Vervolg van het gesprek tusschen den graaf en Koslou.
Graaf August had met groote belangstelling naar dit verhaal geluisterd.
Toen Koslou eindigde, sprak hij: "God heeft u waarlijk uitstekende
talenten geschonken! Reeds toenmaals, toen het hoeden van geiten uwe
eenige bezigheid was, kon een scherpzinnig opmerker in den armen knaap
een nuttig en achtingwaardig lid der maatschappij voor de toekomst
voorzien. Tijdens ons dat kleine ongeval op onze reis overkwam--toen gij
ons zoo snel te hulp ijldet, op alles, wat u gevraagd werd, een voldoend
antwoord wist te geven, goeden raad gaaft, zelf vaardig de hand mede aan
het werk sloegt, en later den wensch van mijne moeder met zoo veel
geschiktheid wist te bevredigen,--werden wij, wel is waar, opmerkzaam op
uwen persoon, maar toch vermoedde ik in dien tijd niet, dat Dirk Snel,
de arme herdersknaap, zoo grooten aanleg bezat tot het uitvoeren en
ondernemen van de uitgestrektste plannen; toch zoude ik het bijna als
onmogelijk beschouwd hebben, dat ik Dirk Snel eenmaal als den heer van
Koslou zou moeten begroeten! Uit uw voorbeeld blijkt op nieuw, hoe
belangrijk het is, dat ouders en opvoeders naauwkeurig trachten uit te
vorschen, waartoe het aan hunne zorgen toevertrouwde kind den meesten
aanleg en lust heeft.--Nu, gij kunt buitendien van u zelven zeggen, dat
gij met de talenten, die God u schonk, gewoekerd hebt. Gij liet nooit,
zoo als mij uit uwe levensgeschiedenis gebleken is, eenig gebrek aan
onafgebroken opmerkzaamheid, onvermoeide vlijt, onkrenkbare
regtschapenheid en brave zedelijke grondbeginsels blijken. Gij begont en
eindigdet alles met God. En de Heer, op wien gij te allen tijde bouwdet,
wien gij alle uwe belangen steeds hebt aanbevolen, de Heer heeft uwe
pogingen mildelijk gezegend."
"Ja!" riep Koslou dankbaar uit, "dat heeft Hij! Hem zij lof en dank!
Doch het groote vermogen, dat ik mij door Zijne goedheid mogt verwerven,
verheugt mij bijna nog meer ter wille van de kinderen van vreemden, dan
uit liefde voor mijne eigene. Gedachtig, hoe arm en hulpeloos ik
voormaals zelf was, heb ik reeds menig arm kind ondersteund en het tot
een kundig handwerksman en gelukkig huisvader opgeleid. En ik heb
opgemerkt, dat arme kinderen, die alleen door buitengewone vlijt en
onafgebroken werkzaamheid door de wereld moeten komen, meestal het best
slagen. Rijke kinderen daarentegen, welke van hunne vroegste jeugd af
aan overvloed gewend zijn, ontaarden dikwijls, worden lui en ongeschikt
voor bezigheden, en vervallen niet zelden tot de beklagenswaardigste
armoede. Meer dan eens heb ik het reeds beleefd, dat groote
handelshuizen, die bloeiend door rijke ouders aan hunne kinderen waren
achtergelaten, door de dwaze verkwisting en zorgeloosheid van de
laatsten te niet waren gegaan, alvorens de kinderen van dezen volwassen
waren. Wat de vlijt der grootouders had gewonnen, was derhalve voor de
kleinkinderen bereids verloren gegaan. En even dikwijls heb ik het
bijgewoond, dat de kinderen van arme ouders door vlijt en schranderheid
vooruit kwamen, belangrijke zaken met goed gevolg ondernamen, en
daardoor, algemeen geacht, zeer vermogende mannen werden. Doch eer en
goud zijn en blijven vergankelijke goederen; men moet ze ten beste van
zijne medemenschen besteden, en dan eerst ontvangen zij wezenlijke
waarde; want daardoor worden wij Gode welgevallig!"
Dit gezegd hebbende, zweeg Koslou eenige oogenblikken; treurigheid
teekende zich op zijn gelaat, en met tranen in de oogen sprak hij: "één
ding had ik nog gewenscht--namelijk, dat mijn brave vader in het leven
ware gespaard gebleven en met eigen oogen hadde kunnen zien, dat de
goede opvoeding, welke hij mij heeft gegeven, niet zonder vrucht is
gebleven. Hij was een arm, maar een braaf en godvreezend man. Met even
groote ernst als vaderlijke goedheid boezemde hij mij waarachtige
vroomheid en heiligen eerbied voor den Allerhoogste in. "Dit is de
grondslag van alle deugd," zeide hij vaak; "zonder vroomheid en
godvreezendheid is er geen wezenlijk geluk!" Hij zorgde ook, dat ik de
school vlijtig bezocht; hoe noodig hem mijne hulp bij zijnen arbeid ook
was. "Geld," zeide hij dikwijls tot mij, "kan ik u niet nalaten. Mijn
zegen en het in uwe jeugd geleerde is uw eenig erfdeel, uwe eenige
bezitting. Maar dit erfdeel is echter geenszins gering, en kan tegen
schatten opwegen."--Hij had gelijk! Zijne vermaningen, zijn voorbeeld,
zijn vaderlijke zegen waren nuttiger voor mij, dan tonnen gouds zouden
geweest zijn.--Dan ik heb hem, helaas! zijne liefde en trouwe vaderlijke
zorgen niet kunnen vergelden. Wel heb ik hem uit Londen eens, en uit
Petersburg meermalen geld toegezonden; doch wat beteekent dat?--Op
zekeren tijd, van Petersburg voor beroepszaken naar Frankrijk reizende,
wilde ik den dierbaren man een bezoek gaan brengen. Daar vernam ik
eensklaps de tijding van zijn overlijden!--Nu, God zal hem thans
vergelden, wat de goede man op aarde voor mij gedaan heeft!"--Ontroerd
zweeg Koslou; en blijkbaar kostte het hem moeite, zijne tranen te
weerhouden.