IV.

Het verjaarfeest.

Twee dagen later vierde de gravin haren geboortedag. De zon verrees dien

dag heerlijk aan de kimmen; het geheele luchtruim was helder en

onbewolkt. De jonge graaf bezocht ongemerkt de hermitage--en hoor! daar

sloeg de nachtegaal. Gedurende den geheelen dag kwamen vrienden en

bekenden de gravin gelukwenschen. Toen eerst laat op den avond alle

bezoek had opgehouden, zeide de gravin tot hare kinderen: "komt, nu

moesten wij nog een uurtje van dezen drukken dag in kalme rust bij

elkander zitten!"

Zij ging met hare kinderen in den tuin. Was de dag schoon geweest de

lenteavond was niet minder fraai.

"Wij konden waarlijk het avondeten wel in de hermitage gaan gebruiken!"

riep de jonge graaf uit, die zich hield, alsof hem dit denkbeeld

toevallig voor den geest was gekomen. "Het is daar zoo aangenaam

zitten!"

De gravin had veel behagen in dit voorstel. Gezamenlijk wandelden zij

naar de hermitage en plaatsten zich rondom de tafel, die onder eenen

grooten eik voor dezelve stond. De maan wierp hare stralen door de

takken van den eikenboom, bestrooide, om mij zoo eens uit te drukken,

het voorbijvlietende beekje met flonkerende sterretjes, verlichtte de

kapel op hare eigenaardige, bijna zou ik zeggen, tooverachtige wijze, en

liet hare stralen in het zilverwerk weerkaatsen, dat op de tafel stond.

Behalve de geurige bloemen, die hier geplant waren, genoot men ook den

geur van kostbare gewassen, die in sierlijke potten geplant waren. Men

kon dus in den waren zin des woords zeggen, dat de lucht op deze plek

met geurige kruiden gebalsemd was.

"Hier," aldus ving de gravin aan, "hier voel ik mij zoo regt tevreden en

gelukkig! Hoe weinig beteekenen de gedruischvolle vermakelijkheden der

wereld, in vergelijking met de aangename gewaarwordingen, die mijne

borst thans vervullen! Ja, hoewel vele bezoeken, die ik heden ontving,

gewis van hartelijke vriendschap getuigden, zoo voel ik mij hier,

terwijl wij zoo bij elkander zitten, toch oneindig gelukkiger. Wie kan

eene zaal, hoe prachtig die ook zij, met zooveel genoegen zien, als wij

thans de heerlijke natuur gadeslaan! Hoe onbeduidend zijn de gesprekken,

die gewoonlijk in gezelschappen gevoerd worden, vergeleken bij de

vertrouwelijke mededeelingen van huisgenooten, de leerrijke vermaningen

van ouders in den kring hunner kinderen, de hartelijke woorden, welke

deze hunnen vader, hunner moeder kunnen toevoegen, wanneer geen

vreemdeling onder hen is?"

Allen gaven hunner moeder van harte gelijk; en andermaal betuigden zij

haar, hoe zij het als een onschatbaar geluk beschouwden, dat zij ook

ditmaal het verjaarfeest van eene moeder mogten vieren, die zoo

uitmuntend de zware pligten ten opzigte van hare kinderen waarnam, welke

in haar vergoeding vonden voor het verlies van eenen waardigen vader.

"O, weest braaf, mijne kinderen!" sprak de gravin, "dan is mijn grootste

wensch op aarde vervuld, dan beschouw ik mij als de gelukkigste

moeder!--De tijd vliegt snel voorbij; het goede blijft bestaan. Hoedanig

ook later uw leven moge wezen, hangt nimmer geheel aan het wereldsche,

het vergankelijke! Het is mogelijk, dat gij in zulke maatschappelijke

betrekkingen zult geplaatst worden, waarin men gedurig in gezelschappen

moet verschijnen en zich veel in het openbaar dient te laten zien; mogt

dat het geval zijn, dat hij dan, wiens lot dit is, toch altijd zorge,

zich zelven ook vaak tot ernst te stemmen, dat hij gemoedelijk nadenke;

dat hij God en het doel, waarom wij op aarde geplaatst zijn, voor oogen

houde elke keer, als hij voor kortere of langere oogenblikken zich in

eenzaamheid mag afzonderen! Op eenen zoo schoonen en stillen avond,

gelijk deze, is ons hart altijd tot zoodanig ernstig nadenken het best

geschikt."

Allen zwegen thans; want allen voelden, dat de gesprokene woorden van

gewigt waren voor geheel hun leven.

Daar liet de nachtegaal zich eensklaps hooren!--Verbaasd luisterde de

gravin naar den heerlijken vogel, en zij sprak geen enkel woord, totdat

hij weer zweeg. Toen zeide zij niet zonder aandoening: "mijne goede

kinderen, ik dank u hartelijk voor dit lieve bewijs van uwe hartelijke

genegenheid voor mij! En toch haddet gij het vogeltje niet moeten

opsluiten! Vondt gij zelven het niet een weinig wreedaardig?--Doch, ik

heb uwe liefde hieruit kunnen opmaken, en dat is genoeg! Daarom blijf ik

u hartelijk dankbaar; maar aan het vogeltje moet gij thans zijne

vrijheid teruggeven!"

"Dat is reeds in vrijheid!" antwoordde haar zoon vrolijk. "Zie zelve

maar, het zit ginds op den boom! Het heeft sedert een paar dagen zijne

woning in dit boschje opgeslagen. Het is nu al geheel gewend; en ik

denk, dat wij hem wel elke lente bij ons zullen zien terugkomen. Wij

zullen hem ten minste vriendelijk genoeg ontvangen!"

"Maar hoe is dat mogelijk?" vroeg de gravin. "Ik hoorde den nachtegaal

hier vroeger nooit; en zelfs de oudste lieden weten niet, dat hier ooit

nachtegaals genesteld hebben."

"Ik wil u het raadsel oplossen, lieve moeder!" antwoordde haar zoon.

"Gij hebt dikwijls uw verlangen te kennen gegeven, dat een nachtegaal

dit uw lievelingsplekje door zijn bekoorlijk gezang mogt veraangenamen.

De arme herdersknaap, die ons onlangs, toen ons rijtuig beschadigd was,

den weg naar dien wagemaker wees, heeft mij het middel aan de hand

gedaan om dezen uwen wensch te vervullen."

Daarop deelde hij haar alles mede, en herinnerde haar tevens, dat zij op

dien bewusten avond, naar den nachtegaal luisterende, had gezegd, dat

het haar wel honderd gulden waard was, dien heerlijken vogel in het

boschje achter haar slot te hebben. "De knaap," zoo vervolgde hij, "ving

die woorden gretig op, en heeft sedert uw verlangen bevredigd."

"En daarom, liefste moeder!" voegde hij ten slotte daarbij, "daarom

hopen wij, dat gij de wijze goed zult keuren waarop wij onze vijftig

guldens besteed hebben. Hadden wij evenveel goudstukken bezeten, wij

hadden die even gaarne weggegeven, als wij u daarmede een klein genoegen

konden aandoen! De knaap zou het, wel is waar, voor minder geld ook

gaarne gedaan hebben, doch wij dachten aldus: al had de arme jongen ons

deze aangename dienst eens niet bewezen, dan zou hij deze weldaad toch

verdiend hebben. Wij hebben hem eene weldaad bewezen, die voor zijn

geheele leven vruchten zal dragen; ja, welligt zelfs voor zijn toekomend

leven. Misschien zal hij, een braaf en geacht handwerksman geworden

zijnde, nog dankbaar aan ons terugdenken en onze asch zegenen, wanneer

wij reeds lang in het graf rusten."

Diep ontroerd antwoordde de gravin: "lieve; beste kinderen, gij hebt

braaf en edel gehandeld! Met hoeveel genoegen ik den nachtegaal ook op

het oogenblik gehoord heb, hoe innig mij bij die gelegenheid uwe

kinderlijke liefde ook streelde, toch roert het mij nog oneindig meer

dat ik bij u allen een hart ontdek, hetwelk edelmoedig genoeg is om eene

somme gelds, die enkel voor uw genoegen bestemd was, op te offeren, en

uw eigen vermaak dadelijk te vergeten, wanneer gij een ander genoegen

kunt aandoen. Kinderen, uwe moeder wil uw voorbeeld volgen!

Familiefeesten, zoo als dit, kunnen niet schooner gevierd worden, dan

door weldadigheid jegens hulpbehoevenden! Hem, van wien alles komt,

kunnen wij onze dankbaarheid nooit beter bewijzen, dan door alles wat in

ons vermogen is, aan te wenden om ongelukkigen te helpen en te redden!"

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 10 / 33 题