OVERDENKING IN DEN SCHOONEN LENTETIJD.

Geen der vier tijdperken, waarin het jaar verdeeld wordt, is zoo schoon,

zoo verrukkelijk, als de lente. Wie zou den heeten, brandenden zomer

boven haar verkiezen? Wie den winter, welke ten hoogste sledevreugd en

ijsvermaak aanbiedt, doch overigens meestal somber, koud of stormachtig

is? Ja, zelfs de herfst, die toch ooft, allerlei vruchten en etenswaren

brengt, kan met dit aanvallige, bloeiende kind van het jeugdige jaar

niet vergeleken worden. Hebt gij immers niet, mijne lieven! den geheelen

winter door naar hare verblijdende komst gereikhalsd? Was het niet een

geluid, dat u als zoete melodij in het oor klonk, toen de wind, die den

dooi voorafging, begon te bulderen? Was het niet een gewenscht

schouwspel, toen de sneeuw, die u reeds lang verveeld had, het eerst op

de landen begon weg te smelten? Toen immers huppeldet gij elken morgen,

zoodra gij het bed had verlaten, naar het venster, om te zien, of het

daar buiten er nu minder winterachtig zou uitzien; en als gij u

overtuigd hadt, dat zulks werkelijk het geval was, alsdan, niet waar?

riept gij elkander hartelijk verblijd en verheugdet u gemeenschappelijk.

Juichende ontvingt gij den ooievaar, die u uit verre landen tijding van

de lente kwam brengen. Gij sprongt op van vreugde bij de eerste toonen,

die de leeuwerik in de heldere lucht deed hooren. Elk groen halmpje, dat

gij ontdektet, ieder blaadje, dat sedert den vorigen dag was uitgekomen,

bragt u nieuw genoegen. En toen nu de krokussen, toen nu eindelijk de

viooltjes voor den dag kwamen, toen kende uwe vreugde paal noch perk, en

herhaaldelijk gingt gij elken dag met nieuwe blijdschap naar die eerste

kindertjes van het voorjaar kijken, hoewel hunne kleur nog niet die

schoonheid bezat, welke hun later zoo doet uitmunten, hoewel hun geur

weinig en bijna onmerkbaar was. Spoedig kwamen tallooze andere te

voorschijn; zweefde de vlinder door de lucht, veel naar eene gevleugelde

bloem gelijkende; vernam men den schellen slag der vinken; ontsproten

dagelijks nieuwe halmen, ontloken bloemen, werd het gras in de tuinen en

op de weiden meer en meer welig;--en nu werd de hoop op de spoedige

komst der lente immer levendiger, van dag tot dag meer gegrond.

Doch MAART bragt meestendeels donkere, regenachtige dagen; sneeuwbuien,

min of meer sterk, bedekten herhaalde keeren den grond, hoewel dan ook

voor korten tijd, en eerst later begon de zon zacht en groeizaam te

schijnen, waardoor de sneeuw overal verdween, en de aarde aan haar

zomergewaad begon te denken, waarmede zij zich op enkele plaatsen reeds

getooid had.

Ook de maand APRIL had hare oude gewoonte niet afgelegd; zij zond bij

afwisseling sneeuwvlokken, hagelsteenen, regen en zonneschijn; en

dikwijls overviel u spoedig eene sneeuwbui, terwijl gij bij zonneschijn

en eenen helderen hemel waart uitgegaan. Middelerwijl zijn de zwaluw en

ook de nachtegaal aangekomen, en hebt gij op dat gezigt verblijd

uitgeroepen: "nu, nu is de lente zoo goed als begonnen! want deze beide

vogeltjes zijn de laatste voorboden van de zachtaardige en lieflijke

vorstin, die haren troon, in tegenoverstelling van den grijzen

winterkoning, wijd en zijd, vrolijk en lustig opslaat. De lucht is ook

alreeds oneindig zachter geworden, de zware, sombere regenwolken trekken

weg, de zon breekt door en schijnt bij het ondergaan ons eenen nog veel

schooneren dag voor morgen te beloven!"

Zoo riept gij vrolijk uit; en gij zijt in uwe verwachting niet

teleurgesteld geworden. Met haar is de lente in al hare praal en

heerlijkheid verrezen. Nu trekt de geheele aarde haar lentekleed aan;

duizendtallen van zangers begroeten de aangekomene met vrolijke

liederen; de vloed roept haar ruischend het welkom toe; en hoog in de

lucht ziet de arend met zijne scherpe blikken naar de aarde neder, hoe

daar millioenen knoppen en bladeren heinde en ver ontluiken, als ware

het, om hunne geuren als een offer van innig gevoelde dankbaarheid op

het altaar der Lente uit te storten. Laat ons ook haar alzoo begroeten

met een van vreugde kloppend hart, en dat zij ons hartelijk welkom moge

wezen op onze aarde, die zij zoo overheerlijk met frisch groen, bloemen

en bloesems van ontelbare soorten versiert; en wanneer zij ons wederom

verlaat, laat ons dan zorg dragen, dat wij eenen vollen, geurigen

ruiker, dien wij tijdens haar verblijf plukten, tot een aandenken aan de

welkome bezoekster in de hand houden, welke ook dan nog bloeit en geur

verspreidt, wanneer alle aardsche lenten ons reeds voorbijgevlogen

zijn!

Het zal, geloof ik, niet onaardig zijn, indien wij de lente in hare drie

onderscheidene tijdperken beschouwen; namelijk in hare _wording_ of

_komst_, in haren _bloei_, en in haar _verwelken_ of haar _vertrek_.

In elk van deze drie tijdperken heeft zij hare eigenaardigheden, en

spreekt op eene andere wijze tot onzen geest, ons gemoed en onze zinnen.

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 29 / 33 题