Laat ons eindelijk de lente bij haar _verwelken_ en haar _vertrek_
gadeslaan.
Dit verdwijnen leert ons, dat al het schoone op aarde vergankelijk is en
maar korten tijd duurt. Het schoone is op deze wereld een vreemdeling,
die zijn vaderland in hoogere spheren moet zoeken. Gelijk de dag, nadat
hij zijne grootste lengte bereikt heeft, weder afneemt totdat de kortste
andermaal gekomen is, zoo ook viert de plant haren hoogsten levensstaat
in den bloeitijd; daarop vermindert zij en begint langzamerhand te
kwijnen en te verwelken. Hetzelfde is op de lente van toepassing. Met
het uitbloeijen van de rozen trekt zij weg, en het lied van den
lentezanger, den nachtegaal, verstomt. Wij worden haar vertrek niet
aanstonds gewaar, want zij vertrekt stil en ongemerkt, en heeft aan
haren broeder, den zomer, opgedragen, ons nog menige liefelijke bloem te
komen brengen, opdat haar gemis ons niet te zeer zou bedroeven. Maar wat
heeft zij ons dan nu eigenlijk gebragt? Schonk zij ons niets anders dan
bloemen die spoedig verwelken, niets dan vergankelijken bloesem? Liet
zij geen enkel aandenken achter, dat ons haar bezoek levendig konde
herinneren?
Neen, zij bragt ons iets anders, iets beters! De bloesem, met welken zij
het plantenrijk tooide, moet ons niet alleen een fraai schouwspel
aanbieden, ons oog bekoren door de pracht die deze uitstortte, maar
moet, na die pracht en schoonheid verloren te hebben, iets achterlaten
hetgeen ons daarvoor schadeloos kan stellen, te weten _de vruchten_, die
zich uit den bloesem ontwikkeld hebben. Ziet eens naar dien kerseboom,
die vóór weinige weken in zijn feestgewaad prijkte, hoe rijk hij met
vruchten beladen is, hoe deze met elken dag vooruitkomen en bijna met
ieder uur meer schijnen te rijpen. Binnen een klein tijdsverloop zullen
wij ons aan de vruchten van dienzelfden boom kunnen vergasten, op welks
bloesem ons oog vroeger in verrukking bleef staren. Aldus ging de lente
ongemerkt voorbij, maar liet ons toch veel achter, waardoor wij ons
dankbaar harer herinneren.
Hoe zal het nu zijn, wanneer de lente van uw leven, uwe jeugd,
verstreken is? Zullen dan ook rijpe vruchten de plaats van den bloesem
vervangen hebben? O, hoe treurig zou het wezen, bijaldien de boom van uw
leven enkel _gebloeid_ hadde, en hij in lateren tijd geene _vruchten_
droeg! Wat zou de herfst dan kunnen opleveren? Wat zoudt gij kunnen
inoogsten? Wanneer de Heer u ten laatste oproept, om rekening van uw
levensgedrag te doen, hoe beschaamd zoudt gij voor Hem moeten staan,
indien gij niets hadt overgewonnen en met ledige handen kwaamt? In den
tuin van uw leven staat immers geen enkele boom, die geene welige
vruchten belooft; elke doornachtige struik bloeide toch alleen daarom,
ten einde in den herfst ook zijne vruchten of zijn zaad te kunnen
opleveren? En zou dan uwe jeugd vervliegen, zonder gegronde hoop op
eenen gezegenden, vruchtbaren herfst aan te bieden; zou zij niets
anders, dan een enkele bloeitijd geweest zijn? O, zoo dit het geval
wordt, dan zal het zekerlijk geheel en al uwe eigen schuld wezen! Gij
hebt dan òf volstrekt geenen bloesem gedragen, òf dien niet met de
noodige zorgvuldigheid tegen storm, nachtvorst en nadeeligen dauw
beschut. Doch de jeugd _moet_ bloesem dragen, want daartoe is de
menschelijke natuur bestemd; en alles, wat schadelijk voor haar is of
zou kunnen worden, dat kan men tegengaan, wanneer een krachtige,
onwrikbare wil, wanneer een onvermoeide ijver ons aanspoort. En
desniettegenstaande verstreek de jeugd van menigeen zonder bloesem.
Helaas, de ondervinding leert ons dit nog altijd, hoewel, gelukkig! de
gevallen zeldzaam zijn. Maar, zult gij welligt vragen, draagt de
menschelijke natuur de schuld daarvan, of moet ik welligt de oorzaak in
den Schepper zoeken? O, dat volstrekt niet! Doch wanneer deze beiden
geene schuld hieraan hebben, in wien of wat moeten wij die dan zoeken?
Helaas! in ons menschen zelven. Daarmede is het aldus gelegen: de geest
en het hart van den mensch gelijken naar de aarde, die hij bewoont.
Wanneer deze niet vlijtig en zorgvuldig bewerkt, niet bezaaid en
onophoudelijk verpleegd wordt, dan blijft zij dor en onvruchtbaar, en
brengt niets op dan onkruid, dat, wel is waar, ook vruchten draagt, doch
enkel zoodanige, die geene waarde hebben, die men, omdat zij tot niets
deugen, laat rotten of als vuilnis wegwerpt. Ook kunt gij geest en hart
bij eenen boom vergelijken. Als deze niet verpleegd wordt, als men de
overtollige takken niet op den bestemden tijd afsnoeit, als men hem
gebrek aan voedsel laat lijden, en de schadelijke insecten, die zich er
op neêrzetten, niet tijdig verjaagt,--dan kan het ligt, ja, zal het
bijkans immer gebeuren, dat hij geenen bloesem draagt, dat hij van dag
tot dag wegkwijnt, verdort, in den herfst ziek is en volstrekt geene
vruchten oplevert.
Die zaaigrond, die boom, mijne lieven, zijn de zinnebeelden van uwen
geest en van uw hart. Indien gij beide niet vroegtijdig bewerkt en
verpleegt, maar den eersten braak laat liggen, voor uw hart de noodige
zorg niet draagt; indien gij de zaden, die u aangeboden worden, niet
aanneemt en aan den schoot der aarde toevertrouwt; of indien gij in dien
tijd, waarop de jonge kiem voor den dag komt, uwe handen in den schoot
laat rusten, in plaats van ijverig te begieten, te verwarmen, het
daartusschen groeijende onkruid te wieden, en elken morgen, iederen
avond vlijtig alles te verrigten wat voor den groei bevorderlijk kan
zijn,--als gij dat nalaat, hoe kunt gij dan billijkerwijze op bloesem,
op vruchten hopen?
Maar zelfs ingeval gij dat alles gedaan hadt, totdat de bloesem zich nu
werkelijk vertoonde en u voor uwe moeite en zorg beloonde,--dan blijft u
nog altijd veel te doen overig, en uwe zorgvuldigheid mag volstrekt niet
verslappen, uw ijver en vlijt niet verminderen, bijaldien gij later van
dien bloesem ook de zoete vruchten wenscht in te oogsten. Iedere
komende, iedere vertrekkende lente roepe u die vermaning voor den geest
terug; en zoo gij aan die waarschuwende stem het oor leent, dan zult gij
later niet vruchteloos op eenen gezegenden herfst hopen, en gij zult in
de eeuwige lente rijpe en vele vruchten medebrengen.
* * * * *
Het verwelken van de lente verwekt allezins een _weemoedig_ gevoel in
ons hart.
Wanneer men zooveel schoons en heerlijks, dat onze zinnen en ons gemoed
even sterk aantrekt en met reine vreugde vervult, ziet verdwijnen, hoe
zou het anders kunnen, of een zoodanig verlies moet smartelijke
gewaarwordingen bij ons doen oprijzen? Wij reikhalzen immers zoo langen
tijd naar de lente, waren zoo regt verblijd, toen zij eindelijk met
haren bloesem en liederen tot ons gekomen was, zoodat wij nu wel reden
tot droefheid hebben, wanneer zij ons wederom gaat verlaten, dewijl met
haar zoo veel lieflijks voor ons verloren gaat, en wij ons tot eenen
langen, somberen, kouden winter moeten voorbereiden, alvorens wij haar
andermaal mogen begroeten.
Diezelfde smartelijke gewaarwording, mijne lieven, welke gij gevoelt,
wanneer de lente afscheid van u neemt, diezelfde, zeg ik, zult gij ook
dan ondervinden, wanneer uwe gelukkige jeugd achter u ligt. Ja, zelfs
zal zij nog veel smartelijker zijn! Elk jaar keert de lentetijd terug;
maar de lente van ons leven, onze jeugd, eens voorbijgevlogen zijnde, is
voor altijd verdwenen. Geniet haar daarom met een vrolijk en onbezorgd
hart, geniet haar in volle maat, smaakt al dat genoegen wat zij ons kon
verschaffen! Maar geniet haar tevens op eene _verstandige_ wijze, opdat
gij later zonder berouw en met onverdeeld genoegen aan haar kunt
terugdenken, wanneer gij in latere jaren uw meeste geluk in de
herinnering aan vroegere tijden zult moeten zoeken.
* * * * *
Maar de vertrekkende lente verwekt ook eene _vrolijke aandoening_ in het
hart van den mensch, wanneer hij ten minste niet al zijne hoop en
vrolijke verwachtingen op aardsche belangen heeft gesteld, maar deze hem
boven het stof en de nietigheid van de aarde, waarop hij zich als een
gast, als een vreemdeling beschouwt, naar zijne blijvende woonplaats
opvoeren.
"Moge de eene lente voor, de andere na verwelken en ons verlaten," zoo
spreekt de ware Christen, "moge het jeugdige voorkomen van het ligchaam
en het leven verdwijnen; wat kan mij dit deren? Ik ken het land, alwaar
jeugd en lente eeuwig bloeijen, en weet, dat eene liefderijke hand daar
eene plaats voor mij heeft bereid, die niemand mij kan ontrooven, indien
ik hier op aarde mijne jeugd zóó besteed heb, als ik haar moest
besteden, wilde ik niet dor en onvruchtbaar naar het andere vaderland
vertrekken. Daarom mag ik ook niet treuren, vooral den moed niet laten
varen, omdat het schoone zoo snel verdwijnt, omdat de wintertijd in de
natuur en in mijn leven zoo spoedig aanwezig is!"
Zóó spreekt de Christen, en zoo _moet_ hij spreken; omdat deze aarde,
waar alles vergankelijk is, op welke de lente slechts eene snel
voorbijgaande verschijning is, hem, zooals hij vast en zeker weet, wel
voor eenigen tijd, maar niet voor altijd tot woonplaats is aangewezen.
+------------------------------------------------------------+
| |
| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
| |
| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
| moderniseren. |
| |
| Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn |
| stilzwijgend hersteld. Bladzijde-nummering is verwijderd. |
| |
| De in het origineel als uitgespatieerde weergegeven tekst |
| is in dit e-boek weergegeven als =uitgespatieerd=. |
| Het cursief is weergegeven als _cursief_. |
| |
| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
| gecorrigeerd. |
| |
| De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst: |
| (NB. regel 1 = 4 witregels voor begin titel): |
| |
| Plaats Bron Correctie |
| Regel 56 gelschap gezelschap |
| Regel 74 [Niet in bron] " |
| Regel 136 [Niet in bron] " |
| Regel 216 [Niet in bron] " |
| Regel 334 geboorte dag geboortedag |
| Regel 412 [Niet in bron] " |
| Regel 435 [Niet in bron] " |
| Regel 483 [Niet in bron] " |
| Regel 533 [Niet in bron] " |
| Regel 593 miet niet |
| Regel 695 lielde liefde |
| Regel 906 zondt zoudt |
| Regel 909 " [Verwijderd] |
| Regel 1103 neervleijen neêrvleijen |
| Regel 1130 daf dat |
| Regel 1136 miju mijn |
| Regel 1563 zon zou |
| Regel 1708 [Niet in bron] " |
| Regel 1709 " [Verwijderd] |
| Regel 1772 naahtegaal nachtegaal |
| Regel 1890 wijsste wijste |
| Regel 2335 bloemen-wereld bloemenwereld |
| Regel 2363 honderbladige honderdbladige |
| Regel 2371 ondekken ontdekken |
| Regel 2495 neerzetten neêrzetten |
| |
+------------------------------------------------------------+