Wij zullen den graaf niet gedurende zijne terugreis naar het vaderland
vergezellen. Het zij genoeg, dat wij onzen lezers zijne behouden
terugkomst aldaar mededeelen. Hij vernam, dat men hem overal voor dood
hield; weshalve hij het als zeer noodzakelijk beschouwde, dat de tijding
van zijn leven en zijne aankomst aan zijne familie met groote
voorzigtigheid werd bekend gemaakt.
Hij wendde zich te dien einde aan den heer Horst, eenen vriend uit
zijnen jeugd, die, niet ver van den rijweg, een paar mijlen van
Sterreveld, woonde. Het verschafte den heer Horst eene onbeschrijfelijke
vreugde, dat hij den doodgewaanden vriend gezond en levend mogt
begroeten. Hij gaf August groot gelijk, toen deze hem had medegedeeld,
dat hij, voorzigtigheidshalve, zich tot eenen derde had gewend, om de
verblijdende tijding aan zijne moeder en zijne zusters bekend te maken.
Volgaarne nam hij dezen last op zich.
Beiden kwamen nu overeen, dat mevrouw Horst en hare zuster nog dien
eigen dag naar Sterreveld zouden rijden, om de gravin en hare dochters,
bij welke zij dikwijls een bezoek gingen afleggen, op het terugkomen
van den doodgewaanden zoon en broeder voor te bereiden. Tegen den avond
vertrokken August en de heer Horst ook derwaarts. De tijding, dat graaf
August van Sterreveld nog in leven was en denzelfden avond verwacht
werd, had zich, om zoo te spreken, als een loopend vuurtje door het
graafschap verspreid. Toen August met zijnen vriend het slot naderde,
zag hij, dat men reeds eene eerepoort van frisch groen voor hem had
opgerigt, die met allerlei bloemen was versierd. Eene menigte van
landlieden begroetten hem met luide jubeltoonen. Onder aan de poort van
het slot stond de gravin met hare dochters. Bijna de geheele adel uit
den omtrek had zich bij haar gevoegd. In sprakelooze verrukking klemde
de gravin den voor haar als uit het graf verrezenen zoon aan het hart.
Zich van haar losmakend, zonk August in de armen zijner zuster. Geen
enkel oog bleef bij deze gelegenheid droog!
Ook George werd door het landvolk met groote vreugde en luid gejuich
verwelkomd. "Ei, zie eens aan!" riepen eenige jonge boeren, die met hem
waren opgegroeid, "daar is hij ook weer!" "Nu, wij danken God, dat gij
gezond en wel weer hier zijt!"
Het volk omringde hem aan alle kanten en ieder beijverde zich om hem de
hand te drukken. "Sakkerloot!" riep George ten laatste uit: "drukt mij
nu maar niet dood!" Vriendelijk en trouwhartig ging hij den geheelen
kring rond, en schudde ieder hartelijk de hand. "Maar," vroegen allen
hem thans, "hoe zijt gij toch zoo gelukkig aan het doodvriezen en het
verhongeren ontkomen?" "Ei," antwoordde hij, "door de goedheid en hulp
van eenen rijken Russischen edelman. Maar," zoo vervolgde hij, "wat
zult gij nu wel zeggen, als ik u verhaal, dat deze deftige Russische
heer in vroegeren tijd geiten heeft gehoed, en dat wel in deze streken?"
"Wat?" riepen allen verbaasd uit, "is het mogelijk!" "Ja, ja," luidde
het antwoord van George, "en de meesten van u hebben hem zeer goed
gekend! Dirk Snel, de arme herdersknaap, is tegenwoordig een groot heer,
een Russisch edelman! Gij ziet, dat een mensch het ver kan brengen, die
een braaf hart, een goed verstand en daarbij lust en liefde voor den
arbeid heeft. Laat het voorbeeld van Dirk Snel ons allen tot navolging
aansporen!"
Toen George deze woorden gesproken had, ontstond en eene groote
opschudding onder het volk; want zijne ouders drongen thans door de
landlieden heen, om hunnen zoon te bereiken. Zoodra George bij den heer
Horst was aangekomen, had hij eenen bode naar zijne ouders gezonden, die
hun zijne terugkomst zou bekend maken. Vader en moeder sloten hem
beurtelings in de armen, en bragten hem, terwijl hij in hun midden ging,
juichende naar hunne woning.
Middelerwijl hadden de gravin, hare zoon, de freules, de tegenwoordig
zijnde adel, de ambtenaren en geestelijken zich naar de groote zaal
begeven, waar August zijne ontmoetingen uitvoerig moest verhalen. Met
groote levendigheid en innige aandoening schilderde hij de dankbaarheid
en het edelmoedige gedrag van den heer van Koslou, den voormaligen
herdersknaap.
"Waarlijk," merkte de heer Horst aan, "dat is een zeer buitengewoon
voorbeeld van dankbaarheid! Echter vrees ik, dat dit geval tot de
uitzonderingen behoort. Zulke dankbare armen zal men maar weinig in de
wereld aantreffen!"
"Het is mogelijk, dat gij gelijk hebt," antwoordde de gravin. "Zulks
moet ons echter nooit beletten, weldadig te zijn. Ook dan, wanneer wij
geene dankbaarheid ondervinden, is en blijft weldadigheid een
godgevallig werk!"
Mevrouw Horst zeide: "even buitengewoon als, in dit geval, de
dankbaarheid van den beweldadigde was, even zoo zeldzaam, edel,
verstandig en teergevoelig was de wijze, waarop de familie van
Sterreveld hare weldaden bewees. Daarom bragt deze, naar mijn inzien,
zulke heerlijke vruchten voort."
Doch de gravin hernam: "wat wij deden, was weinig! In het vervolg willen
wij echter zoo weldadig jegens de armen zijn, als onze krachten maar
toelaten. Wie rijkelijk zaait, zal altijd, hetzij hier, hetzij aan
gindsche zijde van het graf, ook rijkelijk oogsten!"
Toen het talrijke gezelschap langzamerhand vertrokken was, sprak August:
"laat ons nu nog eenige oogenblikken naar den tuin gaan, en in uw
lievelingsboschje vertoeven! Gij, lieve moeder, waart vroeger althans
gewend, nadat gij gezelschap hadt gehad, nog eenen tijd lang in den
kleinen kring uwer kinderen het zoet genot der stille, huiselijke
vreugde te smaken. Dezen avond kunnen wij zoo regt vrolijk en hartelijk
bij elkander zitten! Op die afgrijselijke sneeuwvelden reikhalsde ik
vaak naar u en mijne dierbare zusters; en dan verrees vaak het beeld van
ons bekoorlijk boschje voor mijnen geest."
[Illustratie]
Zij gingen in den tuin, en doorwandelden onder gesprekken, die van
innige liefde getuigden, de lanen van het naburige boschje. Reeds ging
de zon onder, en hare stralen kleurden bloesems en bladeren rood. Alles
was kalm en stil. Zacht woei het windje; liefelijk geurden de
bloemen;--daar begon de nachtegaal te slaan!
De gravin vouwde de handen en sprak: "o mijn zoon! wat is er niet
gebeurd sedert het uur, waarop wij hier den nachtegaal voor den eersten
keer hoorden slaan! En dit uur ziet ons thans allen weer op diezelfde
plaats vereenigd, en wederom laat de nachtegaal zich hooren! Hoe hadde
ik toenmaals bij mogelijkheid kunnen vermoeden, dat God, de Almagtige,
in zekeren zin door het gezang van den nachtegaal uwe redding van eenen
ijselijken dood in latere tijden zou bewerken. Zoo bestuurt en beschikt
de wakende hand der Voorzienigheid al onze aangelegenheden! Aanbidding,
lof, prijs en dank zij den liefdevollen Hemelvader toegebragt, die alle
vogels onder den uitgestrekten hemel onderhoudt, maar zijne kinderen, de
menschen, nog oneindig meer bemint, en alles, wat gebeurt, vol wijsheid
en liefde voor hen ten beste schikt. Het gezang van elken vogel, ieder
zingende nachtegaal roepe ons derhalve dit toe: lof en prijs en eer zij
den Allerhoogste door zijne dankbare kinderen toegebragt!"