XIV.

Vervolg van het gesprek tusschen den graaf en Koslou.

Graaf August had met groote belangstelling naar dit verhaal geluisterd.

Toen Koslou eindigde, sprak hij: "God heeft u waarlijk uitstekende

talenten geschonken! Reeds toenmaals, toen het hoeden van geiten uwe

eenige bezigheid was, kon een scherpzinnig opmerker in den armen knaap

een nuttig en achtingwaardig lid der maatschappij voor de toekomst

voorzien. Tijdens ons dat kleine ongeval op onze reis overkwam--toen gij

ons zoo snel te hulp ijldet, op alles, wat u gevraagd werd, een voldoend

antwoord wist te geven, goeden raad gaaft, zelf vaardig de hand mede aan

het werk sloegt, en later den wensch van mijne moeder met zoo veel

geschiktheid wist te bevredigen,--werden wij, wel is waar, opmerkzaam op

uwen persoon, maar toch vermoedde ik in dien tijd niet, dat Dirk Snel,

de arme herdersknaap, zoo grooten aanleg bezat tot het uitvoeren en

ondernemen van de uitgestrektste plannen; toch zoude ik het bijna als

onmogelijk beschouwd hebben, dat ik Dirk Snel eenmaal als den heer van

Koslou zou moeten begroeten! Uit uw voorbeeld blijkt op nieuw, hoe

belangrijk het is, dat ouders en opvoeders naauwkeurig trachten uit te

vorschen, waartoe het aan hunne zorgen toevertrouwde kind den meesten

aanleg en lust heeft.--Nu, gij kunt buitendien van u zelven zeggen, dat

gij met de talenten, die God u schonk, gewoekerd hebt. Gij liet nooit,

zoo als mij uit uwe levensgeschiedenis gebleken is, eenig gebrek aan

onafgebroken opmerkzaamheid, onvermoeide vlijt, onkrenkbare

regtschapenheid en brave zedelijke grondbeginsels blijken. Gij begont en

eindigdet alles met God. En de Heer, op wien gij te allen tijde bouwdet,

wien gij alle uwe belangen steeds hebt aanbevolen, de Heer heeft uwe

pogingen mildelijk gezegend."

"Ja!" riep Koslou dankbaar uit, "dat heeft Hij! Hem zij lof en dank!

Doch het groote vermogen, dat ik mij door Zijne goedheid mogt verwerven,

verheugt mij bijna nog meer ter wille van de kinderen van vreemden, dan

uit liefde voor mijne eigene. Gedachtig, hoe arm en hulpeloos ik

voormaals zelf was, heb ik reeds menig arm kind ondersteund en het tot

een kundig handwerksman en gelukkig huisvader opgeleid. En ik heb

opgemerkt, dat arme kinderen, die alleen door buitengewone vlijt en

onafgebroken werkzaamheid door de wereld moeten komen, meestal het best

slagen. Rijke kinderen daarentegen, welke van hunne vroegste jeugd af

aan overvloed gewend zijn, ontaarden dikwijls, worden lui en ongeschikt

voor bezigheden, en vervallen niet zelden tot de beklagenswaardigste

armoede. Meer dan eens heb ik het reeds beleefd, dat groote

handelshuizen, die bloeiend door rijke ouders aan hunne kinderen waren

achtergelaten, door de dwaze verkwisting en zorgeloosheid van de

laatsten te niet waren gegaan, alvorens de kinderen van dezen volwassen

waren. Wat de vlijt der grootouders had gewonnen, was derhalve voor de

kleinkinderen bereids verloren gegaan. En even dikwijls heb ik het

bijgewoond, dat de kinderen van arme ouders door vlijt en schranderheid

vooruit kwamen, belangrijke zaken met goed gevolg ondernamen, en

daardoor, algemeen geacht, zeer vermogende mannen werden. Doch eer en

goud zijn en blijven vergankelijke goederen; men moet ze ten beste van

zijne medemenschen besteden, en dan eerst ontvangen zij wezenlijke

waarde; want daardoor worden wij Gode welgevallig!"

Dit gezegd hebbende, zweeg Koslou eenige oogenblikken; treurigheid

teekende zich op zijn gelaat, en met tranen in de oogen sprak hij: "één

ding had ik nog gewenscht--namelijk, dat mijn brave vader in het leven

ware gespaard gebleven en met eigen oogen hadde kunnen zien, dat de

goede opvoeding, welke hij mij heeft gegeven, niet zonder vrucht is

gebleven. Hij was een arm, maar een braaf en godvreezend man. Met even

groote ernst als vaderlijke goedheid boezemde hij mij waarachtige

vroomheid en heiligen eerbied voor den Allerhoogste in. "Dit is de

grondslag van alle deugd," zeide hij vaak; "zonder vroomheid en

godvreezendheid is er geen wezenlijk geluk!" Hij zorgde ook, dat ik de

school vlijtig bezocht; hoe noodig hem mijne hulp bij zijnen arbeid ook

was. "Geld," zeide hij dikwijls tot mij, "kan ik u niet nalaten. Mijn

zegen en het in uwe jeugd geleerde is uw eenig erfdeel, uwe eenige

bezitting. Maar dit erfdeel is echter geenszins gering, en kan tegen

schatten opwegen."--Hij had gelijk! Zijne vermaningen, zijn voorbeeld,

zijn vaderlijke zegen waren nuttiger voor mij, dan tonnen gouds zouden

geweest zijn.--Dan ik heb hem, helaas! zijne liefde en trouwe vaderlijke

zorgen niet kunnen vergelden. Wel heb ik hem uit Londen eens, en uit

Petersburg meermalen geld toegezonden; doch wat beteekent dat?--Op

zekeren tijd, van Petersburg voor beroepszaken naar Frankrijk reizende,

wilde ik den dierbaren man een bezoek gaan brengen. Daar vernam ik

eensklaps de tijding van zijn overlijden!--Nu, God zal hem thans

vergelden, wat de goede man op aarde voor mij gedaan heeft!"--Ontroerd

zweeg Koslou; en blijkbaar kostte het hem moeite, zijne tranen te

weerhouden.

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 25 / 33 题