Dirk ziet zijnen wensch vervuld.
Den volgenden dag liet de gravin Dirk bij zich komen, ten einde hem de
honderd gulden ter hand te stellen. Onbeschrijfelijk verblijd ijlde de
goede jongen met dit geld naar huis.
Toen hij de hut bereikt had, bemerkte hij, dat zijn vader op dat
oogenblik niet in het kleine woonvertrek was. Haastig, doch zoo stil
mogelijk, legde hij de honderd gulden op de tafel uit. Naauwelijks was
hij gereed, of zijn vader, die het middageten bereid had, trad binnen.
De eerlijke man ontstelde zigtbaar, toen hij al dat geld ontwaarde.
"Jongen!" riep hij uit, en zijne stem beefde, "gij hebt dat geld toch
niet gestolen?"
"God beware mij!" antwoordde Dirk. "Een vogeltje heeft mij daaraan
geholpen; of liever, God heeft het mij door middel van een vogeltje
geschonken."
"Wat zal dat beteekenen?" vraagde zijn vader hem, terwijl hij het
voorhoofd fronsde.
De knaap verhaalde hem daarop de geheele geschiedenis; en toen eerst
riep zijn vader vrolijk uit: "groote en goede God, hoe wonderbaar zorgt
Gij vaak voor ons menschen!"
Dadelijk ging de brave man zorgen, dat zijn Dirk net in de kleederen
werd gestoken. Dirk haastte, van zijnen kant, den kleedermaker,
schoenmaker enz. niet weinig.
Toen hij voor het eerst van top tot teen in het nieuw gekleed was, bragt
zijn vader hem naar den wagenmaker, met verzoek, dat deze zijnen zoon
als leerling wilde aannemen.
Gaarne voldeed de wagenmaker aan dit verlangen.
Geene drie jaren verliepen er, of Dirk was reeds een uitmuntend
wagenmaker, niets minder dan zijn meester.
Alvorens hij, zooals het gebruik medebragt, eene reis door het
buitenland ging doen, bezocht hij de grafelijke familie op Sterreveld
nog eerst. Hij wilde bewijzen, dat hij verdiende wat men voor hem had
gedaan. Het eerst bezocht hij zijnen ouden vriend den tuinman.
Deze begroette hem regt hartelijk, en meldde vervolgens zijne komst aan
de familie.
De wakkere jongeling werd dadelijk toegelaten, en allen waren even
vriendelijk jegens hem, en prezen zijn gedrag om het zeerst.
De jonge graaf sprak hem aldus toe: "Dirk, gij hebt aan alle kanten
verdiend, dat wij ons uwe belangen aantrokken. Daarom willen wij ook
thans van u hooren--want wij weten dat gij op reis gaat--hoe het met de
benoodigdheden staat? Spreek vrij, als wij u ergens mede kunnen helpen.
Gij zult ons allen daartoe volgaarne bereid vinden!"
Hoewel Dirk van nature te veel kiesch gevoel had om dadelijk maar op te
noemen wat hem nog ontbrak, toch vond de gravin, door allerlei vragen,
het middel om zulks van hem te vernemen, zonder dat hij zelf wist dat
hij iets opnoemde. "Welnu," zeide zij ten slotte "mijn brave jongen, gij
mist nog het een en ander. Vergun ons, dat wij u deze som mogen ter
hand stellen, om daarin te voorzien. Zoo het lot u gunstig is, kunt gij
ons die later wel teruggeven!"
Dit laatste zeide de gravin, gelijk mijne lezers wel zullen begrepen
hebben, ten einde Dirk het onaangename gevoel te besparen van te denken,
dat hij, hoewel nu iemand die in zijn ambacht baas kon wezen, toch nog
altijd met geld ondersteund moest worden. Op deze wijze geleek het meer
naar eene kleine vriendschapsdienst dan naar eene gift.
En zoo moesten wij allen eene weldaad bewijzen! Want het enkele geven is
niet genoeg; wij moeten helpen zonder iemands gevoel te beleedigen. Wij
moeten weldaden aldus verrigten, dat het schijnt, alsof wij niet gaven,
maar ontvingen.
En Dirk voelde zeer goed het lieve, dat in de handelwijze der gravin en
van hare kinderen doorstraalde. Toen hij kort daarop, in een nieuw en
uiterst fatsoenlijk reisgewaad, afscheid van dit gezin kwam nemen, bij
welke gelegenheid de gravin hem nog eenige woorden toevoegde, die voor
zijn welzijn zeer bevordelijk konden worden, als hij er naar
luisterde;--toen brak hij in tranen los en kon slechts stamelend deze
woorden uiten: "o, ik dank u, dank u voor alles, wat gij voor mij, armen
en u vreemden knaap, gedaan hebt!"