De wording of komst der lente vervult eindelijk ons hart ook met _hoop_
en _vreugde_.
Mijne lieven, toen gij de eerste bloemen van het jaar zaagt of pluktet,
verrees toen niet voor uwe verbeelding de geheele menigte van al die
bontgekleurde bloemen, die na deze zouden ontluiken, in al hare praal en
heerlijkheid? Klopte het hart u niet van blijdschap, wanneer gij dacht:
het sneeuwbloempje is er nu al; binnen korten tijd komt dus het
viooltje, en dan zal ik weldra al die lieve aanvallige, heerlijke
bloemen zien, aan welker hoofd de roos als koningin is geplaatst? Ja,
zonder eenigen twijfel verheugde dat denkbeeld u uitermate en vervulde u
met blijde verwachting. Met dezelfde onbeschrijfelijke vreugde
luisterdet gij mede naar het eerste lied dat de leeuwerik deed hooren,
omdat gij in uwe verbeelding reeds al die schoone, heldere en vrolijke
lentedagen voor u zaagt, die de nachtegaal en de overige kleine, vlugge
zangers nog aangenamer zouden maken. Daar dan nu de aankomst van de
aardsche lente uw jong hart reeds met zoo grooten lust en eene zoo zoete
hoop vervulde, hoe veel te meer moet de komst, of liever het aanwezig
zijn van de reine, hemelsche lente zulks te weeg brengen! En zoo is het
dan toch ook wezenlijk! Hoe grooteren aanleg tot weligen bloei gij in
uwen geest en in uw hart bespeurt, hoe meer gij de kiem zich ziet
ontwikkelen, hoe meer de tijd nadert, waarop zij zich als bloesem zal
vertoonen, zooveel te grooter wordt uwe vreugde, zooveel te vrolijker
wordt uwe hoop. Een enkel voorbeeld zal u dit nog duidelijker maken.
Met geene andere bedoeling zoekt gij onderwijs te ontvangen, dan om u
doelmatig tot dezen of dien stand te vormen, voor te bereiden en bekwaam
te maken, om hier bruikbare leden in de maatschappij, en eens, na dit
leven, zalige hemelbewoners te worden. Hoe meer gij bemerkt, dat uwe
kennis zich uitbreidt, uw inzigt opklaart, uwe ondervinding rijker
wordt, in die zelfde mate neemt in uw binnenste ook het zoete gevoel der
hoop toe, en in uwe verbeelding bevindt gij u reeds in allerlei
levensomstandigheden, waarin latere tijden u zullen verplaatsen, en
arbeidt daarin tot uw eigen nut en dat van uwe medemenschen. Deze hoop
baart groote vreugde, en de kracht neemt gedurig toe, naarmate men het
voorgestelde doel meer nadert; en zoo zij soms ook verslappe, toch zal
het denkbeeld daaraan haar dadelijk weder opwakkeren, zoodat men ten
laatste altijd zijn doel gelukkig bereikt.
Welnu! diezelfde hoop, gelijke vreugde wekt de wording der hemelsche
lente in de menschelijke borst. Reeds in het hart der kinderen
ontwikkelt hare kiem zich, en hoe meer voedsel men haar geeft, hoe
zorgvuldiger men haar verpleegt, zooveel te ruimer breiden die vreugde
en hoop zich uit, zooveel te vroeger ontluiken sommige bloemen en komt
de bloesem te voorschijn, totdat zij zich alle tot eene algeheele lente
hebben ontwikkeld; welke echter niet hier op aarde, maar eerst later,
wanneer wij tot een beter leven ontslapen zijn, voor ons aanbreekt en
ons de hoogste zaligheid doet smaken.