De jonge graaf van Sterreveld treedt in krijgsdienst.
August, de jeugdige graaf van Sterreveld, die zoo goed, zoo weldadig
voor behoeftigen, zoo vol kinderlijke liefde jegens zijne moeder
was,--August gloeide ook van warme vaderlandsliefde. Reeds lang had hij
heimelijk het verlangen gekoesterd om deel te nemen aan den grooten
strijd, welken Duitschland, het land zijner geboorte, tegen Frankrijk
streed. Reeds sedert geruimen tijd had hij elke gelegenheid, om zich in
de krijgskunde en alle daarop betrekking hebbende wetenschappen te
bekwamen, ijverig gebruikt, en het liefst had hij zich altijd met
kundige officieren onderhouden, die zich dikwijls over de bekwaamheid
van den jongen graaf van Sterreveld verwonderden.
Eindelijk had hij, nadat de dood hem zijnen vader ontnam, dat verlangen
aan zijne moeder ontdekt.
Aanvankelijk was de gravin, wel is waar, hevig ongerust bij de gedachte,
dat haar zoon aan de bloedige oorlogsgevaren het hoofd zou gaan bieden;
wel trachtte zij hem eerst dit plan te doen opgeven;--doch kort slechts
duurde de strijd tusschen vaderlandsliefde en moederlijke bezorgdheid
voor den eenigen zoon. Spoedig sprak zij tot haren August (en hoewel de
tranen haar in de oogen stonden, toch was hare stem vast): "ga mijn
zoon, en kamp den edelen strijd voor het vaderland! God zij met u! In
Zijne hoede beveel ik u aan; dan zijt gij te allen tijde wel bewaakt!
Mogt de Almagtige u eenmaal rein en onbevlekt, het hoofd met lauweren
bekroond, in de liefde-armen van uwe moeder terugvoeren!"
En zoo vertrok August.
Hij nam deel aan eenige gevechten tegen de Franschen, en gedroeg zich
zoo, dat hij spoedig tot ridmeester werd benoemd.
Doch nu veranderden de omstandigheden.
Het regement waarbij hij stond, moest met het groote Fransche leger naar
Rusland trekken. Reeds op den togt naar Moskou verloor het leger, door
de geduchte marschen, die het elken dag moest afleggen, duizenden van
manschappen, hoewel er nog geen enkel schot was gevallen; want behalve
de afmatting, die deze vermoeijende togten te weeg bragten, had het
leger buitendien nog gebrek aan levensmiddelen. Na onbeschrijfelijke
vermoeijenissen, na vele bloedige schermutselingen, na den
schrikkelijken slag, die den naam van Borodino[1] vereeuwigde, naderde
het leger eindelijk de groote keizerstad, die met hare talrijke
paleizen, hare vergulde koepels op de tempels, hare driehonderd
kerktorens, en haar kremlin, dat aloude paleis van Ruslands
alleenheerschers, een allerprachtigst schouwspel aanbood.
Hier hoopte de graaf, en alle krijgslieden deelden die hoop met
hem--eindelijk te zullen uitrusten van de tallooze vermoeijenissen, hier
eenen overvloed te zullen vinden der zoo lang ontbeerde levensmiddelen.
Doch hoe bedroog hij zich!
Bijna alle inwoners hadden, gelijk men weet, de stad verlaten. De
straten waren doodsch; de paleizen en de meeste woonhuizen stonden
ledig. Tegen middernacht brak die ijselijke brand uit, welke
verscheidene dagen woedde, die als het ware tot eene onmetelijke zee van
vlammen aangroeide en het grootste gedeelte van Ruslands toenmalige
prachtige hoofdstad in de asch legde.
Het leger moest op den terugtogt bedacht zijn. En die terugtogt was het,
op welken duizendtallen van dappere krijgslieden, uit verschillende
natiën, door sneeuw en ijs, honger en gebrek aan kleeding, zoo
jammerlijk omkwamen.
Op eenen enkelen nacht verloor het leger meer dan dertig duizend
paarden. Ook die, welke tot het regement van August behoorden, kwamen
allen om. Door diepe sneeuw, door verstijvende koude en hevigen storm
moest hij met zijne dragonders den weg te voet vervolgen. Mijlen ver
gingen zij, zonder zelfs eene hut op hunnen togt aan te treffen. En
zelfs dan, wanneer zij bij eene menschelijke woning aankwamen en zich
innig verheugden bij de gedachte, dat zij nu welligt een gastvrij dak en
een weinig voedsel mogten gevonden hebben, was hunne teleurstelling
onuitsprekelijk hard, geschikt om zelfs den onversaagste allen moed en
lust te ontrooven! Want die woningen waren half vernield, zonder
bewoners, zonder levensmiddelen, ja zonder deuren of vensters; zoodat de
ijskoude wind verstijvend door het lage gebouw bulderde.
De meeste woningen waren afgebrand. De beklagenswaardige soldaten
moesten menigen nacht, hoe uitgeput en verkleumd zij ook waren, op den
met sneeuw bedekten grond onder den blooten hemel doorbrengen.
En het gebrek aan levensmiddelen deed zich met elken dag nijpender
gevoelen.
August van Sterreveld gaf al het goud dat hij bezat, gaarne voor een
stuk droog brood. Niet lang duurde het, of iemand konde, voor al het
goud in de wereld, zulks niet eens meer bekomen. Ook hij moest zich
toen, gelijk al de anderen, generaals, officieren van hoogeren en
lageren rang en gemeene soldaten, met het vleesch van doode paarden
voeden. Zij wreven dit vleesch met kruid in en roosterden het, dus
toebereid, boven het vuur. Gesmolten sneeuw moest hunnen dorst stillen.
De weg, langs welken het grootste gedeelte van het leger reeds was
vooruitgetrokken, was als het ware door achtergelaten kanonnen en
kruidwagens afgebakend. Ter wederzijde lagen ontelbare lijken van
menschen, over welke de sneeuw als het ware een reusachtig lijkkleed had
uitgebreid. Velen van de soldaten, die onder het bevel van August
stonden, bleven in de sneeuw verstijfd liggen; anderen verstrooiden
zich. De algemeene leus werd: wie kan, redde zich!
[1] Namelijk door het gevecht van 5 September 1812.