De _wording_ of _komst_ der lente is geheimzinnig. Wel kennen wij de
hand, die haar in het aanzijn roept, maar wij zien die niet. Het is
dezelfde hand, die eens hemel en aarde met alles wat daarin is en zich
daarop bevindt, vormde; te weten, de hand van den almagtigen, alwijzen
en algoeden God. Jaar aan jaar herhaalt de groote God de schepping in
het klein, wanneer Hij der aarde op eene voor ons onbegrijpelijke wijze
een nieuw leven schenkt, wanneer Hij uit den oogenschijnlijk dooden
schoot der aarde de lente, vol levenskracht en in alles een nieuw leven
stortende te voorschijn roept. Maar hoe het komt, dat alles aldus wordt,
zoo als wij het later aantreffen, en welke de oorzaken zijn, waardoor
deze schepping, zoo rijk aan schakeeringen, op dezelfde wijze
voortgaat,--dat kan het verstand van eenen mensch, ware hij ook de
wijste van de geheele wereld, niet doorgronden, ja, niet eens eenigzins
verklaren.
Want Gods plannen onderkent de mensch enkel uit Zijne werken, maar de
gronden en beginselen kan hij niet doorzien. Daarom staat hij verstomd
over de magt, bewondert de onbegrijpelijke wijsheid, bidt de in alles
doorstralende liefde aan. Verder evenwel kan hij niet gaan. Of kan
iemand van mijne jeugdige lezers en lezeressen mij zeggen, hoe het
komt, dat uit dien kleinen, onoogelijken bol, welken ik in den grond heb
gezet, nu eene zoo fraai gekleurde bloem opgroeit, gelijk de tulp is, of
welke andere gij ook wilt? Wiens hand heeft de prachtige kleuren zoo
kunstig daarop gelegd, de eene vlak bij de andere plaatsende, zonder dat
zij toch ergens in elkander vloeijen, maar iedere op zich zelve staat,
en het geheel u daardoor evenzeer bekoort als verrukt? Wiens hand deed
dit?
De _hand des Scheppers_, de hand van Dengene, die in het verborgen Zijne
grootsche plannen ten uitvoer brengt en alles ten fraaiste rangschikt en
daarstelt! Dezelfde hand heeft mede in den grond, die gedurende den
winter bevrozen en verstijfd lag, even als een lijk, nieuwe levenskracht
gegoten, het vermogen tot het op nieuw vormen en doen groeijen in
denzelven gelegd, zoodat de oppervlakte zich nu overal met frisch groen,
met jong gras en nieuwe bloemen versiert, zoodat het kale dorre woud nu
wederom eene rijke menigte van frissche, groene bladeren heeft gekregen.
En gelijk alles wat geheimzinnig is, den mensch altijd aantrekt en zijne
opmerkzaamheid boeit, zoo doet de ondoorgrondelijke wording der lente
dit ook in groote mate. Wij zouden zoo gaarne dien donkeren sluijer
optillen en zien, wat er onder ligt; wij spannen daartoe al onze
krachten in,--en vinden juist in dat streven een duurzaam genot, hetwelk
onbekend blijft aan dengene, wiens zin en geest geene opmerkzaamheid,
geene onophoudelijke belangstelling aan de verschijnselen der natuur
schenken.
In meer dan een opzigt is de wording der lente _leerrijk_ voor ons.--Wij
merken bij haar eenen trapswijzen voortgang op. Eerst smelt de sneeuw
in de dalen en de laag gelegen gronden, later op hoogere plaatsen en
bergen. Alsdan ontwaart men overal bijkans niets anders dan een treurig
geel op weiden en akkers. Doch zoodra de vorst en koude eenige dagen
zijn geweken, wanneer de zon ons vriendelijk toelacht, hare stralen
meerdere kracht bekomen en een zachte regen gevallen is,--dan schieten
overal groene halmen op, dan ontwaken boomen en struiken en heggen, dan
ontvouwt de sneeuwbloem haar wit kroontje van bloesem, dat dikwijls
zelfs te midden der sneeuw ontloken is, wanneer deze in eenig jaar
langer dan gewoonlijk is blijven liggen. Gaat men eenige dagen daarna op
nieuw uit, dan wordt men overal grooten vooruitgang gewaar. Op zonnige
plekken is de grond dan alreeds met jong groen bedekt, hetwelk met magt
opschiet, als wilde het van de kleine hoogte, waarop het staat, naar de
anderen uitzien, opdat het zich minder eenzaam zoude voelen. De knoppen
ontwikkelen zich van dag tot dag, de bosschen nemen eene eigenaardige,
bruine kleur aan, en schijnen gedurig digter en digter te worden. Aan de
heggen bespeurt het oog reeds menig blaadje, dat moedig uit het
omkleedsel naar buiten kijkt, en zich thans aan de frissche lucht en het
lieve zonlicht eens regt verkwikt. Uit verre streken komen gedurig
meerdere boden aan, die vrolijk de spoedige komst der lente
boodschappen. De vink, wiens keel gedurende den langen winter scheen
toegevroren te zijn, laat zich wederom hooren en slaat zoo krachtig, dat
het ver door het bosch heenklinkt. Ziet, na den regen, die in den
afgeloopen nacht is gevallen, heeft gindsche struik, welke op den
vorigen dag nog geheel kaal was, zich nu met eene menigte groene
blaadjes versierd, en schijnt zich nu eens regt te verheugen, dat zij
eindelijk weêr een nieuw en zoo schoon kleed heeft bekomen, naar hetwelk
zij, zoolang de barre winter duurde, zoo vurig wenschte.
En nu, daar het Paaschfeest, hetwelk ons menschen de opstanding, het
overgaan tot een nieuw leven herinnert, dat ons daarvan een heilig
voorbeeld vermeldt, nu dat, zeggen wij, gekomen is, wil de natuur ook
het feest van hare herleving vieren, en alles zal tot een nieuw leven
terugkeeren, hetgeen de ijzeren hand van den winter in eenen toestand
verplaatste, die veel overeenkomst heeft met den dood. Thans zal alles
zich verjeugdigd voordoen, en, in het groene gewaad van de hoop gekleed,
een vrolijk beeld van het leven worden. Maar nu wil geen enkel plekje in
den tuin langer die gele kleur behouden; het wordt iederen dag meer en
meer groen geverwd, en de knoppen aan de boomen springen open, en willen
zich als bloesem aan ons oog vertoonen.
Hieruit zien wij dan nu, dat de natuur trapsgewijze haar lenteachtig
voorkomen aanneemt.
Maar hoe of waarom kan die trapsgewijze wording van de lente leerrijk
voor ons menschen zijn?
Ik zal trachten u dit duidelijk te maken.
Daar zijn menschen, en hun getal is alles behalve gering, die
alles,--slechts geen geduld, geene bestendigheid hebben. Dit gebrek
treft men voornamelijk bij kinderen aan. Zoo, bij voorbeeld, wordt de
kleine Karel naar de school gezonden, om spellen, lezen en schrijven te
leeren. Hij zelf gevoelt grooten lust om dit te leeren, wil zulks regt
gaarne kennen; maar--het moest niet weken en maanden duren, neen! hij
moest het binnen een paar dagen kunnen leeren. Daar dit evenwel niet
geschieden kan, zoo wordt hij moedeloos, verliest al zijn geduld, en
zelfs, hetgeen nog het ergste is, zijnen lust en ijver. Waarop zal dat
nu uitloopen? O, mijn lieve Karel, gij handelt regt dwaas! en dat dit
wezenlijk waar is, dat kan de natuur u zeggen. Is de lente, die thans
rondom u staat te pronken, is deze eensklaps zoo geworden, of van
lieverlede? Zie, eerst vertoonde zich een halmpje, den volgenden dag een
tweede en derde, alstoen kwamen er dagelijks meerdere te voorschijn,
totdat alles daarvan zoo rijkelijk voorzien is, gelijk het zich heden,
in de maand Mei, aan u voordoet. Nu, hoe zoude het zijn, indien gij de
handelwijze der natuur tot voorbeeld naamt, en heden eene, morgen nog
eene, of wel twee, dan drie, vier, vervolgens nog meer letters leerdet,
totdat het geheele alphabet u goed bekend was. Dan kondt gij overgaan
tot het spellen, en, na weinige weken, reeds tot het lezen, wanneer gij
ten minste ijverig en vlijtig waart en het noodige geduld wist te
gebruiken. Dat zou ook eene soort van lente voor u zijn, want uit de
letters kan men zich eene zeer groote wereld bouwen, op welke eene lente
bloeit, die nog schooner en vooral veel bestendiger is dan de aardsche.
En gelijk Karel hier een voorbeeld tot navolging vindt, zoo vinden ook
anderen, zij mogen dan Karel, Frits of Hendrik heeten, voor gevallen van
eenen anderen aard voorbeelden, welke even toepasselijk zijn, niet
alleen nuttig voor hunnen jeugdigen leeftijd, maar voor hun geheele
leven tot aan het graf.
Daarom dus, mijne lieven! wanneer gij u tot eene betrekking in de
maatschappij bekwaam maakt, hetzij tot een ambt, hetzij tot eenige
kunst, of wat gij ook moogt gekozen hebben, en het naar uwe meening niet
spoedig genoeg vooruitgaat, waardoor gij op het punt staat, uw geduld
en daarmede allen lust en ijver te verliezen;--denkt dan maar altijd aan
de lente, hoe zij allengs komt en langzaam vooruitgaat, aan het
prachtige tooneel dat zij vertoont, nadat zij zich alzoo gedurende
eenigen tijd langzaam heeft ontwikkeld; want dan zult gij nieuwen moed
scheppen, en datgene door uwen vasten wil en onafgebroken inspanning van
krachten verkrijgen en tot stand brengen, wat u vroeger bijna onmogelijk
toescheen. Gelooft mij, dit is reeds dikwerf gelukt; en wat den eenen
gelukt is, dat kan eenen anderen ook niet mislukken, indien hij het maar
verstandig en geduldig aanlegt. Het groote wordt niet opeens
daargesteld: het ontwikkelt zich trapswijze uit het kleine, zoo als de
forsche, statige eik met zijne vorstelijke kroon van dik loof eerst na
verloop van eene eeuw uit den kleinen, oogenschijnlijk
nietsbeteekenenden eikel ontstaat.
Het schoone heeft geenen korteren tijd noodig om zich te volmaken.
Hoevele maanden toch verloopen er, voordat de roos, de schoonste onder
de bloemen, zich gevormd heeft! Eerst omkleedt de doornachtige struik
zich met frissche blaadjes, dan botten de knoppen uit, en ten laatste,
na eene aanzienlijke tijdruimte, ontvouwt de roos zich in hare
betooverende schoonheid, algemeene bewondering wekkende.
Ditzelfde geldt wederom van het goede, het nuttige.
Ook dit behoeft, gelijk het ooft, eenen niet geringen tijd om goed rijp
te worden.
En op die wijze treffen wij eene zoodanige trapsgewijze wording,
hoedanige in de natuur wordt waargenomen, overal in het leven aan, in de
jeugd en in den ouderdom; en het zou daarom eene groote dwaasheid zijn,
indien wij van het zaadje, dat zich naauwelijks begint te ontwikkelen,
dadelijk reeds bloesem gingen begeeren.
Echter moeten wij niet uit het oog verliezen, dat eene trouwe,
zorgvuldige verpleging de ontwikkeling aanmerkelijk bevordert. Deze
moeten wij derhalve ook aan het groote, het goede, het schoone nooit
onthouden, en vooral niet aan die krachten en den zoodanigen aanleg,
welke op deze aarde nimmer tot geheele volmaking kunnen gebragt worden,
maar die wij eerst aan gindsche zijde van het graf, bij de zachte
koestering eener nieuwe, eeuwigdurende lente, bereiken.
Zoo wij dat doen, dan zal de zegen van den grooten Vader, zonder welken
niets kan gedijen, zekerlijk niet uitblijven, en zullen de heerlijkste
vruchten ons de moeite en zorg, welke wij aan die verpleging hebben te
koste gelegd, ruimschoots beloonen.