XV.

Het verblijf te St. Petersburg.

Den volgenden morgen reisde de heer van Koslou met den graaf naar

Petersburg af. Hoe onaanzienlijk hun Russisch rijtuig ook was, zoo moest

men toch bekennen, dat het onmogelijk gemakkelijker of steviger bewerkt

hadde kunnen zijn. Daarenboven was het zoo ruim, dat ook George, des

graven trouwe krijgsmakker, daarin plaats kon nemen. Hunne reis liep

zonder eenig ongeval af, en was regt genoegelijk. Voordat hij er aan

dacht, was August reeds in Petersburg aangekomen.

Het huis, dat de heer van Koslou hier bewoonde, geleek wel een paleis.

Koslou stelde den graaf aan zijn gade en zijne kinderen als zijnen

grootsten weldoener voor. Aanvankelijk konden de kinderen maar niet

gelooven, dat hun vader al zijnen voorspoed aan dezen man zou te danken

hebben, die thans, in eene versletene, gelapte uniform voor hen stond.

De echtgenoote van Koslou zag ook eenigzins vreemd op. Doch zoodra

Koslou zijnen vriend bij diens naam voorstelde, en tot haar zeide:

"graaf August van Sterreveld!" riep zij uit: "o, zijt gij het, heer

graaf!" en wilde hem, met tranen in de oogen de hand kussen. De heer van

Koslou verhaalde daarop, dat de graaf van Sterreveld den oorlog tegen

Rusland altijd voor onregtvaardig had gehouden, dien geheel tegen zijnen

wil had mede gemaakt, en op dezen rampzaligen veldtogt onbeschrijfelijke

ellende had doorgestaan. Met innige deelneming luisterde zijne gade,

terwijl de kinderen den graaf met vochtige oogen aanstaarden.

De laatsten werden al spoedig vertrouwelijk jegens hem. De geschiedenis

met den nachtegaal was aan allen bekend, en een der kinderen, een

levendig knaapje, vroeg nu, of die nachtegaal nog altijd in leven was?

Een klein, aanvallig meisje wilde daarop weten, of hij ook toevallig een

geheel nest met jonge nachtegaals had medegebragt; en het jongste kind

voegde daarbij, toen August de laatste vraag ontkennend had beantwoord:

"nu, gij moet ons toch zulk een nest zenden!" De oudste kinderen lachten

hartelijk daarom, en zeiden: "ja, dat zou wel regt aardig zijn, indien

het maar mogelijk was! Reeds sedert langen tijd zouden wij gaarne eenen

nachtegaal gehoord hebben; maar in ons land treft men deze heerlijke

vogels niet aan."

De heer van Koslou liet thans fijn linnen en goed voor onderkleederen

uit eenen der beste winkels komen, en ontbood tevens eenen kleedermaker,

iemand, die epauletten kon vervaardigen, enz., ten einde August zich,

volgens zijnen stand als ridmeester, behoorlijk zou kunnen kleeden. "Gij

hebt mij ook wel tweemaal nieuw gekleed!" zeide hij tot August. Zijne

echtgenoote was spoedig bezig om voor het linnengoed te zorgen. Toen de

graaf zich wilde verontschuldigen wegens de moeite, die hij haar maakte,

zeide ook zij: "mevrouw uwe moeder en uwe zusters hebben in vroegeren

tijd zich voor mijnen echtgenoot diezelfde moeite gegeven!"

Toen de graaf eindelijk, in zijne prachtige uniform, als een ander

mensch voor hem stond, hechtte de heer van Koslou hem het ontroofde

ordekruis op de borst. "Ziet gij, hoe ver ik het door uwe goedheid

gebragt heb!" zeide hij glimlagchende. "Zelfs eene orde (al kan ik u ook

niet tot ridder slaan) kan ik u teruggeven!" August was zeer benieuwd om

te hooren hoe hij in het bezit van dit kruis mogt gekomen zijn; waarop

de heer van Koslou hem het volgende antwoordde: "de Kozakken," dus

verhaalde hij, "hadden eene menigte kruizen van het Fransche legioen van

eer en van eenige Duitsche orden buit gemaakt, welke zij op hunne mutsen

naaiden. Ik heb onderscheidene daarvan opgekocht; en door een gelukkig

toeval vond ik daaronder ook het uwe.--Het eereteeken, overigens, kan

men wel van onze borst wegrooven; maar het ware eergevoel in ons

binnenste, het gevoel voor alles wat edel en heilig is, dat kan ons

niemand ontnemen!"

Ook George werd nieuw in de kleederen gestoken, en een valies, dat de

heer van Koslou hem schonk, werd door diens gade met linnen en andere

benoodigdheden vol gepropt. Dus ook deze had aan alle kanten reden van

tevredenheid.

De graaf moest langer te Petersburg verwijlen dan hij gedacht had. De

oorlog in Duitschland maakte het nog altijd moeilijk en gevaarvol om

zich derwaarts te begeven. Eerst tegen de helft van October verloren de

Franschen den vreeselijken slag bij Leipzig, en eerst met het begin van

November trokken zij over den Rijn terug. Vele steden hielden zij nog na

dien tijd bezet. Ook was de winter te ver heen, dan dat zij nu nog eene

groote reis konden ondernemen. Deze werd dus tot het begin der lente

verschoven.

Op den dag vóór het vertrek geleidde de heer van Koslou den graaf in

zijn groot magazijn van wagens, en schonk hem eene allerfraaiste

reiskoets. "Ziet gij," zeide hij, vriendelijk glimlagchende, "alles op

deze wereld is toch ergens goed voor! Dikwijls echter kunnen wij dat

eerst jaren later inzien. Het gebroken rad aan uwen wagen brengt u nu

een geheel nieuw rijtuig op. De paarden," zoo vervolgde hij, "zijn reeds

besteld; gij zult die te Hamburg vinden. Het adres aan den koopman ligt

ook gereed."

Op den dag der afreis zelven gaf Koslou den graaf nog eene gevulde

geldbeurs. De graaf nam haar aan, doch daarbij zeide hij: "ik heb het

geld nu voor mijne reis hoog noodig; dan zoodra ik te huis kom, zal

mijne eerste zorg wezen, om u eenen wissel ten bedrage van deze som over

te maken." Doch de heer van Koslou riep uit: "neen, dat mag niet

gebeuren! Ondersteun de armen met dit geld, en vooral behoeftigen, die

goeden wil en genoegzame geschiktheid hebben om iets te leeren, maar

zulks uit geldgebrek moeten laten. Wat wij den armen geven is een

wissel, die in eene betere wereld in betaling wordt aangenomen!"

[Illustratie]

Het geheele gezin begeleidde den graaf tot aan het schip, waarmede deze

den overtogt zou doen. Hier omarmde de heer van Koslou zijnen vriend nog

eens innig, zijne vrouw nam met tranen in de oogen afscheid van hem,

en de kinderen kusten hem snikkend de hand. Nog eenigen tijd, nadat het

schip was begonnen te zeilen, wenkte Koslou met zijnen hoed, terwijl

zijne echtgenoote met haren zakdoek wuifde, en de kinderen hunne hoeden

omhoog wierpen of witte doeken zwaaiden.

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 26 / 33 题