IV.

Laat ons eindelijk de lente bij haar _verwelken_ en haar _vertrek_

gadeslaan.

Dit verdwijnen leert ons, dat al het schoone op aarde vergankelijk is en

maar korten tijd duurt. Het schoone is op deze wereld een vreemdeling,

die zijn vaderland in hoogere spheren moet zoeken. Gelijk de dag, nadat

hij zijne grootste lengte bereikt heeft, weder afneemt totdat de kortste

andermaal gekomen is, zoo ook viert de plant haren hoogsten levensstaat

in den bloeitijd; daarop vermindert zij en begint langzamerhand te

kwijnen en te verwelken. Hetzelfde is op de lente van toepassing. Met

het uitbloeijen van de rozen trekt zij weg, en het lied van den

lentezanger, den nachtegaal, verstomt. Wij worden haar vertrek niet

aanstonds gewaar, want zij vertrekt stil en ongemerkt, en heeft aan

haren broeder, den zomer, opgedragen, ons nog menige liefelijke bloem te

komen brengen, opdat haar gemis ons niet te zeer zou bedroeven. Maar wat

heeft zij ons dan nu eigenlijk gebragt? Schonk zij ons niets anders dan

bloemen die spoedig verwelken, niets dan vergankelijken bloesem? Liet

zij geen enkel aandenken achter, dat ons haar bezoek levendig konde

herinneren?

Neen, zij bragt ons iets anders, iets beters! De bloesem, met welken zij

het plantenrijk tooide, moet ons niet alleen een fraai schouwspel

aanbieden, ons oog bekoren door de pracht die deze uitstortte, maar

moet, na die pracht en schoonheid verloren te hebben, iets achterlaten

hetgeen ons daarvoor schadeloos kan stellen, te weten _de vruchten_, die

zich uit den bloesem ontwikkeld hebben. Ziet eens naar dien kerseboom,

die vóór weinige weken in zijn feestgewaad prijkte, hoe rijk hij met

vruchten beladen is, hoe deze met elken dag vooruitkomen en bijna met

ieder uur meer schijnen te rijpen. Binnen een klein tijdsverloop zullen

wij ons aan de vruchten van dienzelfden boom kunnen vergasten, op welks

bloesem ons oog vroeger in verrukking bleef staren. Aldus ging de lente

ongemerkt voorbij, maar liet ons toch veel achter, waardoor wij ons

dankbaar harer herinneren.

Hoe zal het nu zijn, wanneer de lente van uw leven, uwe jeugd,

verstreken is? Zullen dan ook rijpe vruchten de plaats van den bloesem

vervangen hebben? O, hoe treurig zou het wezen, bijaldien de boom van uw

leven enkel _gebloeid_ hadde, en hij in lateren tijd geene _vruchten_

droeg! Wat zou de herfst dan kunnen opleveren? Wat zoudt gij kunnen

inoogsten? Wanneer de Heer u ten laatste oproept, om rekening van uw

levensgedrag te doen, hoe beschaamd zoudt gij voor Hem moeten staan,

indien gij niets hadt overgewonnen en met ledige handen kwaamt? In den

tuin van uw leven staat immers geen enkele boom, die geene welige

vruchten belooft; elke doornachtige struik bloeide toch alleen daarom,

ten einde in den herfst ook zijne vruchten of zijn zaad te kunnen

opleveren? En zou dan uwe jeugd vervliegen, zonder gegronde hoop op

eenen gezegenden, vruchtbaren herfst aan te bieden; zou zij niets

anders, dan een enkele bloeitijd geweest zijn? O, zoo dit het geval

wordt, dan zal het zekerlijk geheel en al uwe eigen schuld wezen! Gij

hebt dan òf volstrekt geenen bloesem gedragen, òf dien niet met de

noodige zorgvuldigheid tegen storm, nachtvorst en nadeeligen dauw

beschut. Doch de jeugd _moet_ bloesem dragen, want daartoe is de

menschelijke natuur bestemd; en alles, wat schadelijk voor haar is of

zou kunnen worden, dat kan men tegengaan, wanneer een krachtige,

onwrikbare wil, wanneer een onvermoeide ijver ons aanspoort. En

desniettegenstaande verstreek de jeugd van menigeen zonder bloesem.

Helaas, de ondervinding leert ons dit nog altijd, hoewel, gelukkig! de

gevallen zeldzaam zijn. Maar, zult gij welligt vragen, draagt de

menschelijke natuur de schuld daarvan, of moet ik welligt de oorzaak in

den Schepper zoeken? O, dat volstrekt niet! Doch wanneer deze beiden

geene schuld hieraan hebben, in wien of wat moeten wij die dan zoeken?

Helaas! in ons menschen zelven. Daarmede is het aldus gelegen: de geest

en het hart van den mensch gelijken naar de aarde, die hij bewoont.

Wanneer deze niet vlijtig en zorgvuldig bewerkt, niet bezaaid en

onophoudelijk verpleegd wordt, dan blijft zij dor en onvruchtbaar, en

brengt niets op dan onkruid, dat, wel is waar, ook vruchten draagt, doch

enkel zoodanige, die geene waarde hebben, die men, omdat zij tot niets

deugen, laat rotten of als vuilnis wegwerpt. Ook kunt gij geest en hart

bij eenen boom vergelijken. Als deze niet verpleegd wordt, als men de

overtollige takken niet op den bestemden tijd afsnoeit, als men hem

gebrek aan voedsel laat lijden, en de schadelijke insecten, die zich er

op neêrzetten, niet tijdig verjaagt,--dan kan het ligt, ja, zal het

bijkans immer gebeuren, dat hij geenen bloesem draagt, dat hij van dag

tot dag wegkwijnt, verdort, in den herfst ziek is en volstrekt geene

vruchten oplevert.

Die zaaigrond, die boom, mijne lieven, zijn de zinnebeelden van uwen

geest en van uw hart. Indien gij beide niet vroegtijdig bewerkt en

verpleegt, maar den eersten braak laat liggen, voor uw hart de noodige

zorg niet draagt; indien gij de zaden, die u aangeboden worden, niet

aanneemt en aan den schoot der aarde toevertrouwt; of indien gij in dien

tijd, waarop de jonge kiem voor den dag komt, uwe handen in den schoot

laat rusten, in plaats van ijverig te begieten, te verwarmen, het

daartusschen groeijende onkruid te wieden, en elken morgen, iederen

avond vlijtig alles te verrigten wat voor den groei bevorderlijk kan

zijn,--als gij dat nalaat, hoe kunt gij dan billijkerwijze op bloesem,

op vruchten hopen?

Maar zelfs ingeval gij dat alles gedaan hadt, totdat de bloesem zich nu

werkelijk vertoonde en u voor uwe moeite en zorg beloonde,--dan blijft u

nog altijd veel te doen overig, en uwe zorgvuldigheid mag volstrekt niet

verslappen, uw ijver en vlijt niet verminderen, bijaldien gij later van

dien bloesem ook de zoete vruchten wenscht in te oogsten. Iedere

komende, iedere vertrekkende lente roepe u die vermaning voor den geest

terug; en zoo gij aan die waarschuwende stem het oor leent, dan zult gij

later niet vruchteloos op eenen gezegenden herfst hopen, en gij zult in

de eeuwige lente rijpe en vele vruchten medebrengen.

* * * * *

Het verwelken van de lente verwekt allezins een _weemoedig_ gevoel in

ons hart.

Wanneer men zooveel schoons en heerlijks, dat onze zinnen en ons gemoed

even sterk aantrekt en met reine vreugde vervult, ziet verdwijnen, hoe

zou het anders kunnen, of een zoodanig verlies moet smartelijke

gewaarwordingen bij ons doen oprijzen? Wij reikhalzen immers zoo langen

tijd naar de lente, waren zoo regt verblijd, toen zij eindelijk met

haren bloesem en liederen tot ons gekomen was, zoodat wij nu wel reden

tot droefheid hebben, wanneer zij ons wederom gaat verlaten, dewijl met

haar zoo veel lieflijks voor ons verloren gaat, en wij ons tot eenen

langen, somberen, kouden winter moeten voorbereiden, alvorens wij haar

andermaal mogen begroeten.

Diezelfde smartelijke gewaarwording, mijne lieven, welke gij gevoelt,

wanneer de lente afscheid van u neemt, diezelfde, zeg ik, zult gij ook

dan ondervinden, wanneer uwe gelukkige jeugd achter u ligt. Ja, zelfs

zal zij nog veel smartelijker zijn! Elk jaar keert de lentetijd terug;

maar de lente van ons leven, onze jeugd, eens voorbijgevlogen zijnde, is

voor altijd verdwenen. Geniet haar daarom met een vrolijk en onbezorgd

hart, geniet haar in volle maat, smaakt al dat genoegen wat zij ons kon

verschaffen! Maar geniet haar tevens op eene _verstandige_ wijze, opdat

gij later zonder berouw en met onverdeeld genoegen aan haar kunt

terugdenken, wanneer gij in latere jaren uw meeste geluk in de

herinnering aan vroegere tijden zult moeten zoeken.

* * * * *

Maar de vertrekkende lente verwekt ook eene _vrolijke aandoening_ in het

hart van den mensch, wanneer hij ten minste niet al zijne hoop en

vrolijke verwachtingen op aardsche belangen heeft gesteld, maar deze hem

boven het stof en de nietigheid van de aarde, waarop hij zich als een

gast, als een vreemdeling beschouwt, naar zijne blijvende woonplaats

opvoeren.

"Moge de eene lente voor, de andere na verwelken en ons verlaten," zoo

spreekt de ware Christen, "moge het jeugdige voorkomen van het ligchaam

en het leven verdwijnen; wat kan mij dit deren? Ik ken het land, alwaar

jeugd en lente eeuwig bloeijen, en weet, dat eene liefderijke hand daar

eene plaats voor mij heeft bereid, die niemand mij kan ontrooven, indien

ik hier op aarde mijne jeugd zóó besteed heb, als ik haar moest

besteden, wilde ik niet dor en onvruchtbaar naar het andere vaderland

vertrekken. Daarom mag ik ook niet treuren, vooral den moed niet laten

varen, omdat het schoone zoo snel verdwijnt, omdat de wintertijd in de

natuur en in mijn leven zoo spoedig aanwezig is!"

Zóó spreekt de Christen, en zoo _moet_ hij spreken; omdat deze aarde,

waar alles vergankelijk is, op welke de lente slechts eene snel

voorbijgaande verschijning is, hem, zooals hij vast en zeker weet, wel

voor eenigen tijd, maar niet voor altijd tot woonplaats is aangewezen.

+------------------------------------------------------------+

| |

| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |

| |

| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |

| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |

| moderniseren. |

| |

| Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn |

| stilzwijgend hersteld. Bladzijde-nummering is verwijderd. |

| |

| De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst |

| is in dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. |

| Het cursief is weergegeven als _cursief_. |

| |

| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |

| gecorrigeerd. |

| |

| De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: |

| (NB. regel 1 = 4 witregels voor begin titel): |

| |

| Plaats Bron Correctie |

| Regel 56 gelschap gezelschap |

| Regel 74 [Niet in bron] " |

| Regel 136 [Niet in bron] " |

| Regel 216 [Niet in bron] " |

| Regel 334 geboorte dag geboortedag |

| Regel 412 [Niet in bron] " |

| Regel 435 [Niet in bron] " |

| Regel 483 [Niet in bron] " |

| Regel 533 [Niet in bron] " |

| Regel 593 miet niet |

| Regel 695 lielde liefde |

| Regel 906 zondt zoudt |

| Regel 909 " [Verwijderd] |

| Regel 1103 neervleijen neêrvleijen |

| Regel 1130 daf dat |

| Regel 1136 miju mijn |

| Regel 1563 zon zou |

| Regel 1708 [Niet in bron] " |

| Regel 1709 " [Verwijderd] |

| Regel 1772 naahtegaal nachtegaal |

| Regel 1890 wijsste wijste |

| Regel 2335 bloemen-wereld bloemenwereld |

| Regel 2363 honderbladige honderdbladige |

| Regel 2371 ondekken ontdekken |

| Regel 2495 neerzetten neêrzetten |

| |

+------------------------------------------------------------+

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 33 / 33 题