II.

De wording of komst der lente vervult eindelijk ons hart ook met _hoop_

en _vreugde_.

Mijne lieven, toen gij de eerste bloemen van het jaar zaagt of pluktet,

verrees toen niet voor uwe verbeelding de geheele menigte van al die

bontgekleurde bloemen, die na deze zouden ontluiken, in al hare praal en

heerlijkheid? Klopte het hart u niet van blijdschap, wanneer gij dacht:

het sneeuwbloempje is er nu al; binnen korten tijd komt dus het

viooltje, en dan zal ik weldra al die lieve aanvallige, heerlijke

bloemen zien, aan welker hoofd de roos als koningin is geplaatst? Ja,

zonder eenigen twijfel verheugde dat denkbeeld u uitermate en vervulde u

met blijde verwachting. Met dezelfde onbeschrijfelijke vreugde

luisterdet gij mede naar het eerste lied dat de leeuwerik deed hooren,

omdat gij in uwe verbeelding reeds al die schoone, heldere en vrolijke

lentedagen voor u zaagt, die de nachtegaal en de overige kleine, vlugge

zangers nog aangenamer zouden maken. Daar dan nu de aankomst van de

aardsche lente uw jong hart reeds met zoo grooten lust en eene zoo zoete

hoop vervulde, hoe veel te meer moet de komst, of liever het aanwezig

zijn van de reine, hemelsche lente zulks te weeg brengen! En zoo is het

dan toch ook wezenlijk! Hoe grooteren aanleg tot weligen bloei gij in

uwen geest en in uw hart bespeurt, hoe meer gij de kiem zich ziet

ontwikkelen, hoe meer de tijd nadert, waarop zij zich als bloesem zal

vertoonen, zooveel te grooter wordt uwe vreugde, zooveel te vrolijker

wordt uwe hoop. Een enkel voorbeeld zal u dit nog duidelijker maken.

Met geene andere bedoeling zoekt gij onderwijs te ontvangen, dan om u

doelmatig tot dezen of dien stand te vormen, voor te bereiden en bekwaam

te maken, om hier bruikbare leden in de maatschappij, en eens, na dit

leven, zalige hemelbewoners te worden. Hoe meer gij bemerkt, dat uwe

kennis zich uitbreidt, uw inzigt opklaart, uwe ondervinding rijker

wordt, in die zelfde mate neemt in uw binnenste ook het zoete gevoel der

hoop toe, en in uwe verbeelding bevindt gij u reeds in allerlei

levensomstandigheden, waarin latere tijden u zullen verplaatsen, en

arbeidt daarin tot uw eigen nut en dat van uwe medemenschen. Deze hoop

baart groote vreugde, en de kracht neemt gedurig toe, naarmate men het

voorgestelde doel meer nadert; en zoo zij soms ook verslappe, toch zal

het denkbeeld daaraan haar dadelijk weder opwakkeren, zoodat men ten

laatste altijd zijn doel gelukkig bereikt.

Welnu! diezelfde hoop, gelijke vreugde wekt de wording der hemelsche

lente in de menschelijke borst. Reeds in het hart der kinderen

ontwikkelt hare kiem zich, en hoe meer voedsel men haar geeft, hoe

zorgvuldiger men haar verpleegt, zooveel te ruimer breiden die vreugde

en hoop zich uit, zooveel te vroeger ontluiken sommige bloemen en komt

de bloesem te voorschijn, totdat zij zich alle tot eene algeheele lente

hebben ontwikkeld; welke echter niet hier op aarde, maar eerst later,

wanneer wij tot een beter leven ontslapen zijn, voor ons aanbreekt en

ons de hoogste zaligheid doet smaken.

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 31 / 33 题