VI.

Dirk ziet zijnen wensch vervuld.

Den volgenden dag liet de gravin Dirk bij zich komen, ten einde hem de

honderd gulden ter hand te stellen. Onbeschrijfelijk verblijd ijlde de

goede jongen met dit geld naar huis.

Toen hij de hut bereikt had, bemerkte hij, dat zijn vader op dat

oogenblik niet in het kleine woonvertrek was. Haastig, doch zoo stil

mogelijk, legde hij de honderd gulden op de tafel uit. Naauwelijks was

hij gereed, of zijn vader, die het middageten bereid had, trad binnen.

De eerlijke man ontstelde zigtbaar, toen hij al dat geld ontwaarde.

"Jongen!" riep hij uit, en zijne stem beefde, "gij hebt dat geld toch

niet gestolen?"

"God beware mij!" antwoordde Dirk. "Een vogeltje heeft mij daaraan

geholpen; of liever, God heeft het mij door middel van een vogeltje

geschonken."

"Wat zal dat beteekenen?" vraagde zijn vader hem, terwijl hij het

voorhoofd fronsde.

De knaap verhaalde hem daarop de geheele geschiedenis; en toen eerst

riep zijn vader vrolijk uit: "groote en goede God, hoe wonderbaar zorgt

Gij vaak voor ons menschen!"

Dadelijk ging de brave man zorgen, dat zijn Dirk net in de kleederen

werd gestoken. Dirk haastte, van zijnen kant, den kleedermaker,

schoenmaker enz. niet weinig.

Toen hij voor het eerst van top tot teen in het nieuw gekleed was, bragt

zijn vader hem naar den wagenmaker, met verzoek, dat deze zijnen zoon

als leerling wilde aannemen.

Gaarne voldeed de wagenmaker aan dit verlangen.

Geene drie jaren verliepen er, of Dirk was reeds een uitmuntend

wagenmaker, niets minder dan zijn meester.

Alvorens hij, zooals het gebruik medebragt, eene reis door het

buitenland ging doen, bezocht hij de grafelijke familie op Sterreveld

nog eerst. Hij wilde bewijzen, dat hij verdiende wat men voor hem had

gedaan. Het eerst bezocht hij zijnen ouden vriend den tuinman.

Deze begroette hem regt hartelijk, en meldde vervolgens zijne komst aan

de familie.

De wakkere jongeling werd dadelijk toegelaten, en allen waren even

vriendelijk jegens hem, en prezen zijn gedrag om het zeerst.

De jonge graaf sprak hem aldus toe: "Dirk, gij hebt aan alle kanten

verdiend, dat wij ons uwe belangen aantrokken. Daarom willen wij ook

thans van u hooren--want wij weten dat gij op reis gaat--hoe het met de

benoodigdheden staat? Spreek vrij, als wij u ergens mede kunnen helpen.

Gij zult ons allen daartoe volgaarne bereid vinden!"

Hoewel Dirk van nature te veel kiesch gevoel had om dadelijk maar op te

noemen wat hem nog ontbrak, toch vond de gravin, door allerlei vragen,

het middel om zulks van hem te vernemen, zonder dat hij zelf wist dat

hij iets opnoemde. "Welnu," zeide zij ten slotte "mijn brave jongen, gij

mist nog het een en ander. Vergun ons, dat wij u deze som mogen ter

hand stellen, om daarin te voorzien. Zoo het lot u gunstig is, kunt gij

ons die later wel teruggeven!"

Dit laatste zeide de gravin, gelijk mijne lezers wel zullen begrepen

hebben, ten einde Dirk het onaangename gevoel te besparen van te denken,

dat hij, hoewel nu iemand die in zijn ambacht baas kon wezen, toch nog

altijd met geld ondersteund moest worden. Op deze wijze geleek het meer

naar eene kleine vriendschapsdienst dan naar eene gift.

En zoo moesten wij allen eene weldaad bewijzen! Want het enkele geven is

niet genoeg; wij moeten helpen zonder iemands gevoel te beleedigen. Wij

moeten weldaden aldus verrigten, dat het schijnt, alsof wij niet gaven,

maar ontvingen.

En Dirk voelde zeer goed het lieve, dat in de handelwijze der gravin en

van hare kinderen doorstraalde. Toen hij kort daarop, in een nieuw en

uiterst fatsoenlijk reisgewaad, afscheid van dit gezin kwam nemen, bij

welke gelegenheid de gravin hem nog eenige woorden toevoegde, die voor

zijn welzijn zeer bevordelijk konden worden, als hij er naar

luisterde;--toen brak hij in tranen los en kon slechts stamelend deze

woorden uiten: "o, ik dank u, dank u voor alles, wat gij voor mij, armen

en u vreemden knaap, gedaan hebt!"

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 13 / 33 题