roem!

De lente, ons zoo lief en waard,

De lente, zij genaakt!

Zij wekt de sluimerende aard,

Die op haar' roep ontwaakt.

Zij, aan wie alles vrolijk denkt,

Zij nadert thans met spoed.

Ja, zij, die ons dat alles schenkt,

Wordt dankbaar dra begroet!

De beste, schoonste tijd van 't jaar

Komt nu met rassche schreên.

De lucht is zacht, de zon schijnt klaar,

't Is lieflijk om ons heen.

De dauw versterkt de plant, nog zwak,

Nog krachteloos, nog teêr;

De vogel zingt in 't looverdak;

Het vischje springt in 't meer.

Vóór korten tijd was alles koud,

Was alles dor en kaal;

Het frissche groen siert thans het woud,

De weiden kleurenpraal!

De bijen gonzen ook al rond;

De leeuwrik keert terug;

De zwaluw vliegt, dàn bij den grond,

Dàn hoog, dàn traag, dàn vlug.

De nachtegaal lispt zijnen klank

Betoovrend ons in 't oor;

Hij zingt den Heer der Heeren dank,

En gaat ons daarin voor.

Wij volgen; zien naar bloem en kruid,

Zien dan naar boven weêr;

En roepen nu aanbiddend uit:

Heb dank, o Hemelheer!

En zeggen voorts uit 's harten grond:

O God, wat zijt Gij goed!

Slaat allen met mij 't oog in 't rond,

Ziet, wat de Vader doet!

Wèl is de meester prijzenswaard,

Die alles heeft gebouwd,

En deze overschoone aard

Zoo liefdrijk onderhoudt!

Maar wat maakt nu eigenlijk de lente zoo schoon? Is het de menigte van

verschillende kleuren, waarin zij zich aan ons voordoet? Zijn het de

vrolijke toonen, waarmede zij tot ons spreekt? Brengt de blaauwe hemel

dit misschien te weeg, die zich met zijne zon, alsof deze ons

vriendelijk wilde toelagchen, boven de groene, bloeijende aarde

uitbreidt? Of is de zachte lucht, die ons het toeven op elke plaats zoo

aangenaam maakt, daarvan de oorzaak?

Neen, mijne lieven! Dit alles is op zich zelf wel schoon en heerlijk,

maar desniettegenstaande geloof ik vast, dat alleen _het voorgevoel van

hoogeren, eeuwigen bloesem en van eene altijddurende lente_ ons deze zoo

onbeschrijfelijk schoon maakt. Wat toch zouden alle lentetijden op deze

aarde beteekenen, indien wij, na haar verlaten te hebben, aan de andere

zijde van het graf niet eene nieuwe, eene eeuwige mogten verwachten? Wij

zouden ons, wel is waar, nog altijd verheugen, maar toch niet zóó, als

in het laatste geval, als wanneer wij ons te gelijk met den geest, met

ons hart en met de zinnen zouden verblijden. In het eerste, daarentegen,

zouden wij dikwijls, zoo niet in droefheid, dan toch in stille

weemoedigheid wegzinken, wanneer wij ons, bij voorbeeld, de vlugtigheid

van dit lieve jaargetijde regt levendig voorstelden, of dachten, dat

deze lente wel de laatste zou kunnen wezen, die voor ons bloeide. Doch

door aan te nemen, dat na dit leven eene hemelsche lente op ons wacht,

houden wij ons overtuigd, dat wij door den zomer, den herfst en den

winter die voortdurende lente te gemoet gaan; en dan wordt daardoor de

aardsche zóó schoon voor ons, omdat wij haar als een voorteeken, of

beeld, hoewel dit dan ook zwak is, van de andere aanzien.

Zeker denkt de vrome mensch, wanneer hij zoo over de bloeijende velden

wandelt, wanneer zijn rondstarend oog overal betooverend schoone

voorwerpen ontwaart, alom vreugdeliederen in zijn oor

weergalmen,--stellig denkt hij dan: naardien deze aarde bereids zoo

wonder schoon, met zoo tallooze bekoorlijkheden versierd is, en ons hart

zoo vrolijk en opgeruimd doet kloppen,--hoe fraai en verrukkelijk zal

het dan wel bij U in den hemel zijn, o goede God! en hoe groot de

vreugde, die daar onzen boezem zal doortintelen!

* * * * *

Het tweede wat de lente zoo schoon en dierbaar voor ons maakt, zal wel

de frissche _levenskracht_ zijn, die zich overal aan ons vertoont.

Levensgeest werd over alles uitgegoten, is overal werkzaam, waarheen

onze blik zich ook keere. Geen enkel plaatsje kunt gij vinden, waar die

zich niet kenbaar maakt. Waar ook een halm, een twijgje beschadigd of

gebroken werd, binnen korten tijd is die schade hersteld.

Doch het geldt insgelijks van het menschelijke geslacht. Ook wij

schijnen eenen nieuwen levensgeest of frissche levenskrachten ontvangen

te hebben, die zich werkzaam in ons openbaren. Het winterachtige, matte,

ziekelijke, dat in ons was, verdwijnt bij den adem der lente, die ons

doordringt; men voelt zich als nieuwgeboren, voelt zijne krachten

vermeerderd, versterkt en daarom vermogender; men denkt helderder, onze

gewaarwordingen zijn levendiger, en wij zwemmen moedig voort in den

grooten levensstroom, die in kronkelende bogten verrukkelijke

landschappen doorloopt. Dit gevoel van leven en kracht is zoo weldadig;

en wij moeten het aan dit gevoel hoofdzakelijk toeschrijven, dat de

lente zulke alleraangenaamste gewaarwordingen in ons opwekt. Al wat wij

ondernemen gaat ons daardoor gemakkelijker en vlugger van de hand, kost

ons maar weinig inspanning, en heeft desniettemin eenen zekeren graad

van volkomenheid bereikt. Zelfs de grijsaard, die zich, zoolang de

winter duurde, zwak en mat gevoelde, zelfs hij bespeurt, wanneer de

_Bloeimaand_ daar is, iets in zich, dat hem zijne vroegere rapheid,

vlugheid van geest en buigzaamheid van ledematen herinnert, en zuigt met

lange teugen als het ware een nieuw leven in.

En wat u betreft, mijne lieven, gij zoudt wel den geheelen dag in de

vrije natuur willen doorbrengen, zoozeer lokt zij u aan, en uwe ouders

en onderwijzers staan u gaarne de meestmogelijke vrijheid toe, want zij

weten wel, dat de Meimaand slechts eens in het jaar bloeit, en de jeugd,

dat eenige tijdperk van ongestoord genot! dat deze, zeg ik, nimmer weder

bloeit.

* * * * *

Ook de _verscheidenheid_, die der lente eigen is, maakt haar voor ons

schoon en dierbaar.

Werkelijk, die afwisseling is onbegrijpelijk groot en niet ligt te

overzien. Hoevele kleuren, om maar iets te noemen, biedt de

bloemenwereld ons aan! Welke afwisseling onder de rozen, geraniums,

tulpen! Hier bloeit eene plant met roode, daar met blaauwe, op deze met

witte, op gene met gele kleur, en hoe vaak mengen zich verschillende

kleuren tot eene nieuwe, geheel eigenaardige, maar daarom niet minder

schoone kleur, voor welke men somtijds niet eens eene passende benaming

kan uitdenken. Hoe verschillend en veelsoortig zijn verder de planten,

wanneer men hare vorming of natuur nagaat. De eene schiet hoog op, zoo

als de lelie, eene andere, bij voorbeeld het viooltje, schijnt zich voor

het zonlicht te willen verbergen en blijft laag bij den grond. Sommigen

strengelen zich om boomstammen en klimmen op deze wijze hoog op; anderen

kronkelen zich langs den grond of strengelen de twijgen in elkander.

Nog grooter verschil merken wij op bij de bladeren en bloesems, hetgeen

gij zelven ligtelijk kunt nagaan, als gij maar eens een uurtje wilt

doorbrengen met de verschillende bladeren en bloesems van onderscheidene

plantsoorten naauwkeurig gade te slaan. Gij ziet dan getakte of

tandvormige, ronde, langwerpige, smalle, breede, platte, gebogene, en op

nog tallooze andere wijzen gevormde bladeren, waarvan het eene minder of

meer op het andere gelijkt, maar elk toch in zijne soort schoon en uwe

belangstelling overwaardig is.

En dan de bloemen in hare rijke verscheidenheid! De lelie, het

vergeet-mij-nietje, de roos, het viooltje, de resida, de aster, de

tulp--hoe onnoemelijk verschilt de eene van de andere in kleur, vorm en

geur; bij elke is de bloem op eene andere wijze, geheel eigenaardig

gevormd. Ja, wij gaan nog verder! Zelfs bij een en hetzelfde geslacht

treffen wij groote verscheidenheid aan, ten bewijze waarvan wij u enkel

de verschillende soorten van rozen willen herinneren. Vergelijkt eene

honderdbladige roos en eene mosroos bij elkander, en het groote verschil

zal u bij den eersten oogopslag duidelijk blijken. En wezenlijk het is

ook een verbazend onderscheid! Niettemin zijn beide toch kinderen uit

hetzelfde geslacht, zijn beide onmiskenbaar _rozen_. Welnu, daarop

afgaande, hoe groot moet dan het onderscheid tusschen verschillende

soorten wel wezen! De verscheidenheid der lente bepaalt zich evenwel nog

niet eens bij de bloemenwereld, zij strekt zich tot alle planten in de

groote schepping uit, tot het grootste en tot het kleinste, en blijft

overal even bewonderingwaardig. Wij ontdekken haar in de boomen van het

woud en in de grassoorten, in de bloemen en in de heesters, in de

planten waarmede wij ons voeden, en in het onkruid, en wij moeten ten

slotte verbaasd en opgetogen uitroepen: God, hoe groot zijn Uwe werken,

hoe ver gaat Uwe magt, hoe diep dringt Uwe wijsheid door, hoe vertoont

gij U in elk voortbrengsel als onzen liefderijken Hemelvader!

* * * * *

O, mijne lieven, laat ons de goedheid en wijsheid van den grooten God

aanbiddend prijzen, wanneer wij des morgens of in eenen avondstond Zijne

natuur in de Bloeimaand doorwandelen, wanneer het gezang van den

leeuwerik uit de helderblaauwe lucht, het lied van den nachtegaal, die

op een bloeijend takje kwinkeleert, ons door het oor in het hart

dringen. De geur, die rondom ons als uitgegoten is en bij het ademen

onze reukzenuwen zoo aangenaam prikkelt, is de rook, die van de altaren

opstijgt, welke de geheele natuur voor haren Schepper heeft ontstoken.

Die geur stijgt opwaarts naar den hemel, gelijk het gebed dat uwe lippen

stamelen, terwijl uw hart zich als oplost in een diep gevoel van

dankbaarheid; en geen gebed is den Allerhoogste welgevalliger, dan dit!

Prijst Hem, wanneer gij voor uwen vader of uwe moeder eenen ruiker

plukt, een kransje vlecht, en gij op nieuw verbaasd staat over de

schoonheid, die gij overal in de tuinen en op de velden

ontwaart,--prijst Hem, dankt Hem, want Zijne hand heeft dat alles zoo

fraai geschapen. Hij heeft de kleurenpracht aan die millioenen

voorwerpen gegeven, Hij den geur over dit alles uitgestort!

Prijst Hem, zoo dikwijls gij langs een zaaiveld wandelt, dat reeds met

slanke halmen overdekt is; Hij toch doet het brood uit de aarde voor ons

groeijen, Hij zorgt even vaderlijk voor onze andere behoeften, opdat

geen enkel Zijner schepselen gebrek zou lijden.

Maar slaat vooral den blik gedurig hemelwaarts, want al die heerlijkheid

zou dood voor ons zijn, zoo wij niet wisten wie het aldus geschapen

heeft, en als wij Hem, die het elk jaar tot een nieuw, jeugdig leven

opwekt, niet met den naam van Vader mogten aanspreken.

Prijst Hem bij het opkomen, prijst Hem met den ondergang der zon! Want

ook deze is een zinnebeeld van Zijne liefde en Zijne vaderlijke

gezindheid, vermits zij alles koestert en verblijdt. Prijst Hem onder

den met sterren bezaaiden hemel! Want de sterren zijn de oogen der

Voorzienigheid, die waken, wanneer alles op de aarde rust en slaapt.

Prijst, o, prijst Hem bij de aardsche lente, weest dankbaar, en houdt,

om dit te betoonen, Zijne geboden, opdat gij eenmaal de onvergankelijke,

de hemelsche lente deelachtig moogt worden!

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 32 / 33 题