De herdersknaap volbrengt het plan naar wensch.
De knaap, die der grafelijke familie tot gids had gediend, heette Dirk
Snel. Hoe laat het ook door het onverwachte oponthoud was geworden, toch
ging hij zijnen zieken vader nog bezoeken, die wel twee uren verder
woonde. Tot zijn innige vreugde vond hij den beminden man oneindig
beter, en zelfs buiten alle gevaar. Hij stelde den laatste aanstonds het
rijke geschenk ter hand, dat hij van de gravin had ontvangen, en ging
vervolgens met goed vinden van zijnen vader het een en ander koopen, dat
den zieke zou verkwikken. Hij bragt te dien einde wittebrood, eene
flesch wijn, en een paar pond vleesch mede; welk laatste artikel hij
dadelijk op het vuur zette, om voor den zieke eene krachtige soep klaar
te maken.
Zoodra den volgenden dag de zon opkwam, begaf onze Dirk zich naar het
bosch, waar hij den nachtegaal den vorigen avond zoo heerlijk had hooren
slaan, toen hij het reizende gezelschap langs het voetpad geleidde. Het
was hem naauwkeurig bekend waar het nest van den nachtegaal was. Er
stond te midden van loofrijk geboomte een oude, holle boom. Daar moest
hij het nest zoeken. Het nestje bestond van buiten uit dorre bladeren en
stroohalmpjes, maar de binnenzijde was met kleine vederen, haar en
andere zachte stoffen regt aardig voor de jongen in orde gebragt. Toen
hij het nest de laatste keer had gezien--zulks herinnerde hij zich
duidelijk--lagen er vijf kleine eijeren in, die van eene bruinachtig
groene kleur waren. Toen hij het nu beschouwde, zag hij, tot zijne
groote vreugde, dat de eijeren alle waren uitgekomen, zoodat er nu vijf
jongen in het nest lagen. Thans liep hij haastig naar Sterreveld, om de
plaats in oogenschouw te nemen, werwaarts hij het nest wilde brengen.
Ook deze beantwoordde aan zijne verwachting.
Dienzelfden dag gelukte hem, de beide oude vogels op te vangen. Nu
haalde hij het nest voorzigtig uit den boom, en borg dat met de beide
oude vogels in eene kooi, waarna hij zich met zijne vangst naar
Sterreveld spoedde.
Eerst laat in den avond kwam hij aldaar aan, en werd, gelijk de jonge
graaf hem beloofd had, door den tuinman regt vriendelijk ontvangen.
Naast het slot stond een liefelijk boschje. Behalve eiken en beuken vond
men er ook nog allerlei andere boomen in. De aardige lanen, die
kronkelend door dit boschje liepen, waren netjes met wit zand bestrooid.
Hier en daar vond men een tafeltje met tuinstoelen, terwijl midden in
het boschje eene ronde plek was opengelaten, alwaar allerlei fraaije
bloemen met veel smaak geplant waren. In eenen hoek van het boschje,
waar schilderachtige heuveltjes waren aangelegd en het loof der boomen
als in elkander was gegroeid, stond eene aardige hermitage. Deze
hermitage geleek veel naar eene kapel, die in zeer ouden stijl was
gebouwd.
Een beekje, dat schuimend van de hoogte afliep, stroomde, helder als
kristal, voorbij de hermitage, en het bekoorlijke geklater, dat men
hoorde, maakte deze stille en eenzame plaats nog aangenamer. Dit was het
lievelingsplekje van de gravin, alwaar zij zich vaak met een boek of
eenig handwerk kwam nederzetten, wanneer hare dochters in de muziek of
taalkennis onderrigt ontvingen. Daarom had haar zoon deze plaats
uitgekozen.
Ongeveer honderd schreden van die hermitage stond, in het digte groen
der boomen, digt bij het beekje, een oude boom, die er nagenoeg juist
zoo uitzag, als de holle boom, op welken Dirk het nest van de
nachtegaals had gevonden. De laatstgenoemde, die goed op alles gelet en
hier vooruit reeds alles in gereedheid had gebragt, begaf zich nu in den
nacht met zijne kooi derwaarts, terwijl de maan helder scheen, plaatste
het nest op den bewusten boom naauwkeurig zoo, als het op den anderen
had gezeten, en liet de ouden daarop vliegen. De jonge graaf, die hem
uit nieuwsgierigheid had vergezeld, zag met veel genoegen, hoe schrander
Dirk bij alles te werk ging, en prees hem zeer over zijne behendige
uitvoering.
Den volgenden morgen verborg de knaap zich in het groen, en luisterde,
of de oude vogels hunne jongen kwamen voederen. Het duurde niet lang, of
de jongen begonnen van honger luid te piepen--en kort daarna had hij het
onuitsprekelijke genoegen, de oude vogels naar het nest te zien vliegen
en hen de jongen te zien voederen. "Nu is de zaak geheel in orde!" riep
hij juichend uit, ijlde naar den jongen graaf en bragt dezen het welkome
berigt. "Binnen twee dagen," zeide hij, "zult gij den nachtegaal stellig
hooren zingen!"
"Nu, dat is goed!" antwoordde de jongeling, "en de vijftig gulden liggen
voor u gereed. Blijf nog een oogenblik hier, dan zal ik u het geld ter
hand stellen en kunt gij het nog heden naar huis brengen."
Mijne jonge lezers zullen zich wel eenigzins verwonderen, dat een
zestienjarige jongeling zoo maar vijftig gulden kon wegschenken; dan hij
had zijn plan, waarmede hij zijne moeder op haren geboortedag wilde
verrassen, aan zijne zusters medegedeeld, waarop ook deze van ganscher
harte hare spaarpenningen bij elkander hadden gelegd, ten einde aldus de
beloofde som bijeen te brengen.