II.

De Nachtegaal.

Terwijl het gezelschap dus voortwandelde, liet zich eensklaps een

nachtegaal hooren. De vogel sloeg zoo heerlijk, dat de gravin zich met

hare beide dochters op den stam van eenen gevelden beukeboom neêrzette,

ten einde eenige oogenblikken naar den vogel te kunnen luisteren, hoewel

de invallende duisternis tot spoed vermaande.

De jonge graaf, die oogenschijnlijk den ouderdom van zestien jaren had

bereikt, leunde, op eenigen afstand, tegen eenen jongen boom, en

verlustigde zich niet minder in het bekoorlijk lied. Alles rondom was

stil. Het avondwindje speelde in het gebladerte, en zacht ruischte het

beekje. Alle aanwezigen bespeurden in zich dat aangename gevoel van

kalmte en rust, dat wij allen zoo vaak in de vrije natuur smaken.

Toen de nachtegaal zweeg, riep de gravin uit: "honderd gulden gaf ik

daarvoor, dat ik dezen vogel op mijne buitenplaats had! In de stad heb

ik vele nachtegalen gehoord; maar hier in de vrije natuur, op eene

stille boschrijke plaats, bij die kalme rust, terwijl de avond begint te

vallen en de maan reeds met haar zilveren licht door de boomen

schijnt,--hier klinkt het gezang van dezen heerlijken vogel nog oneindig

fraaijer. Ja, ik herhaal het, het was mij met genoegen honderd gulden

waard, dat ik hem op mijn buitengoed, in dat kleine boschje, hetwelk

achter ons huis aangelegd is, des avonds konde hooren!" "Nu," mompelde

de herdersknaap, die naast den jongen graaf stond, "die honderd gulden

zou iemand ligt kunnen verdienen!" De graaf, die deze woorden vernomen

had, gaf den knaap eenen wenk, dat hij zich stil zou houden, vermits de

nachtegaal zijn lied juist weêr aanhief. Toen hij te tweeden male stil

hield, stond de gravin op, ten einde zich met hare kinderen naar het

dorp te begeven. De jonge graaf liep met den herdersknaap achter, en

begon met den dienstvaardigen jongen het volgende gesprek.

"Gij hebt," dus ving hij aan, "daareven mijne moeder niet begrepen! Zij

sprak niet van eenen nachtegaal in eene kooi, neen! zij verlangde in

haren tuin, die regt schoon is aangelegd en waarin kleine maar

liefelijke boschjes zijn, eenen nachtegaal te hooren, die daar onder den

vrijen hemel nestelde, met elke nieuwe lente terugkeerde, en aldaar dan

in volle vrijheid zijn heerlijk lied van tijd tot tijd zou aanheffen."

"Nu ja," gaf de knaap ten antwoord, "zoo had ik het ook begrepen. Ik zou

buitendien den lieven nachtegaal niet willen vangen, om het arme dier in

eene kooi te laten opsluiten." Dit gezegd hebbende verzocht hij den

jongen graaf, of deze hem een van die boschjes naauwkeurig wilde

beschrijven, waarna hij aldus vervolgde:

"Welnu, dan geloof ik in staat te zullen wezen om den nachtegaal met

zijn nest in dat boschje bij u over te brengen! Ik weet best hoe men dat

moet aanleggen! Ik heb de kunst geleerd van eenen man, die hier in het

bosch reeds menigen nachtegaal tot dit einde gevangen heeft. Ik beloof

u, dat nog in deze week, of ten langste in de volgende, de nachtegaal op

uwe buitenplaats even fraai zal slaan, als hij het zooeven hier deed!"

De jonge graaf beschouwde thans den herdersknaap opmerkzaam. Hij had

levendige blaauwe oogen, frissche wangen, en zijne blonde lokken vielen

krullend op zijne schouders neder, hier en daar uit zijnen versleten

hoed van zwart stroo te voorschijn komende. In een woord, het uiterlijke

van den knaap beviel den jongen graaf reeds buitengemeen, terwijl hij

ook in diens levendigheid groot behagen schepte.

"En als u dat nu eens gelukte, wat zoudt gij dan met de honderd gulden

willen doen?" vroeg hij verder.

"O!" riep de knaap vrolijk uit, terwijl de tranen hem daarbij in de

oogen schoten, "met honderd gulden waren wij beiden uit den nood gered.

Want, weet gij," dus vervolgde de arme jongen, "mijn vader is een

behoeftig handwerksman, die nooit regt gezond was en tegenwoordig hard

ziek ligt. Ik ben nu juist op weg naar hem toe, om hem in zijne

eenzaamheid te bezoeken. Mijne goede moeder heb ik voor twee jaren

verloren. De boer, bij wien ik thans dien, en die de eigenaar is van

gindsche boerderij, heeft mij voor eenige dagen verlof gegeven. Ik hoed

de geiten bij hem, en dat bevalt mij wel, maar het brengt weinig op! Nu

het is dan ook hoofdzakelijk maar, om zelf den kost te verdienen. Want,

dat kunt gij ligt begrijpen! nog iets voor mijnen vader over te winnen

is geheel onmogelijk. Soms, als ik bij mijne geiten in het bosch zit,

bedenk ik wel eens, dat het hoeden van geiten toch half en half een

leeglooperij is. Gij kondet, zeg ik dan vaak tegen mij zelven, gij

kondet toch wel iets beters doen, en uwe jeugd niet zoo nutteloos laten

voorbijgaan! Dikwijls als ik daar zoo moederziel alleen met mijne geiten

over het gebergte ronddool, bid ik mijnen lieven hemelschen Vader, dat

Hij mij zoo ver helpe, dat ik nog eens een man worde, die zich regt

verdienstelijk maakt en om zijn goed gedrag door ieder geacht wordt. Dan

denk ik ook wel over hetgene ik kiezen zou, als zulks mij nu eens vrij

stond. Ik weet echter niets te bedenken, dat mij beter bevalt dan een

handwerk. Een wagenmaker zou ik vooral gaarne willen worden! Het is toch

waarlijk wat aardig en mooi, dat iemand van het hout, dat wij in deze

bosschen vellen, zulk een prachtig rijtuig als het uwe weet te maken. Ik

heb reeds dikwijls met den wagenmaker daarover gesproken, denzelfden,

naar wien wij nu heen gaan, die het wiel van uwen wagen in orde zal

maken, en die de eigenaar van den boom is, waarop mevrouw zoo even zat.

Maar deze zegt, dat hij mij voor niet minder dan vijftig gulden in de

leer kan nemen. Ook zegt hij, dat ik dan beter moest gekleed gaan, wit

linnen dragen, en dat zulks ook wel vijftig gulden zou kosten, want zoo

als ik hier nu, in dit armoedige pak, ga en sta, wil de baas, die een

zeer fatsoenlijk man is, mij niet aannemen. Gij ziet dus, dat ik, alles

en alles, honderd gulden noodig zou hebben; en zooveel bezitten mijn

vader en ik niet. Al verkochten wij alles wat wij hebben, dan zou

niemand ons toch honderd gulden daarvoor willen geven!"

"Wel mijn arme jongen!" riep de graaf uit, die een zeer goedhartig

jongeling was, "schep moed! Indien alles zoo is als gij mij zegt, dan

zult gij geholpen worden! Bijaldien gij mij een schriftelijk

getuigschrift van uw goed gedrag kunt geven, en de wagenmaker u

wezenlijk in de leer wil nemen, dan schenk ik u vijftig gulden. Gij kunt

het geld invorderen, zoodra de nachtegaal voor het eerst in het boschje

zingt. Dan moet gij nog maar vijftig gulden hebben, en om u die te

verschaffen zullen wij misschien ook nog wel een middel vinden. Maar

ééne voorwaarde! Voordat de nachtegaal zich bij ons in het boschje laat

hooren, mag niemand iets van ons plan weten. Ik wil dat de wensch van

mijne moeder vervuld worde, zonder dat zij iets daarvan merke, dat wij

den vogel met het nest overbrengen. Ik zoude haar zoo gaarne daarmede

willen verrassen!"

Toen het reizende gezelschap het einde van het bosch had bereikt, klonk

de posthoorn hun dadelijk vrolijk te gemoet, ten teeken dat alles in

orde was. Zij bevonden zich nu ter naauwernood op een paar honderd

passen afstands van het dorp. De wagenmaker had zich uitmuntend van

zijne taak gekweten, en het wiel weêr volkomen bruikbaar gemaakt. De

jonge graaf trok hem op zijde en sprak in stilte met hem over den

herdersknaap. De wagenmaker bevestigde alles, wat deze tot den jongen

edelman had gezegd. "Gaarne," dus sprak hij, "nam ik hem in de leer.

Doch ik kan hem bij geene mogelijkheid voor minder leergeld aannemen! Ik

heb zoo weinig gevraagd, als een man in mijne omstandigheden maar kon!"

De gravin betaalde daarop den wagenmaker, gaf den knaap eene ruime fooi

en zette zich met hare beide dochters in den wagen neder.

Voordat hij in het rijtuig steeg, fluisterde de jongeling zijnen nieuwen

bekende in het oor, dat hun kasteel drie uren verder lag, dat de knaap

derwaarts moest gaan en zich tot den tuinman van het slot wenden, die

hem stellig zeer vriendelijk zou ontvangen.

Hierop nam ook hij zijne plaats in het rijtuig in, en onder het vrolijk

klinken van den posthoorn bereikte het gezelschap weldra het kasteel.

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 8 / 33 题