I.

Het ongeval op reis.

De gravin van Sterreveld bevond zich met hare drie kinderen, eenen zoon

en twee dochters, op reis uit de hoofdstad naar haar buitengoed. De

koetsier was, een bosch doorrijdende, met den weg in de war geraakt.

Hoewel dit oponthoud op zich zelf reeds onaangenaam genoeg was, werd het

evenwel nog grootelijks vermeerderd, naardien kort daarna de wagen op

een zoo hobbelig pad geraakte, dat een der wielen brak.

Hoewel niemand eenig letsel had bekomen, werd de gravin zulks met

grooten schrik gewaar, vermits de avond reeds begon te vallen, toen haar

dit ongeval overkwam. Hare dochters waren nog oneindig meer beangst door

het denkbeeld van in een zoo donker en eenzaam woud te zullen moeten

overnachten. Te vergeefs trachtte de jonge graaf zijne zusters gerust te

stellen. De rijknecht was regt verdrietig over het gebeurde, schimpte

geweldig op den slechten weg, waaraan hij alle schuld gaf, krabde zich

achter de ooren en wist niet wat nu te beginnen.

Terwijl het gezelschap nog besluiteloos stond, kwam een herdersknaap bij

hen, die, zoodra hij het ongeval bespeurde, zeide: "o, dat kan ligt

verholpen worden! Als ik ten minste goed zie, dan zullen wij het wiel

zonder veel moeite wel spoedig weêr in orde kunnen krijgen. In een dorp

aan den grooten weg, niet ver van hier, woont een beste wagenmaker, die

u spoedig zal helpen. Het bijpad, waarop de voerman verdwaald is loopt

gelukkig regelregt op dat dorp uit. Ik zal u derwaarts brengen en in een

oogenblik zal alles weêr klaar wezen!"

De knaap, die inmiddels rond had gezien, vond nu iets waarmede men den

wagen kon steunen en aldus naar het dorp slepen. "Ziedaar!" zeide hij,

"ons reeds geholpen wat den wagen betreft. Ondertusschen," zoo vervolgde

hij, "wilde ik u nog wel iets voorslaan. De rijweg van hier naar het

dorp is tamelijk ongemakkelijk, en daarenboven nog wel een uur lang.

Doch ik weet geenen anderen weg, die beter in orde is of ons spoediger

naar het dorp brengt. Indien evenwel de genadige vrouw met den jongeheer

en de jonge jufvrouwen mij wilden volgen, dan kan ik aan het gezelschap

een voetpad aanwijzen, dat wel de helft korter en veel aangenamer te

begaan is."

De gravin gaf te kennen, dat deze voorslag haar regt aannemelijk

voorkwam, en nu haalde de knaap de stang, waarmede de wagen moest

gesteund worden. "Zij behoort aan den wagenmaker," zeide hij, "die ginds

ook nog wat hout heeft liggen, dat hij in den vorigen winter heeft

geveld. Hij zal het ons stellig niet kwalijk nemen dat wij zijne stang

gebruiken om den wagen bij hem te brengen." Hij hielp den rijknecht

vervolgens regt handig alles zoo goed mogelijk in orde brengen, waarop

de koets langzaam en voorzigtig langs den hobbeligen weg werd

voortgetrokken, terwijl de voerman naast de paarden liep. De grafelijke

familie bleef het rijtuig nog een oogenblik nazien, en sloeg vervolgens,

onder geleide van den herdersknaap, het voetpad in, dat wezenlijk,

gelijk de knaap gezegd had, eene alleraangenaamste wandeling aanbood,

daar het door laag, maar welig groeijend geboomte, in bevallige

kronkelingen, langs een ruischend beekje van helder water voortliep.

De nachtegaal Verhalen voor de jeugd · 第 7 / 33 题